Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET Atheïsme

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET Atheïsme

5 minuten leestijd

VI. (SLOT.)

1. Kosmologisch bewijs.

Het eerste „bewijs" (getuigenis) voor het bestaan Gods is het zgn. kosmologisch bewijs. De stelregel is hier: Al, wat bestaat moet een oorzaak hebben. De kosmos, dat is het heelal, de wereld, is het voorwerp van beschouwing. Deze wereld doet zich aan ons voor als eindig en a f h a n k e 1 ij k. Zij wijst dus terug naar een hoger, onafhankelijk WEZEN, de LAATSTE OORZAAK van alle dingen.

Het Atheïsme kan ons het ontstaan der wereld niet verklaren. Wel spreekt het van de „eeuwige stof'', maar het stof leert ons, volgens Psalm 102: „Wat uit stof is, neemt een end, door de tijd, die alles schendt." Dus: het tijdelijke moet zijn Oorzaak hebben in het Eeuwige. Conclusie: de Oorzaak van het heelal is GOD!

2. Teleologisch bewijs.

Het tweede is het zgn. teleologisch bewijs. „Telos" betekent „doel". Er is in de wereld orde, harmonie waar te nemen. Alles wijst op een doel. De grootheid, de schoonheid, het planmatige en doelmatige van de schepping is niet uit het toeval te verklaren, maar wijst op GOD, die alles in schone orde geschapen heeft en nog door Zijn hand onderhoudt en regeert.

Darwin zegt: „Alles is vanzelf zo geworden! Dat is evolutie, de natuurlijke ontwikkeling der dingen." Maar de Atheïst vergeet, dat doel en orde vanzelf veronderstelt, iemand die dat doel gesteld heeft en ten uitvoer brengt. Alles dient immers ter ere Gods! Daarom verkondigt het uitspansel Zijner handen werk!

Daar moet dus een Schepper geweest zijn, die dat heerlijke scheppingsplan heeft uitgedacht en zo schoon heeft uitgevoerd, en de conclusie luidt: die Schepper is GOD!

3. Ontologisch bewijs.

Nu volgt het ontologisch bewijs. Ontologie is de leer van het zijnde (het Griekse: „on") Dit ontologisch bewijs beroept zich op dé redelijkheid van de mens. Immers, de mens draagt in zich om, het besef, dat er een hoogste Wezen is. Nu wil men uit het aanwezig zijn van de idee, de gedachte, het bewustzijn van een volmaakt Wezen besluiten tot het bestaan van het Wezen zelf. Men besluit dus uit het „denken'' tot het „zijn". De wijsgeer Cartesius heeft dit bewijs, dat oorspronkelijk afkomstig was van Anselmus, die in 1109 na Chr. gestorven is, nader ontwikkeld. Van deze Cartesius (plm. 1650.) is bekend de uitdrukking: „Cogito ergo sum", d.w.z. „Ik denk, dus besta ik!" (Door de wijsgeer Kant werd dit bewijs weer bestreden. Hij vroeg: „Heeft de Godsidee recht van bestaan? Bestaat het voorwerp van die gedachte? " Hij besloot: Uit de gedachte is God niet te bewijzen.)

Daar die mens in de kosmos, in de wereld begrepen is, is dit 3e bewijs weer spoedig tot het eerste te herleiden.

4. Moreel bewtfs.

Duidelijker spreekt naar onze mening het moreel bewijs, 's Mensen zedelijkheid, 's mensen geweten, voelt zich gebonden aan een wet. Waar nu een wet is, daar moet ook een Wetgever zijn. Dat is GOD! God spreekt in 's mensen zedelijk bewustzijn. (Romeinen 2 : 14, 15.) Noodzakelijker moet hier ook een Wethandhaver volgen. „Zal de Rechter der ganse aarde geen recht doen? " Eenmaal zal elk zijn loon ontvangen, doch voor de een zal het zijn „naar verdienste" en voor de ander „naar genade." „Welzalig elk, die 't recht betracht, die 't allen tijd Zijn wetten acht." (Ps. 106 : 2, berijmd.)

5. Religieus bewijs.

Het 5e bewijs noemen we het religieus bewijs, omdat het betrekking heeft op de godsdienst, de religie der

verschillende volkeren. Het is ontleend aan de overeenstemming der volken.

Er is op de gehele wereld geen volk zonder godsdienst, zonder religie. De mensheid kan er niet buiten. Zij, die de persoonlijkheid Gods loochenen, maken immers van hun stelsel en begrippen een God, zodat ook diegenen een „godsdienst" bezitten. Uit deze algemeenheid van Godsdienst blijkt, dat de mens „van Gods geslacht'' is. (Hand. 17 : 28, 29.>

6. Historisch bewijs.

Ten zesde komt er ook een sprake Gods tot ons uit de Geschiedenis der wereld. Dit is het zgn. historisch bewijs.

Geschiedenis is geen aaneenschakeling van meer of minder belangrijke feiten, maar er zit ook een bepaalde gang in. Ook dit wijst heen naar een hoger Wezen, dat alles leidt en besljuurt. Zelfs de vader van het Socialisme, Karl Marx, moest de vaste orde in het wereldgebeuren erkennen.

Vanwaar nu die orde ? ? ? De oplossing is niet te vinden in het toeval, maar wèl in de Hand GODS.

Slotbeschouwing.

Zo getuigt de schepping dus tegen het Atheïsme. Overtuigen zal het de Atheïst echter niet. Hij wil naar die stemmen Gods in de natuur, de geschiedenis en het geweten niet luisteren. Zodoende gaat hij een ontzettende toekomst tegemoet. Laten we het Atheïsme toch vooral niet onderschatten. Juist in onze tijd wordt het zo gevaarlijk.

Mochten we leren inzien, dat het Atheïsme ook ons leven bedreigt. Zowel van buiten-af, als van binnen-uit. Dat wij deze twee-hoofdige vijand dan tegemoet mochten treden in de wapenrusting Gods, waarvan Gods Woord ons de beschrijving geeft in Efeze 6 : 11 t/m 17. Niet in eigen kracht, maar onder biddend opzien tot Hem, Die gezegd heeft: Wendt u naar Mij toe; wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben GOD, en niemand meer." (Jes. 45 : 22.)

Dat God bestaat moet voor ons geen vraag zijn, want het is de hoogste waarheid. Dat wij zo dikwijls aan die waarheid twijfelen moet ons tot schuld worden, want daarin blijkt allerduidelijkst de verdorvenheid van ons hart. Het moet ons uitdrijven tot God om van Hem een nieuw hart te begeren, zodat wij uit Zijn Hand het geloof mogen ontvangen, om niet te vragen naar een bewijs, dat God werkelijk bestaat, maar om dan in het geloof uit te roepen:

„Gij zijt mijn God, U zal ik loven, Verhogen Uwe majesteit; Mijn God, niets gaat Uw roem te boven; U prijz' ik tot in eeuwigheid."

(Ps. 118 : 14, berijmd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1949

Daniel | 8 Pagina's

HET Atheïsme

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 mei 1949

Daniel | 8 Pagina's

PDF Bekijken