Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bredero zoals we hem zelden horen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Bredero zoals we hem zelden horen.

4 minuten leestijd

Bijna een halve eeuw later dan J. v. d. Noot, waarvan we de laatste keer iets gezegd hebben, werd G. A. Bredero geboren. Deze Bredero wordt in de regel in één adem genoemd met Vondel en Hooft, wanneer er gesproken wordt over de letterkundigen uit de Gouden Eeuw.

Bredero gaat in de regel door voor een man, die het zo nauw niet nam; hij leidde een leven, dat niet bepaald onbesproken was. Dit komt ook duidelijk uit in zijn letterkundig werk.

Het is de bedoeling niet, hierop in te gaan, maar wel te wijzen op de andere kant van Bredero's leven.

Bredero was plat in zijn uitdrukkingen, evenals Cats. Van zijn werken wordt gezegd, dat er juwelen in verscholen liggen, maar juwelen, die in de drek hebben gelegen. „Het is eruit gekomen, en het is een juweel gebleven."

„In zijn beste momenten de bevleugelde dichter, die boven het stoffelijke uitkomt, " wordt van hem geschreven.

Wij wrijven onze ogen uit, als we van Bredero iets tegen komen, dat niet bepaald boertig is of plat, en dan vragen we ons af, of het wel van Bredero is.

Het ernstige in Bredero's werk behoeft ons echter niet te verwonderen. In de eerste plaats genoot hij wellicht een protestants-christelijke opvoeding, en die blijft werken het hele leven door; soms lange jaren later worden de sporen daarvan gezien. Vervolgens lijdt Bredero aan een ongeneeslijke ziekte, die hem vroeg ten grave zal brengen. Hij leefde van 1585—1618, dus is hij maar eventjes in de veertig geworden. Deze ziekte bracht hem wel van zijn luchthartigheid af. In het „Aendachtigh Liedt-Boeck" horen we meestal een andere toon dan we van hem gewoon zijn. In zijn

zieke lichaam woelt de zonde. Vooral *s nachts wordt hij gekweld, zodat hij wenst, dat het maar morgen werd. Hoort hem slechts verzuchten:

Wanneer een ander leit Gestrekt en uitgespreid En rust met lijf en leden: Dan plaagt mij allermeest De kwelling van mijn geest Met beulse wredigheden. Dan dringt mij door de huid Het bange water uit Door kommerlijke zorgen, Dies mij het herte barst, En wenst alzo geparst Den ongeboren morgen.

Als het zo met hem gesteld is, dan wil hij wel zalig leven en sterven; dan zegt hij Bileam wel na: „Mijn ziele sterve de dood des oprechten en mijn uiterste zij gelijk het zijne." Dan is het:

A.1 't gene dat de liên En wens ik* niet zo zeer, Ter wereld mogen zien; Als zalig in den Heer Of immer meer verwerven, Te leven en te sterven.

Dat hij bij de dieren achter staat om tot ere van God te leven, blijkt wel uit het volgende:

O redelijke beestjes dwaas 1 ) 't Onvernuftige vee, helaas! Is veel nijver En veel stijver In den ijver tot Gods lof, Als de mens van 't beste stof.

Een gedicht, dat we helemaal niet zouden toeschrijven van Bredero te zijn, is „Aandachtig gebed", dat me onlangs onder ogen kwam. Het luidt:

O levendige God! eeuwig, goed en almachtig, Aanschouwt meelijd ijk mij droeve en neerslachtig En uitgekweelde man van sobere gestalt. Gedoogt niet dat hem nu de wanhoop overvalt, Die toch een vijand is van hemelse genade, Want zij mijn arme ziel zou eeuwiglijken schade. Ontvangt, o Heere! toch het zuiverst van mijn hert, Geeft dat mij mijne zond niet toegerekend werd. Neemt mij (die hier op aard' als vreemdeling moet zwerven) In 's Hemels Burgerij na een Godzalig sterven. Ach, dat Uw lieve Zoon, met Zijn onschuldig bloed, Voor mijn kenschuldige de Borregt-tocht voldoet. Och! ik ben uitgeteerd en ga met smart betreden De algemene weg van d' oude lang verleden. O Heer! ik kijve niet, noch hadder niet met U. Het sterven is mij lief, is 't U behaaglijk nu, Want Gij hebt mij gemaakt en moogt mij weer ontmaken, Wanneer 't U wel gevalt. O God! voor alle zaken Beveel ik U mijn ziel, O Zaligmaker goed! Ik geer geen ander vreugd, ik zoek geen ander zoet, Geen ander blijdschap, ach, noch ook geen liever lusten, Als bij de Bruidegom van mijne ziel te rusten.

INDEX.


Daarmee bedoelt hij de mensen; dieren zijn onredelijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1955

Daniel | 8 Pagina's

Bredero zoals we hem zelden horen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1955

Daniel | 8 Pagina's

PDF Bekijken