Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Herman Bavinck en de Theologische  Faculteit te Leiden1

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Herman Bavinck en de Theologische Faculteit te Leiden1

29 minuten leestijd

De briefwisseling tussen Herman Bavinck (1854-1921) en Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936) die nu in een voortreffelijk geannoteerde uitgave voor ons beschikbaar is, brengt ons in aanraking met twee interessante figuren die ondanks soms diepgaande verschillen met elkaar communiceerden in een geest van echte vriendschap en van wezenlijk verstaan. In deze bijdrage wil ik mij concentreren op de figuur van Bavinck in zijn relatie tot Leiden, zulks op basis van zijn briefwisseling met Snouck Hurgronje. Het was voor Bavinck een betekenisvolle relatie, zij het ook niet zonder spanningen. De correspondentie met zijn vriend Snouck Hurgronje doet ons iets zien van de innerlijke tweestrijd van een hoogst intelligente theoloog, die reeds als student met grote aandacht de culturele en theologische ontwikkelingen van zijn eigen tijd volgde en daar soms door gefascineerd werd, maar die tegelijk zich innerlijk verbonden wist met wat hij vanuit zijn typische traditie aan geestelijk erfgoed had meegekregen.

Herman Bavinck was afkomstig uit de kring van de Afscheiding van 1834, die zich in haar hoofdstroming vanaf 1869 als Christelijke Gereformeerde Kerk manifesteerde; een gemeenschap die, terzijde van de heerbaan, in betrekkelijk isolement zich een eigen plaats in het Nederlandse kerkelijke spectrum verworven had. Binnen deze gemeenschap, die zich in Bavincks jeugd in de periode van consolidatie bevond, met als samenbindend middelpunt de in zijn geboor-

Prof. dr. J. van den Berg, emeritus-hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden, Neuhuyskade 6 (Boschzicht), 2596 XL Den Haag.

tejaar opgerichte Theologische School te Kampen, zou hij geleidelijk een belangrijke plaats gaan innemen. Zeker niet minder belangrijk was de rol die hij als gerijpt theoloog naast de flamboyante Abraham Kuyper zou spelen in de kring van de uit de vereniging van afgescheidenen en dolerenden in 1892 ontstane Gereformeerde Kerken. De theologische koers zou in belangrijke mate door hem worden bepaald. Wel moet ten aanzien van Bavinck hierbij worden aangetekend, dat de meeste gereformeerden in hem vooral de - als was het ook milde - conservator van het klassieke gereformeerde erfgoed hebben gezien. Voor de vernieuwende tendensen die impliciet in zijn publicaties aanwezig waren had men minder oog: zij pasten niet in het restauratieve klimaat dat in de Gereformeerde Kerken overheerste; een klimaat, dat in 1926 de veroordeling van Bavincks leerling J.G. Geelkerken door de synode van Assen mogelijk zou maken.

Maar dit alles was nog niet te voorzien toen Bavinck en de Hervormde theologie student Snouck Hurgronje, later (vanaf 1889) hoogleraar te Leiden in de 'letterenfaculteit', elkaar in 1874 in Leiden leerden kennen; evenmin de ontwikkeling van Bavinck tot toonaangevende gereformeerde dogmaticus als die van Snouck tot de grote, in geestelijk opzicht steeds meer agnostische Islamkenner zoals hij nu bekend staat. Dat de jonge Snouck in Leiden ging studeren was niet verwonderlijk; dat een Afgescheiden jongeman als Bavinck, 'nourri dans le sérail', naar Leiden ging, was binnen de verhoudingen van die tijd nogal opzienbarend. Het spreekt vanzelf, dat niet allen binnen de afgescheiden kring begrip hadden voor Bavincks beslissing om, na een jaar in Kampen gestudeerd te hebben, zijn theologische opleiding te vervolgen in het centrum van de door alle orthodoxen zo verfoeide moderne theologie. Zo verzette de overigens milde, binnen het afgescheiden kader ruimdenkende hoogleraar A. Brummelkamp zich zeer krachtig tegen Bavincks plan. Het bracht Hermans vader in een moeilijk parket. Als christelijk gereformeerde predikant te Kampen onderhield deze goede relaties met de Kamper docenten. Binnen de afgescheiden gemeenschap nam hij een niet onbelangrijke plaats in. Maar toch wilde hij zijn zoon niet in de weg staan: Hermans ouders hebben zijn keuze gerespecteerd. Misschien heeft daartoe de invloed bijgedragen van de Leidse christelijke gereformeerde predikant J.H. Donner, een goede vriend van de Bavincks, die op de dag van de beslissing juist

bij Hermans ouders logeerde en het wel mooi vond dat de jonge Herman in Leiden zou gaan studeren. 2 Uit de houding van Donner evenzeer als uit die van Bavincks ouders blijkt, dat zeker niet alle Afgescheidenen 'eenkennig' waren, al heeft Bavinck zoals wij zullen zien, zich soms geërgerd aan isolationistische tendensen in eigen kring.

Het zal Hermans ouders te gemakkelijker zijn gevallen hem naar Leiden te laten gaan, omdat zijn keus niet was ingegeven door verzet tegen de Afgescheiden traditie als zodanig. Met zijn trouwe karakter was en bleef hij een loyale 'zoon van de Afscheiding', die in Leiden altijd kerkte bij Ds. Donner. 3 Typerend voor zijn geestelijke attitude is ook wat Snouck Hurgronje schreef aan Bavincks echtgenote, Mevrouw J.A. Bavinck-Schippers, nadat hij in juni 1921, een maand vóór Bavincks heengaan, zijn oude vriend nog eenmaal had bezocht:

Ik ben nog geheel onder den indruk van mijn laatste bezoek: weemoedig, maar stichtelijk tevens. Anders dan vroom heb ik mijn goeden vriend trouwens niet gekend. 1874-1921 (186).

De verbondenheid met de wereld waaruit hij voortkwam is een constante in Bavincks leven. Dat betekent overigens niet dat hij onkritisch was. Een punt dat later in de correspondentie meer dan eens naar voren komt is dat van de separatistische tendensen in de kring van de afgescheidenen, de neiging zich in eigen kring op te sluiten en datgene wat buiten de strak getrokken cirkel lag te laten voor wat het was. Bavinck zag dat als een onvruchtbaar isolement, in strijd met de voor hem zo centrale idee van de 'katholiciteit der kerk', waaraan hij als hoogleraar te Kampen in 1888 een magistrale oratie wijdde. In de peroratie van zijn rede klonk een ernstige waarschuwing door: 'Elke sekte, die eigen kring voor de eenige kerk van Christus houdt en uitsluitend in het bezit der waarheid zich acht, kwijnt en sterft weg'. 4 Naar aanleiding van zijn oratie schreef Bavinck aan Snouck (22 december 1888):

Bedenk bij de lezing dat ze vooral bestemd is als eenige medicijn voor de separatistische en sektarische neigingen, die soms in onze kerk zich vertoonen. Er is zooveel enghartigheid, zooveel bekrompenheid onder ons, en 't ergste is dat dat nog voor

vroomheid geldt - ik weet wel, het ideaal waar ik naar streef is hier onbereikbaar, maar mensch te zijn in den vollen natuurlijken zin van dat woord en dan als mensch in alles een kind van God - dat lijkt mij 't schoonst van alles. Daar streef ik naar (136).

Jaren later kwam hij nog op dit punt terug, toen hij aan Snouck schreef dat hij het 'beginsel eener eigen inrichting', een zuiver kerkelijke predikantsopleiding, beschouwde als 'een onrijpe en wrange vrucht van het separatisme, dat ook in onze Christelijke Gereformeerde Kerk [uiteraard die van vóór 1892, maar wier traditie op dit punt nog doorwerkte] zijn wortelen heeft geslagen' (3 januari 1903:151).

Of Bavinck in 1874 ook al bezwaar had tegen het 'separatisme' in eigen kring onttrekt zich aan onze waarneming. Duidelijk wordt in ieder geval, dat zijn keuze voor Leiden niet door kerkelijke maar door wetenschappelijke factoren werd bepaald. Stellig leefde al tegen het eind van zijn gymnasiumtijd bij de begaafde theoloog-inspé, die als 'mens in de volle natuurlijke zin van het woord' openstond voor wat leefde en gistte in de wijdere wereld, het verlangen om in cultureel en theologisch opzicht de vleugels breder uit te slaan dan in Kampen mogelijk was. Op aandrang van zijn ouders ging hij eerst nog een jaar in Kampen studeren, maar dat was gezien zijn aspiraties ook genoeg. 5 De Kamper opleiding kon hem niet bieden wat hij in wetenschappelijk opzicht zocht. Na zijn Leidse tijd, toen hij in het ouderlijk huis aan zijn dissertatie werkte, schreef hij aan Snouck naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van de Theologische School: '.. .of ze ooit zal worden wat ik soms wensch, betwijfel ik... Zuiver wetenschappelijk kan ze uiteraard nooit worden' (6 jan. 1880, 63). En dat wilde hij al in 1874: wetenschappelijk bezig zijn met de theologie in haar vele facetten.

De keuze voor Leiden was niet willekeurig. In wetenschappelijk opzicht was de Leidse faculteit in die tijd ongetwijfeld interessanter dan de andere opties, Utrecht of Groningen. De faam van de wetenschappelijke bekwaamheid van de Leidse theologen, van het hoge niveau van de Leidse theologiebeoefening, was stellig al vroeg tot hem doorgedrongen. Sympathie met de moderne theologie als zodanig, zoals die vanuit Leiden in die tijd het wetenschappelijk-theologische veld voor een goed deel beheerste, speelde geen rol. Maar

hij wilde haar wel van dichtbij leren kennen. In 1914 terugblikkend schreef hij: 'Ik had den gymnasialen leertijd achter den rug en koesterde eene sterke begeerte, om in Leiden mijn studie voort te zetten en met de moderne theologie van nabij kennis te maken' . 6 Studeren in Leiden betekende ook een confrontatie met de eigentijdse cultuur - en daarvoor bood voor zijn besef het Kamper klimaat hem te weinig gelegenheid. Meer dan eens lezen we in de brieven dat de Kamper wereld hem te eng, de atmosfeer hem te benauwd was.Later, toen hij - al vijfjaar zelf hoogleraar in Kampen - in verband met zijn wijsgerige studie een artikel uit een Engelstalig tijdschrift nodig had, schreef hij aan zijn Leidse vriend:

Ik kan het hier in dit ongelukkige stadje niet krijgen. Hoe dikwerf verlang ik naar de Leidsche bibliotheek! En hoe gaarne zou ik metterwoon van Kampen naar Leiden of Amsterdam verhuizen. We wonen hier zoo achteraf en worden zoo kleinsteedsch (1 jan. 1887, 130).

Uit deze woorden spreekt iets van nostalgie naar de goede tijd, in Leiden doorgebracht.

Al werd Bavinck geen corpslid (hij was het wel van plan geweest, maar één dag novitiaat was kennelijk genoeg), toch leefde hij in Leiden niet geïsoleerd. Uit de briefwisseling blijkt, dat hij met verschillende medestudenten in de theologie een vriendschappelijk contact had. Voorts bevat de correspondentie tal van observaties over de Leidse theologische hoogleraren van die tijd. Johannes Henricus Scholten (1811-1885), de grote systematicus, was de 'primus inter pares'; een theoloog die een grondige kennis van de gereformeerde theologie bezat, maar die haar binnen het kader van zijn modern-theologische visie als het ware binnenste-buiten keerde. Hij had de naam, hooghartig te zijn, maar de jonge student uit de afgescheiden kring werd door hem zeer vriendelijk bejegend.

Zaterdagmorgen ben ik nog even bij Scholten aangeweest... Scholten was natuurlijk heel vriendelijk en hij vertelde me dat, nota bene, Proost [een hervormde mede-student] er ook over dacht om een dissertatie te schrijven over de Afscheiding - Scholten had hem echter gevraagd om dat aan mij over te laten (8 april 1879; 49).

Interessant is dat Bavinck, hoezeer ook als theoloog tastend naar wijder horizon, toch in eerste instantie bereid was op het hem door de (toen) kerkelijke hoogleraar Johannes Gerhardus Rijk Acquoy (1829-1896) gesuggereerde onderwerp te promoveren 7 . Hij bleef in Leiden een overtuigd volgeling van de Afscheiding, die tijdens een dispuutcollege eens zelf zeer emotioneel zijn kerkelijk standpunt verdedigde. 8 Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Evenzeer is interessant dat Scholten dit onderwerp voor Bavinck wilde reserveren. Blijkbaar had hij fiducie in diens wetenschappelijke objectiviteit.

In zijn brieven aan Snouck sprak Bavinck over Scholten met iets van gedistantieerd respect. Hoe hij over Scholtens colleges dacht wordt niet geheel duidelijk. Hepp schetst in zijn Bavinck-biografie een wel erg somber beeld van Scholtens onderwijs in diens latere jaren. De briefwisseling bevestigt echter dit beeld niet zonder meer.

Aardig is een passage uit een brief van 30 december 1876, door Bavinck tijdens de kerstvacantie vanuit Kampen geschreven: 'De schildering die gij gaaft... van Scholtens college', dat Bavinck niet had kunnen bijwonen, 'deed me watertanden en berouw hebben over mijn vroeg weggaan'(30v). Tijdens dezelfde vacantie las hij het door hem gemaakte collegedictaat 'Theologia biblica NT' van Scholten door, waarin hij nu meer orde ontdekte dan toen hij de colleges hoorde (31). Bavinck is op 10 juni 1880 'cum laude' bij Scholten gepromoveerd, ruim een jaar na het doctoraal examen (4 april 1879). Het promotieonderwerp werd echter niet de Afscheiding, maar de ethiek van Zwingli 9 . Naar hij aan Snouck schreef, had hij het onderwerp 'na veel weifelen' gekozen; aanvankelijk trok het hem niet bijzonder, maar onder bewerking viel het mee, 'en het werpt veel meer vrucht af dan de "Afscheiding"' (17 november 1879; 60).Zijn belangstelling ging meer uit naar de dogmatiek en wat daarmee verband hield dan naar de kerkgeschiedenis. Scholten speelde overigens als promotor een geringe rol; hij liet de begeleiding in hoofdzaak over aan Abraham Kuenen (1828-1891), die naast het Oude Testament ook de ethiek doceerde en die hem in eerste instantie op de ethiek van Zwingli gewezen had. Over Scholten schreef Bavinck in dit verband:

Toen ik eenigen tijd geleden hem schreef dat ik de ethiek van Zwingli behandelen zou indien hij het goedkeurde, antwoordde

hij zeer karakteristiek: het is een mooi onderwerp, vooral om aan te wijzen het verband tusschen Zwingli's verkiezingsleer en zijn moraal. Raadpleeg mijn Leer der Hervormde Kerk en nog een paar andere, die hij dan noemde. Dit bewijst genoeg dat zoo'n promotor niet veel geeft (6 januari 1880; 64). 10

Kuenen betekende meer voor hem. Als officieuze promotor werkte hij snel en efficiënt. Hij stuurde Bavinck het manuscript al na vier a vijf dagen met zijn aanmerkingen terug - het waren er gelukkig niet veel, schreef Bavinck: 'Met zoo'n spoed had hij dit vervelend werkje verricht' (12 mei 1880; 67). Voor Kuenen als persoon had Bavinck veel waardering; hij sprak zelfs over 'den adel zijner ziel' (29 juni 1876; 27). Die waardering deelde hij met zijn medestudenten. Blijkbaar straalde Kuenen iets uit, dat hem de warme sympathie van zijn leerlingen bezorgde. Maar vooral waardeerde Bavinck hem om zijn wetenschappelijke kwaliteiten. Kuenens boek Profeten en profetie onder Israël (1875) las hij met genoegen, al kan hij het niet met alles eens zijn geweest. Ik waag de veronderstelling dat Kuenen met zijn streng methodische, wetenschappelijk diepgravende aanpak voor hem het ideaalbeeld van de Leidse hoogleraar representeerde: het type hoogleraar waarvoor hij naar Leiden was gegaan. Misschien verklaart dit ook waarom het portret van Kuenen nog lang op Bavincks studeerkamer heeft gehangen 11 - een herinnering aan een voor hem zo waardevolle tijd.

Ik denk niet dat het portret van Lodewijk Willem Ernst Rauwenhoff (1828-1889), die in Bavincks Leidse tijd de kerkgeschiedenis, later de godsdienstwijsbegeerte doceerde, daar gehangen heeft.

Tussen Rauwenhoff en Snouck Hurgronje bestond blijkbaar iets van persoonlijke antipathie; daaraan weet Bavinck het althans dat Snouck bij het candidaatsexamen in tegenstelling tot hemzelf geen 'cum laude' kreeg. 12 Daarom vroeg Bavinck, op zijn bul het 'cum laude' te schrappen; Snouck zag in deze geste een 'bewijs van waarachtige vriendschap, die desnoods de banden der conventie verbreekt'(Snouck aan Bavinck, 17april 1878, 38).Eentheebezoekbij Rauwenhoff liet bij Bavinck ondanks de vriendelijke ontvangst gemengde gevoelens achter. 'Als ik hem mijn vertrouwen schenken kan, 'k zou meenen dat ik nogal in een wit blaadje bij hem stond. Nu twijfel ik er echter hard aan' (10 juli 1878, 43). Ook de manier waarop Rauwenhoff zijn ideeën naar voren bracht wekte bij

Bavinck weerstand, evenals trouwens bij Snouck. In het Theologisch Tijdschrift van 1880 had Rauwenhoff een artikel gepubliceerd 'Idealisme zonder ideaal', waarin hij in zijn kritiek op de kerk dicht naderde tot het standpunt van die modernen die de kerk vaarwel gezegd hadden - zonder overigens mèt hen de laatste stap te zetten. Op 4 februari 1880 schreef Snouck aan Bavinck:

...'t maakte op mij een onaangenamen indruk dat die onkerkelijke bezwaren, die reeds zoo lang door anderen gevoeld en uitgesproken zijn, door Rauwenhoff nü als iets geheel nieuws werden voorgedragen (66).

Ook Bavinck las het artikel met ergernis:

Ge kunt wel begrijpen dat zoo'n stuk door ons een belangrijk verschijnsel genoemd wordt, al wordt voor mij de waarde van het stuk heel wat minder, wijl ik weet wie het schreef. Ik vond het naschrift [over moderne predikanten die in de kerk bleven] nog wel zoo onaangenaam als het stuk zelf... Maar om billijk te zijn, moet ik zeggen dat het stuk voor mij meer beteekenis zou hebben, als er een andere naam onder gestaan had (8 februari 1880; 67).

In 1882 werd Bavinck benoemd tot hoogleraar in Kampen. Op 10 januari 1883 hield hij zijn inaugurele oratie; in feite een, zij het ook hoffelijke (hoe zou het bij Bavinck ook anders kunnen...), toch massieve aanval op Rauwenhoffs theologiebeschouwing. Hij zette in bij Rauwenhoffs uitspraak dat de theologie moet worden geseculariseerd, dat zij zich alleen kan handhaven indien zij aan de eis van secularisatie voldoet. Bavinck zag 'deze voor ons zoo vreemde en ongehoorde stelling' als resultaat van een doorgaand proces, dat pas rust zou vinden wanneer men alles, tot God en godsdienst toe, zou hebben geseculariseerd. Daar tegenover stelde Bavinck: 'Niet in secularisatie, maar in heilighouding van wat heilig is, ligt het behoud der theologie'. 13 Bavincks afwijzing van Rauwenhoffs inzichten was principieel, maar zij werd nog versterkt door persoonlijke irritatie.

Rauwenhoff overleed begin 1889. Kort daarna schreef Snouck aan Bavinck over de hierdoor ontstane vacature; in zijn antwoord

bekende Bavinck dat een leerstoel als die van Rauwenhoff voor hem veel bekoorlijks zou hebben. Hij ontveinsde zich de bezwaren niet, en besefte dat hij in theologisch opzicht in Leiden een geïsoleerde positie zou innemen. Toch zou zo'n plaats voor hem aantrekkelijk zijn 'door de vrijheid en de rijke gelegenheid die zij biedt om eigen overtuigingen wetenschappelijk te bevestigen en aan anderen mede te deelen'. Hij wilde echter niet 'buiten den waard' rekenen (138). Het valt te betwijfelen of ooit serieus aan Bavinck gedacht is; hij kwam zelfs niet op de groslijst. Uiteindelijk werd, stellig tot veler verbazing, de ethische leidsman Johannes Hermanus Gunning benoemd (1829-1905). 14

Bavinck had geen wezenlijke affiniteit met de ethische theologie, al wist hij zich op een diepere laag geestelijk met de ethischen verwant. In een rede van 1884 over de theologie van Daniël Chantepie de la Saussaye had hij zich over de 'vader' van de ethische theologie in milde bewoordingen uitgelaten, hetgeen bij de militante Kuyper niet bepaald in goede aarde viel. 15 Maar omgekeerd was ook Gunning als bewonderaar van La Saussaye ontevreden; het leidde tot een schriftelijke discussie tussen hem en Bavinck. Op Gunnings geschrift Jezus Christus de middelaar Gods en der mensen (1884) reageerde Bavinck in een brief aan Snouck wat de persoon van Gunning betreft zeer kritisch: 'Er is zeer veel schoons in, vooral veel dat voortvloeit uit en getuigt van een warm hart, maar ook veel, dat voortkomt uit een verward hoofd, dat het denken nooit geleerd heeft' (23 december 1884; 122). Het zal de helderheid van denken zijn geweest, die hem bij alle verschil toch in zijn Leidse leermeesters als Scholten en Kuenen zal hebben aangetrokken.Bavincks nogal krasse uitspraak zou ook binnenskamers door één van de Leidse moderne theologen kunnen zijn gedaan. Overigens valt de klacht van vaagheid aan het adres van theologen die door Schleiermacher en de 'Vermittlungstheologie' beïnvloed waren in die tijd vaker te beluisteren, in en buiten Nederland. Tien jaar later zou Bavinck zich echter in een 'Feestalbum', aan Gunning aangeboden ter gelegenheid van diens veertigjarige ambtsbediening, anders uiten: toen dankte hij Gunning 'voor de verrijking van hoofd en de vertroosting van hart, die door velen, ook door mij, van zijn persoon en arbeid ontvangen werd'. 16

Over de vierde hoogleraar in het Leidse klaverblad, de theologisch wat kleurloze Johannes Jacobus Prins (1814-1898), vernemen

we in de correspondentie vrijwel niets. Zijn optreden schijnt weinig tot de verbeelding te hebben gesproken; 17 Roessingh duidde hem aan als 'de bedaarde Prins, aan wien toch zeker geen revolutionnaire opgewondenheid zal worden verweten'. 18 Zijn interesse lag vooral op praktisch-theologisch terrein - niet het gebied waarvoor Bavinck naar Leiden getogen was. Van zijn kwaliteiten had Bavinck geen hoge dunk; bestudering van de 'inleiding op de Openbaring', met nogal wat onbeslistheden, deed hem tegenover Snouck verzuchten: 'Ik zal me maar troosten met de gedachte, dat het bij prof. Prins altijd goed is, iets niet te zeker te weten' (1 januari 1879; 48). In 1884 stuurde Bavinck aan zijn oude leermeester een exemplaar van zijn rede over La Saussaye. Prins reageerde hoffelijk, zelfs zeer waarderend, maar toch met een kritische noot met betrekking tot Bavincks principiële standpunt, tot zijn keuze voor een theologisch isolement, dat niet van 'sectarisme' zou zijn vrij te pleiten (Prins aan Bavinck, 2 oktober 1884, 124 nt. 1). Maar Bavinck schreef aan Snouck dat hij zich een vijand wist van 'valsch separatisme'. Zijn bedoeling was alleen dat 'Vermittlung' van twee heterogene beginselen en wereldbeschouwingen tot niets leiden kan: 'Mijne eigen persoonlijke ervaring na den studietijd in Leiden heeft me dat geleerd' (23 december 1884; 124).

Dat brengt als vanzelf tot de vraag wat zijn Leidse tijd in feite voor Bavinck betekend heeft. Dat het in vele opzichten een goede tijd voor hem was, is zonder meer duidelijk: theologisch èn cultureel werd zijn horizon verbreed. Maar dat betekent tevens, dat oude zekerheden, hem in afgescheiden kring van huis uit meegegeven, werden losgewrikt. Terugziende op zijn Leidse tijd zou hij in zijn aantekeningen betreffende een lezing door hem gehouden op de Vergadering van Moderne Theologen van 1912 (ze werden door C. Augustijn opgediept uit het Archief-Bavinck) schrijven:

Ik vraag verlof weer over mijzelf te spreken, 't Is in zekeren zin waar: kerkelijke godsdienstige traditiën binden mij. Zoo kwam ik naar Akademie, werd leerling van Sch[olten] en Ku[enen |. Ernstige crisis natuurlijk. Maar wetenschappelijk voldeed mij Sch. niet en religieus K. niet. Ze ontnamen me iets wat ik niet missen kon. Steenen voor brood.

In Bavincks herinnering, waaraan de tijdsafstand misschien een nog

donkerder kleur gaf, ontnamen ze hem 'de religie zelve, de gemeenschap met God, vergeving der zonde, troost en zekerheid voor alle eeuwigheid, niet 't objectieve, maar ook 't subjectieve Christendom... En toen heb ik gezegd: dat kan niet waar zijn'. 19

De confrontatie met het kritisch denken zoals dat in Leiden overheerste zal voor Bavinck een schokkende ervaring zijn geweest. Maar het beeld dat uit de correspondentie met Snouck oprijst is toch iets meer geschakeerd dan bovenstaand citaat zou doen vermoeden. Teruggekeerd in Kampen na zijn Leidse tijd schreef Bavinck:

Leiden is me van veelzijdig nut geweest; ik hoop het altijd dankend te erkennen. Maar het heeft me ook dikwerf zeer arm gemaakt, me ontnomen, niet alleen veel ballast (daar ben ik blij om) maar ook veel dat ik thans in den lateren tijd, vooral als ik preken maken moest, als onmisbaar voor eigen geestelijk leven leerde beschouwen.

Heb ik iets aan Leiden te danken, dan is het dit: den tegenstander trachten te begrijpen (19 augustus 1879; 56 v).

Als vanzelf bleef de herinnering aan Leiden Bavinck bezighouden. Het bleef een omzien in ambivalentie.

Nu ik uit Leiden weg ben, en de moderne theologie en de moderne wereldbeschouwing wat anders in de oogen zie, dan toen ik zoo sterk onder den invloed van Scholten en Kuenen stond, nu lijkt mij veel weer heel anders toe dan waarin het mij toen voorkwam. Ik heb in Leiden veel geleerd, maar ook verleerd... Het tijdperk, waarin onze van vroeger meegebrachte overtuigingen in den smeltkroes der kritiek geworpen zijn, is voorbij, 't Komt er nu op aan, de overtuigingen, die wij thans hebben, trouw te zijn... (24 november 1880; 75 v).

Snouck reageerde kritisch:

In den tijd van onzen dagelijkschen omgang heb ik nooit den zoo bijzonder sterken invloed van Kuenen en Scholten op u ontdekt, dan in de formeele vragen, d.w.z. ik meende dat uw verblijf te Leiden u steeds ongeschokt gelaten had op dogmatisch gebied, maar u een helderder inzicht dan vroeger had ge-

geven in de kritische bezwaren tegen de oude Schriftbeschouwing.

Hij verwachtte van Bavinck dat de praxis van een werkkring 'in uwe kerk' hem de ogen niet zou doen sluiten voor genoemde bezwaren, maar dat hij zou blijven uitzien naar en naar zijn vermogen medewerken aan de oplossing van dit probleem.

Wanneer echter iemand van uwe talenten en energie na verplaatsing uit de overwegend kritische in de overwegend dogmatische spheer zou trachten zich als het ware voor zichzelf van de zaak af te maken door te zeggen: het lijkt mij nu weer anders toe en het vroegere werkte schadelijk, dan zou ik dit een veeg teken achten (22 december 1880; 79 v).

Bavinck las de brief van Snouck 'met warme belangstelling'. Hij stond op het punt, het ambt van predikant in de Christelijke Gereformeerde Kerk te Franeker op zich te nemen. Hij zag er tegen op, maar verwachtte er toch iets eigensoortigs van.

Misschien geeft mij de omgang met de gemeente, met eenvoudige, vrome menschen, wat de studeerkamer toch niet schenken kan. Neen, het is waar, Kuenen en Scholten hebben op mij (behalve in de Schriftbeschouwing) niet veel invloed gehad, als ge daaronder verstaat het verliezen van geloofswaarheden en het aannemen van andere, van de hunne. Maar zij hebben wel (hoe kon het anders) invloed gehad op de kracht en de wijze, waarmee ik die waarheden omhels. Het naïve van het kinderlijk geloof, van het onbegrensd vertrouwen op de mij ingeprente waarheid, zie, dat ben ik kwijt...

Hij realiseerde zich dat hij dat nooit terug zou krijgen; hij was er zelfs dankbaar voor, dat te hebben verloren. Er was in het naïeve veel dat 'onwaar' was. En toch was er in dat naïeve 'iets dat goed doet; iets dat blijven moet, zal de waarheid ons ooit zoet en dierbaar wezen'. Hij hoopte in de gemeente nog mensen te ontmoeten 'die dat hebben en er zoo wel bij zijn en zoo gelukkig'. Dan wenste hij weer te geloven zoals zij, 'zoo blij en zoo vrolijk'. Maar hij wist dat dat voorbij was; zou men trachten dat weer terug te krijgen, dan zou

dat 'met waarachtigen levensernst in strijd zijn en licht tot huichelarij leiden'. Hij hoopte, nooit zijn oog te sluiten voor 'de belangrijke kritische kwestiën', al mocht kritiek nooit doel worden, maar moest zij altijd middel blijven (13 januari 1881, 81 v).

In deze brief, zo kort na de Leidse tijd geschreven, zien we Bavinck ten voeten uit: de gelovige, die dwars door alles heen met zijn geestelijk erfgoed verbonden bleef; de theoloog, die aan de kritische problematiek niet voorbij kon of wilde gaan. Nogmaals: zijn uitlatingen, ook in deze brief, wijzen niet op een diepgaande existentiële geloofscrisis; wel getuigen zij van een spanning die nooit geheel werd opgelost.

Enkele maanden later kwam Snouck op de zaak terug. Hij was niet bevredigd: wat Bavinck schreef was hem te vaag. Bavinck had geschreven dat hij het nooit verder zou brengen dan 'een globaal overzicht', maar Snouck merkte hierover op:

Ik ben volstrekt niet der meening toegedaan, dat ernstige wetenschappelijke studie een nadeeligen invloed op uwe geloofsovertuiging zou hebben; maar daarom te meer durf ik het zeggen: maak uzelf niet wijs, dat ge met algemeene frazen toe kunt en zeg niet dat uw oog niet scherp genoeg is voor een helder oordeel, want dat weet ge beter en dat moogt ge ook beter weten (Snouck aan Bavinck, 24 maart 1881, 86).

Snoucks kritiek heeft de vriendschap niet geschaad, al besefte Bavinck, zoals hij in juni 1881 vanuit Franeker schreef, dat zij steeds verder uiteengingen in geloof en belijden. De Leidse tijd was nu volstrekt verleden geworden, al bleef de herinnering levend. 'Wat zijn de tijden voor mij veranderd, als ik aan Leiden terugdenk. Toen bijna geheel vrij... thans, van alle zijden gebonden, .. .enkele oogenblikken slechts mijzelf, bijna altijd anderen behoorend'. Een enkele maal wenste hij de vervlogen studietijd wel eens terug. Maar in theologisch opzicht had de tijd in Franeker een eigen betekenis. De tijd die hij voor studie kon vrijmaken besteedde hij aan dogmatiek en ethiek. 'Historische kritiek ligt thans geheel braak bij mij'. En de afstand tot Leiden werd groter:

Eerlijk gezegd, ik word en ben steeds meer 'gereformeerd'. Menig voorbarig oordeel van vroeger spreek ik thans niet meer

uit. Ik heb meer eerbied gekregen voor het geloof en de geloofsarbeid der eeuwen, ik ben bescheidener geworden in mijn meeningen, en ben eenigszins afgedaald van 't hoogmoedig standpunt om alles te toetsen aan mijn verstand en aan mijne rede. Ik leer meer en meer inzien, wat er in het geloofsbeginsel, dat ik nooit verzaakt heb, ligt opgesloten...

‘Dat ik nooit verzaakt heb': de 'ernstige crisis', waar Bavinck in 1912 over sprak was niet zó dramatisch dat hij er, zij het ook maar tijdelijk, zijn geloof en zijn diepste overtuiging door verloor. Hij was en bleef in heel zijn geloofsleven 'gereformeerd'.

Dat wil niet zeggen, dat ik me zoo maar bij 't oude neerleg, het 'naïve' nu maar tracht te grijpen, en met holle frases me tevreden stel, och neen, maar door onderzoek, ook door onderzoek van de historie onzer Gereformeerde Kerk is mij gebleken, dat wat vroeger door mij voor holle frase gehouden werd, dit allerminst is (16 juni 1881, 88 v).

Zijn dogmatische studiën mondden uit in een vierdelige Gereformeerde dogmatiek; een monument van geleerdheid en van verbondenheid met de gereformeerde traditie. 20 Ook Scholtens Leer der Hervormde Kerk was een monument van geleerdheid, maar wetenschappelijk kon hem diens speculatieve methode niet bevredigen. De scheiding die Scholten maakte tussen de 'grondbeginselen' en de 'leerstukken' van de gereformeerde theologie leidde er toe dat hij met de eerste de laatste ' wegcritiseerde' . 21 In een latere fase van zijn leven, waarin hij werkzaam was als hoogleraar aan de Vrije Universiteit (vanaf 1902), wendde Bavincks aandacht zich naar een gebied dat hem reeds in zijn studententijd had geboeid: dat van de relatie tussen het christelijk geloof en de eigentijdse cultuur.

De Leidse invloed werkte vooral door op het gebied van de Schriftbeschouwing. Bavinck heeft de lijn van het kritisch onderzoek, waarmee hij in Leiden door het onderwijs van Kuenen werd geconfronteerd, niet verder doorgetrokken. Het technisch aspect ervan interesseerde hem ternauwernood; de achterliggende problematiek heeft hij als een onopgelost vraagstuk, soms zelfs als een bedreiging ervaren. Nog in 1888 - hij was toen al lang en breed hoogleraar in Kampen - schreef hij aan Snouck:

Soms bespeur ik in mijn eigen ziel een onuitgesproken wensch, dat de Schrift niet waar mocht zijn, dat de nieuwere kritiek gelijk hebben mocht, en daarin zie ik iets van de geheime vijandschap, die het zondig hart tegen den Heilige gevoelt, en die alleen door het geloof en het gebed overwonnen kan worden (22 december 1888, 136).

In zijn Gereformeerde dogmatiek zocht hij een uitweg in de idee van een 'organische inspiratie', die de gedachte van de goddelijke ingeving van de Schrift onverlet liet maar toch ruimte gaf voor de erkenning van de menselijke factor in de totstandkoming van de Bijbel: een correctie op de orthodoxe leer van een 'mechanische inspiratie', die in feite slechts een schijnantwoord gaf op de vragen, door het Schriftkritisch onderzoek opgeworpen. Bavinck besefte zelf 'dat de organische opvatting beslist niet het afdoende en definitieve antwoord op de vragen betekende'. 22 Voor Snouck Hurgronje was de wijze waarop Bavinck met het probleem van de Schriftkritiek omging het zwakke punt in diens beschouwingen. Na lezing van het eerste deel van Bavincks dogmatiek schreef hij dat voor hem de wijze waarop Bavinck de bezwaren tegen zijn Schriftbeschouwing opzij zette bevreemding bij hem wekte:

Mij wil het voorkomen, dat ge u daarvoor een oogenblik van de wetenschap los maakt, door van een algemeen, slechts door sommigen aanvaard beginsel uit, tallooze voor een ieder, die onderzoeken kan, blootliggende feiten althans voorloopig te ignoreeren... Zoo mag m.i. de leek redeneeren, en de godgeleerde mag het doen in eene preek, maar niet in een wetenschappelijk betoog (18 juni 1895; 146).

Hoezeer het onopgeloste probleem Bavinck bleef bezighouden blijkt uit een notitie, door hem in 1918 gemaakt in verband met een door hem te houden lezing voor de N.C.S.V. In zijn vroege tijd stond Bavinck nogal kritisch ten opzichte van Kuyper; dat blijkt ook uit de correspondentie met Snouck (vgl. 132, 135). In vele opzichten kwamen later de lijnen van Kuyper en Bavinck samen, maar kennelijk is toch onderhuids bij Bavinck een gevoel van distantie blijven bestaan:

Dr. Kuyper heeft problemen van deze tijd op zij geschoven, teruggedrongen (bijv. historische kritiek des Bijbels aan de V.U.)... Maar kwam niet vooruit, en ging niet door, greep naar 't verleden terug, maar zorgde niet voor de toekomst, werd conservatief. 23

Beluisteren wij hierin een late weerklank van de voor Bavinck zo waardevolle tijd in Leiden, waarvan de correspondentie met Snouck Hurgronje getuigt?


1. Deze bijdrage is een enigszins gewijzigde tekst van een korte lezing, gehouden op 23 maart 1999 in het Klein Auditorium van het Leidse Academiegebouw bij de aanbieding van Een Leidse vriendschap. De briefwisseling tussen Herman Bavinck en Christiaan Snouck Hurgronje 1875-1921, uitgekomen te Baarn onder redactie van J. de Bruijn en G. Harinck als deel 11 in de 'Passagereeks' van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800heden). Eerder, in 1992, verscheen het boekje Amicissime, dat 27 brieven van Snouck Hurgronje aan Bavinck bevatte (Archief- Bavinck, HDC). Dankzij het feit, dat op 1 januari 1997 het Archief-Snouck Hurgronje (UB Leiden) voor onderzoek werd opengesteld kon nu de volledige correspondentie, voor zover nog aanwezig, worden gepubliceerd. Verwijzingen naar EenVerwijzingen naar Een Leidse vriendschap nam ik met slechts de vermelding van de betreffende bladzijdennummers op in de tekst.

2. Zie voor het bovenstaande V. Hepp, Dr. Herman Bavinck, Amsterdam 1921, 31v., en (met meer bijzonderheden) R.H. Bremmer, Herman Bavinck en zijn tijdgenoten, Kampen 1966, 20v.

3. Bremmer, 31v.

4. De katholiciteit van christendom en kerk, Kampen 1888, 54.

5. Bremmer, 20.

6. Uit de inleiding op een bundel verzamelde geschriften van de vroegere Kamper docent A. Steketee, Beschouwingen van een Christen-denker (1914), gec. bij Bremmer t.a.p.

7. Zie Een Leidse vriendschap, 48 n.1.

8. Zie hiervoor Hepp, 60.

9. De ethiek van Ulrich Zwingli, Kampen 1880.

10. In zijn briefje aan Bavinck van 30 november 1879 schreef Scholten over het verband tussen Zwingli's moraal en diens 'volstrekte determinisme': Bremmer 20.

11.Hepp, 55.

12. Bremmer, 28.

13. De wetenschap der h. godgeleerdheid, Kampen 1883, 5vv.

14. Misschien deed Bavincks naam, zoals Bremmer (66) als mogelijkheid aanneemt, in het geruchtencircuit rondom de vervulling van de vacature de ronde, maar de brief van Snouck waaraan Bavinck in een brief van 29 januari 1889 refereerde bevindt zich niet in het archief-Bavinck.

15. Bremmer, 18; meer uitvoerig over Bavinck en de ethischen Bremmers dissertatie, Herman Bavinck ah dogmaticus, Kampen 1961, 65-114.

16. J.H. Gunning J.Hz., Prof. dr. J.H. Gunning, leven en werken III, Rotterdam z.j., 419.

17. Aldus W. Otterspeer, De wiekslag van hun geest, Leiden 1992, 247.

18. K.H. Roessingh, 'De theologische opleiding van den predikant', Verzamelde werken II, Arnhem 1926, 407; vgl. zijn 'De Leidse theologische faculteit 1875- 1925', eveneens in VWII, 393.

19. C. Augustijn, 'Bavinck ter Vergadering van Moderne Theologen 1912', in: C. Augustijn e.a., In gesprek met de tijd, Kampen 1980, 99 v.

20. Verschenen tussen 1895 en 1901; een tweede herziene uitgave (waarvan de latere edities onveranderde herdrukken zijn) tussen 1906 en 1911.

21. Gereformeerde dogmatiek I (4e druk), 485.

22. Aldus J. Veenhof, op grond van een zorgvuldige analyse van Bavincks uitlatingen over dit punt: Revelatie en inspiratie, Amsterdam 1968, 545.

23. G. Harinck e.a., 'Als Bavinck nu maar eens kleur bekendeAmsterdam 1994, 45 nt. 35.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 1 June 2000

DNK | 63 Pagina's

Herman Bavinck en de Theologische  Faculteit te Leiden1

Bekijk de hele uitgave van Thursday 1 June 2000

DNK | 63 Pagina's

PDF Bekijken