Bekijk het origineel

Onbekende Psalmen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onbekende Psalmen

12 minuten leestijd

In het Reformatorisch Dagblad zijn in het voorjaar van 2012 meerdere mogelijkheden genoemd om het (goed) zingen van onbekende Psalmen1 te bevorderen. Het onderstaande is een pleidooi voor een stuk praktijk, die werkelijk effectief blijkt te zijn.

Willen wij het zingen van onbekende Psalmen bevorderen, dan is daartoe een structurele aanpak nodig door ouders, scholen en kerken.
Hoe leert de kerkelijke gemeente alle Psalmen zingen?
Achtereenvolgens schrijven wij over de mogelijkheden thuis, in de basisschool, in het vervolgonderwijs, in de kerk en in de kerkelijke verbanden.

1. Ouders
Het begin ligt thuis. Laat het een principiële zaak zijn dat wij als ouders onze kinderen van jongsaf aan de Psalmen (zingend) aanleren en deze met hen regelmatig herhalen, ook voordat zij de school bezoeken. De mogelijkheden daartoe zijn er bij de maaltijden, voor het slapen gaan en in het bijzonder op de dag des Heeren.

2. Basisschool
Laat besturen en directies van basisscholen hun leerkrachten de opdracht geven om structureel van alle Psalmen één of meer coupletten aan te leren en deze ook te blijven repeteren, wetend, dat juist binnen de basisschool de mogelijkheid daartoe er is! Om deze opdracht uit te voeren is het van belang dat daartoe een passend plan voor de hele school opgesteld is.
Wanneer wekelijks een Psalmvers geleerd wordt, kunnen dat er wel veertig per schooljaar zijn.
Bijkomend uitgangspunt dient te zijn dat er tevens ruimte is om de Heidelbergse Catechismus te onderwijzen in de hoogste groepen (zeven en acht) van de basisschool. Immers, overeenkomstig het opschrift van de Catechismus dient die niet alleen in de kerken, maar ook in de scholen geleerd te worden. Juist vanwege de vele gaven op de kinderleeftijd om uit het hoofd te leren, zijn dat bij uitstek de jaren om de Catechismus te behandelen en uit het hoofd te leren.
Hoe zou de basisschool zich van de taak om structureel Psalmen aan te leren kunnen kwijten? Door de intrinsieke motivatie van leerkrachten om deze liederen, waarin het hart van Gods Kerk verklaard ligt, de exclusieve ereplaats te geven bij de openingen en sluitingen van de dagdelen. Principieel en structureel.
a. In de groepen één en twee leren de kinderen minimaal per twee weken een Psalmvers. Uitgaande van een enkel korter schooljaar en enkele lange verzen die gesplitst worden, zouden dit een vijfendertigtal coupletten kunnen zijn.
In de groepen drie tot en met zes leren de kinderen iedere week een Psalmvers. Per schooljaar zullen dat ook minstens vijfendertig coupletten kunnen zijn. In het totaal worden er dan minimaal honderd vijfenzeventig Psalmverzen aangeleerd, voldoende om per Psalm en van de Enige Gezangen minstens één couplet uit te kiezen.
b. In de groepen zeven en acht en ook in de lagere groepen worden de geleerde Psalmen steeds herhaald.
Dat kan eenvoudig, wanneer iedere leerkracht de Psalmlijst heeft: een totaaloverzicht heeft van aan te leren Psalmen en Enige Gezangen.
c. Verder is het aanbevelenswaardig dat in school op minstens twee keer per dag de (aan te leren) Psalmen gezongen worden. De herhaling is de moeder van alle leren. Door deze structurele aanpak in de basisschool mogen wij ervan uitgaan dat de kinderen alle Psalmen, ook de moeilijke, aan het einde ervan kunnen zingen.
d. Hoe dienen de Psalmen en Enige Gezangen gezongen te worden? Het antwoord is eenvoudig: als in de kerk. De school past zich aan de kerk aan qua berijming, tempo en wijze van zingen. Wordt er bijvoorbeeld in de kerk niet ritmisch gezongen, dan op school ook niet.
Wanneer in de school wel anders gezongen wordt dan in de kerk, dan heeft dat na verloop van tijd zijn doorwerking naar de kerk toe. Is het tempo van zingen in school bijvoorbeeld hoger, dan zal dit doorgaans na verloop van tijd ook op de kerkzang doorwerken.
En wanneer de school uitgaat van meerdere kerken met verschillen, dan is het juist, wanneer over het Psalmgezang ook (bestuurs)beleid gemaakt wordt binnen de school. Want het kan niet zo zijn, dat iedere leerkracht doet wat goed is in eigen ogen; dat de ene klas snel zingt en de andere langzaam, de ene berijming A en de andere berijming B gebruikt. Het is nodig dat er eenheid is.
e. Ook dient, vanzelfsprekend, de eerbied bevorderd te worden, bijvoorbeeld lettend op de zithouding van en het stemgebruik door de kinderen. Hoe goed is het, wanneer de leerkracht ook aangeeft of het over een lof- of gebedspsalm gaat.

3. Vervolgonderwijs
In het voortgezet, middelbaar en hoger onderwijs mag men ervan uitgaan, wanneer men reformatorische en christelijke basisscholen tot zijn voedingsgebied heeft, dat alle Psalmen gekend worden. Maar ‘bijhouden’ is nodig. Daarom is het nuttig om de Psalmroosters bij de dagopeningen zo op te stellen, dat per jaar van alle Psalmen minstens één couplet gezongen wordt. En dat kan, ziende op het aantal dagopeningen per schooljaar.
Twee problemen doen zich doorgaans voor.
a. De leerkracht zelf heeft problemen met moeilijke Psalmen of met het houden van de wijs in het algemeen. Wanneer het gebruik van de blokfluit dan geen optie meer is, zijn er digitaal ook mogelijkheden om de klas te (bege)leiden (hoewel we daar om meerdere redenen niet direct voorstander van zijn).
b. De klas zingt bijna niet mee, bijvoorbeeld vanwege de puberteitsleeftijd. Het kan ook zijn dat de betrokkenheid op het zingen klein is. Toch is het een goede zaak dat door alle leerkrachten ook met slecht zingende klassen het zingen standvastig volgehouden wordt, van tijd tot tijd hierover te spreken en de klas te stimuleren, wetend dat het zingen ons aangereikt wordt vanuit de Bijbel. De Heere Jezus zong ook met Zijn discipelen.

4. Kerk
Met het oog op de basisscholen is het ook vandaag de dag te verwezenlijken dat er van de kerk aangaande het principiële aspect naar bestuur en personeel een rechtstreekse lijn loopt. Te meer zou dat moeten zijn, wanneer de kerk haar (ambtelijke) vertegenwoordiging in het schoolbestuur heeft. En wanneer dat niet zo is, dan is het gewenst dat de scholen met hun besturen zich in deze zaken openstellen voor overleg met de kerk(en).
Het positieve ervan is dat er niet over elkaar, maar met elkaar gesproken wordt. Wat zouden (jonge) leerkrachten veel kunnen en mogen leren van Godvrezende ambtsdragers. Hoe kan dat naar het principiële toe toch zijn positieve uitwerking hebben op de school.
Hoewel de leus heden ten dage luidt: ‘Besturen op afstand,’ zien wij daar principieel meer nadeel dan voordeel van. Want hoe meer de besturen en ook de kerken zich distantiëren van het onderwijs, des te meer de school haar eigen koers bepaalt en de mogelijkheden zijn vele dat deze, wellicht ongemerkt, van datgene wat in de kerk naar voren komt op grond van Schrift en Belijdenis afgaat.
Vervolgens richten wij ons op het zingen op het kerkelijke erf.
a. Het is een goede zaak dat in de kerkdiensten zo mogelijk van alle Psalmen wel coupletten gezongen worden. De predikanten (en ouderlingen, die leesdiensten hebben te leiden), hebben daarin een belangrijke taak en zullen niet bang moeten zijn om ook Psalmverzen met onbekendere wijzen op te geven.
b. In de kerkdiensten maken wij gebruik van het orgel als begeleidingsinstrument.
Daarbij kennen wij ook het spelen van voor-, tussenen naspelen en het orgelspel voor en na de dienst.
Het orgelspel voor de dienst biedt zeker goede mogelijkheden om onbekende melodieën te laten horen, maar laten wij nuchter zijn en daar, vanwege de verdeelde aandacht bij de kerkgangers, niet direct wonderen van verwachten.
c. De begeleiding van het zingen is in handen van de man of vrouw achter het orgel. Door de kerkenraad en/of kerkvoogdij is hij of zij aangesteld. Het mag verwacht worden dat men daarbij zorgvuldig te werk is gegaan. Immers, het gaat om de eredienst.
En aan de organisten mocht de begeleiding hopelijk niet alleen overgegeven, maar ook toevertrouwd worden. Zien wij op deze belangrijke taak in Gods huis, wat is daartoe nodig?
- Allereerst iets van de oprechte vreze des Heeren en betrokkenheid op de erediensten. Wanneer deze zaken ontbreken, zal dat niet alleen tegen de organist zelf getuigen, maar dan is ook de gemeente er niet goed mee. Mag er wel iets daarvan gevonden worden, dan zal dit, als het goed ligt, zeker wel ergens te merken zijn in het orgelspel, maar ook in het respect voor voorgangers en ambtsdragers, wanneer er met hen over bepaalde zaken doorgesproken wordt.
- Vervolgens: kwalitatief goed orgelspel. Dus een stuk opleiding is geboden, opdat de organist correct speelt en daarbij gebruik maakt van passende muziek en goede zettingen, waarbij de gemeente ook naar behoren kan zingen. Ook het met kennis en smaakvol registreren, tevens passend bij de tekst van de te zingen Psalm, verdient daarbij zeker de aandacht.
- Ten derde: blijven studeren. De organist, die aangesteld is, moet ten allen tijde ervoor zorg dragen alle Psalmen en Enige Gezangen vlot te kunnen spelen en daar ook voorspelen bij paraat hebben.
Dit vergt zelfdiscipline. Systematisch keer op keer het Psalmboek doorgaan. Hoe nodig is dat daar in de dienst zo Psalmen gewijzigd of toegevoegd kunnen worden. Het is een slechte zaak dat bij onbekendere Psalmen de organist zich nog zal moeten voorbereiden.
Dus is het ook niet nodig dat de organist zo lang van te voren de te spelen Psalmen ontvangt. En wanneer er geen voorbereidingstijd is, doordat de Psalmen net voor of tijdens de dienst aangegeven worden, dan geeft dat mogelijk nog het meest ongekunstelde orgelspel en voorkomt dit het al te sublieme orgelspel.
De dringende behoefte om tijdig de Psalmen te mogen ontvangen kan er enerzijds van getuigen dat de organist op een te laag niveau functioneert en/ of onvoldoende studeert. Anderzijds is het voor de organisten, die niet vakkundig improviseren, wel gemakkelijk om de Psalmen van te voren te weten.
Zij kunnen dan thuis passende voorspelen uitzoeken en hoeven niet al te veel muziekboeken mee te nemen.
Dat in dit alles ook gedacht wordt aan de voorganger. Eens, toen een jonge organiste op zaterdag haar wat op leeftijd gekomen predikant opbelde om de Psalmen te mogen ontvangen, bleef het aan de andere kant van de telefoon even heel stil.
Daarna weerklonk een hartenkreet: ‘Kind, ik heb nog niet eens een tekst…’ De nood van de predikant klonk erin door. De betrokkenheid werd gevoeld. Een des te hartelijker opdragen aan de Troon der Genade mocht er zijn. En de Heere heeft willen voorzien, voor predikant en organiste.
Tenslotte: dat het Woord centraal zou staan. Dat orgelspel niet al te veel op zou vallen ten positieve door concertante, briljante muziek, waardoor mensen voor het orgel naar de kerk gaan, maar ook niet op zou vallen door de vele storende fouten die gemaakt worden, waardoor het orgelspel ergernis zou verwekken. In beide gevallen trekt dat af van de eer des Heeren.
d. Zingt de gemeente beter, wanneer de organist de (onbekende) melodie in het voorspel voorspeelt? Deze vraag kan zeker bevestigend beantwoord worden. En de wijs wordt nog des te beter vastgehouden door deze met een duidelijke uitkomende stem te laten horen.
Doch laten wij ook nuchter zijn (en daarmee keren wij terug naar het begin): de beste manier om de melodieën te leren is, zoals thuis en op de basisschool (hopelijk), door voorzingen en nazingen de wijzen aangeleerd worden.

5. Kerkelijke verbanden
Ook wordt er vanzelfsprekend, als het goed is, gezongen tijdens de catechese, in verenigings- en zondagsschoolverband.
a. Hoewel tijdens de catechisatielessen gezongen wordt, zal de invloed daarvan niet zo groot zijn, daar het aantal catechese-uren maar beperkt is. En bij het zingen tijdens de uren van de verenigingen is doorgaans slechts een klein deel van de gemeente betrokken. Het is wel een goede zaak, wanneer ook hier zo mogelijk telkens aandacht besteed wordt aan de onbekende Psalmen.
b. Binnen de kerkelijke situatie biedt de zondagsschool (als die er is) de grootste mogelijkheid om onbekende Psalmen aan te leren. Immers, wekelijks staat ook een Psalm op het rooster om te memoriseren.
Tijdens vier jaren zondagsschool zou bezien kunnen worden of van alle Psalmen en Enige Gezangen minstens één couplet aangeboden is. En wanneer kinderen van vier tot twaalf jaar de zondagsschool bezoeken, zouden zij van alle Psalmen minstens twee coupletten kunnen leren.

6. Tot besluit
Het zou zo moeten zijn dat het zingen der gemeente niet alleen met hart en mond, eerbiedig en plechtig, maar ook eendrachtig: een gelijk tempo van alle zangers. Wanneer dat niet het geval is, bemerken wij doorgaans een strijd (die zich vaak verder uitstrekt dan tot het zingen alleen), waarbij het ‘ik’ centraal staat; dat kan nooit tot de eer des Heeren zijn.
Dat wij aangaande het zingen van onbekende Psalmen het niet zouden verwachten van allerlei ideeën aangaande de taak van de organist, het zingen van andere berijmingen of andere melodieën. Laat ons de gegeven middelen, die zich door de jaren heen in de praktijk bewezen hebben, in gezin, school en kerk structureel mogen gebruiken.

Mocht het in alles gaan om de werking des Geestes ook tijdens het zingen. Opdat de Psalmen, naar het vrije van ’s Heeren welbehagen, in de harten der zangers verklaard mochten worden, aangaande zonde en genade, bede en dank, vermaning en vertroosting, boete en lof, ja, naar al de rijkdom die erin te vinden is. Dan kunnen onbekende Psalmen nog ‘bekend’ en geliefd gaan worden.

(De auteur is verbonden aan het Hoornbeeck College te Amersfoort en was organist en directeur basisonderwijs).

Noot

1. Wanneer over Psalmen gesproken wordt, ook in het vervolg, mag tevens gedacht worden aan de Enige Gezangen achter de Psalmen.


Het gebruik van het orgel

Onze vaderen waren geen voorstander van het orgel in de eredienst. Deze zaak wordt vanuit het Woord ook niet geboden. De motivering daarvan is terug te voeren op de Christelijke eredienst na de scheuring van het voorhangsel in de tempel. Voor Jezus’ dood en opstanding kenden de Joden de ceremoniële eredienst met instrumenten zoals ten tijde van David. Doch, met het scheuren van het voorhangsel van boven naar beneden zijn de ceremoniën afgeschaft, daar Christus het grote Offer gebracht heeft. Daarna lezen wij in Gods Woord ook niet meer van het gebruik van instrumenten tijdens de godsdienstoefening. Maar het zingen is gebleven. Wij lezen van het onbegeleide zingen, ook door de Heere Jezus met Zijn discipelen voor Zijn gaan naar Gethsémané: ‘En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg’ (Matth. 26:30).
Tevens was datgene wat organisten in vroeger jaren voor en na de diensten ten gehore brachten (ook heden ten dage soms?) niet in overeenstemming met het karakter van de eredienst en waren toen de orgels niet als nu op gemeentezangbegeleiding gebouwd.
Het gebruik van het orgel is uit de nood geboren. De zang in onze groter wordende kerken zonder geluidsinstallatie onder leiding van een voorzanger ontaardde soms in een chaotisch verloop. Met behulp van een orgel is dan beter leiding aan de zang te geven. Dit is, hoewel niet in de Schrift geboden, is onder ons wel algemeen aanvaard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2012

Criterium | 40 Pagina's

Onbekende Psalmen

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2012

Criterium | 40 Pagina's

PDF Bekijken