Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

OORZflAK ONVRUCHT BnnRHEID OP DE PREDIKING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

OORZflAK ONVRUCHT BnnRHEID OP DE PREDIKING

12 minuten leestijd

Allerwege is de klacht hoorbaar, dat de prediking niet die gezegende vruchten draagt, die zij droeg in vroeger tijden.

Nu was het reeds de klacht van Jesaja: „Wie heeft onze prediking geloofd en aan wie is de arm des Heeren geopenbaard? ”

Ook van de Heere Jezus staat geschreven: „En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet." Het is dus geen vreemde zaak, dat geklaagd wordt over onvruchtbaarheid op de prediking.

De diepste oorzaak hiervan moet gezocht worden in een onthouden van de kracht en zegen van de Heilige Geest.

Wij missen teveel wat zo kenmerkend was voor de apostolische tijd: „en de Heere bevestigde het Woord met tekenen en wonderen, die daarop volgden." Maar waarom wordt de zegen van de Heilige Geest ons onthouden? Hiervoor zijn verschillende oorzaken.

Oorzaken aan de zijde van de hoorders

De predikdienst wordt genoemd: de bediening der verzoening.

In die bediening buigt de door onze zonden beledigde God Zich tot de mens, die Hem beledigde en roept hem toe: „Laat u met God verzoenen." Wij zouden verwachten dat zulk een tentoonspreiding van genade en ontferming waarborg zou zijn voor een gunstig onthaal van de boodschap.

En toch wordt het Evangelie niet met blijdschap begroet en ontvangen door de mensen.

De oorzaak daarvan ligt niet in de bediening der verzoening. Gods nodiging en aanbod is welmenend en waarachtig. De oorzaak is ook niet, dat de mens er geen behoefte aan zou hebben, want hij heeft niets meer nodig dan de verzoening met God. De oorzaak moet in de boosheid en vijandschap van het hart van de gevallen mens gezocht worden. De Heere Jezus zei er van; „Gijlieden wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.”

De bediening der verzoening, die biddende van Christus' wege tot zondaren wordt gebracht, ontmoet vijandschap en afweer bij de mensen.

Wat heeft immers die bediening der verzoening op het oog?

Zij probeert mensen te bewegen om God lief te hebben, die van zichzelf God haten. Zij beweegt mensen om een Wet

lief te hebben, die hen veroordeelt en schuldig verklaart. Zij zoekt mensen die hoogmoedig zijn tot vernedering en geloof in Christus te brengen. Zij wil mensen tot Christus brengen, die in Christus geen gedaante noch heerlijkheid zien.

Is het dan wonder, dat dit werk op tegenstand stuit? De waarheid van God komt nooit in kontakt met een goed en rein hart, maar met boze en gode-vijand'ige harten.

De hoogmoed van de gevallen natuur verzet zich tegen de nederige weg van behoudenis, die het Evangelie verkondigt. Als God ons wil zaligen uit louter genade en zonder enig werk van ons, zegt de hoogmoed: zo laag wil ik niet bukken.

Het ongeloof dat voortkomt uit de boosheid en de hoogmoed van onze gevallen natuur wil tot Christus niet komen op de nederige voorwaarden van het Evangelie. Ongeloof denkt te goed over zichzelf. Het zegt: ik ben niet zo slecht en boos als God zegt. Het aanvaardt niet dat het aan de zijde van de mens geheel verloren en kwijt is.

Ongeloof denkt te kwaad over God. Het verdenkt Gods genadeboodschap en zegt dat God niet gewillig is om juist hem of haar te redden. Het durft te zeggen, dat God niet zo genadig is als Hij zegt te zijn.

Dit is een belangrijke reden voor de onvruchtbaarheid van de bediening aan de zijde van de hoorders van het Evangelie. Wij denken dat God niet in ernst is als Hij nodigt en bidt: „Laat u met God verzoenen!”

Wij gaan een konfrontatie uit de weg, want als God wèl in ernst is, blijft er maar één konklusie over, namelijk: dat ik niet wil!

En toch is het waar, dat tussen jou en Christus niets anders staat dan je onbeweende en onbeleden zonde, je afgoden die je niet wilt verlaten en je hoge hart dat niet wil buigen.

Het is echter niet het werk van een mens, maar het werk van de Heilige Geest om de mening, die een mens over zichzelf en God heeft te veranderen.

Oorzaken aan de zijde van Satan

De bediening der verzoening is volgens 2 Kor. 10 : 4: Krachtig door God tot nederwerping der sterkten." Het is een middel waardoor Christus de sterkten van Satan nederwerpt en zijn rijk afbreekt.

Nu kunnen we niet verwachten, dat de duivel dit rustig zal aanzien. Satan woedt tegen de getrouwe bediening van het Woord Gods. Hoe getrouwer en krachtiger de bediening is, hoe meer Satan er tegen te keer zal gaan.

In het algemeen is het zoals de apostel zegt in 2 Korinthe 4, dat de Satan de ogen van de mensen verblindt opdat hen de heerlijkheid van het Evangelie van Christus niet zal bestralen. Om dit te bereiken heeft de duivel pennen, tongen, invloeden en machten tot zijn beschikking.

In de kerk verandert hij zich dikwijls in een engel des lichts om de kracht van het Evangelie door dwaling weg te nemen. Hij bedient zich van dwaling, scheuring, twist en onkunde. Vooral oefent Satan zijn werk uit in de harten der hoorders. Als een sterkge wapende houdt hij de zondaar gevangen in bedrog, zelfmisleiding, zonde en wereldliefde.

Ook in de prediker zoekt de Satan de bediening der verzoening tegen te staan. Hij doet dit door werkingen van ongeloof, dwalende gedachten, bevordering van het hoogmoedig zelfvertrouwen, het binnenwerpen van goddeloze gedachten en wereldgelijkvormigheid.

Oorzaken aan de zijde van de prediker

1. Het ontbreken van een goddelijke roeping tot het werk

Arbeiden zonder roeping is arbeiden zonder een zegen. Voor velen is het hebben van een roeping tot "het werk geen vraag meer. Zij schudden meewarig het hoofd als men spreekt over een goddelijke roeping. Maar de Heere zegt: Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen. Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd" (Jer. 23 : 21).

Het kan zelfs zijn, dat iemands leer zuiver is, maar zijn roeping onzuiver. Toch zijn we dan alleen Gods boodschappers wanneer wij door Hem gezonden zijn. Dan mogen we ook verwachten dat de Heere ons gebruiken zal.

God doet wel eens met een kromme stok een rechte slag en gebruikt wel eens onbekeerde en ongeroepen predi-

kanten om een zondaar tot bekering te brengen, maar regel is dit niet.

2. Gebrek aan toewijding tot het ambt

Het predikambt vereist veel toewijding. Wanneer er één ambt is, dat de hele mens opeist, dan is het wel dit ambt. Een luiaard moet beslist nooit dit ambt begeren.

De apostel zegt tot Timotheus, hoeveel toewijding het werk van een dienaar eist in 1 Tim. 4: „Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren totdat ik kom. Verzuim de gave niet die in u is, die u gegeven is door de profetie met oplegging der handen des ouderlingschaps. Bedenk deze dingen, wees hierin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles. Heb acht op uzelven en op de leer, volhard daarin, want dat doende zult gij en uzelven behouden en die u horen.”

Hoeveel meer dan een zakelijk beroep is het predikambt. Men moet zich geheel aan het werk geven. Het is; een heilige, goddelijke roeping, die de inzet vereist van al onze tijd en gaven.

Waar dit ontbreekt en luiheid heerst is dit een oorzaak van onvruchtbaarheid; van de bediening.

3. Wereldgelijkvormigheid

Als leden van een gemeenschap hebben wij omgang met allerlei mensen in allerlei situaties. De apostel zegt: anders zouden wij uit de wereld moeten uitgaan" (1 Kor. 5 : 10). Zonder met mensen om. te gaan en ons in de wereld te begeven kunnen wij ons ambt niet uitoefenen. De dienaar leeft niet achter de kloostermuur, maar staat midden onder het volk. Maar de omgang met mensen en het staan in de wereld mag nooit worden een van de wereld worden.

Een leven waarin de wereld overheerst is niet te verenigen met het heilig ambt van dienaar van Christus. Een zuivere leer kan worden afgebroken door een onzuivere wandel.

Maar ook mag men de mensen geen lasten opleggen, die men zelf met de vinger niet aanroert. Op die manier verliest de prediking ook haar kracht.

4. Mensenvrees

De dienaar moet zich bewust zijn geen dienaar van mensen te zijn. Hij moet zoeken Hem te behagen, die hem gezonden heeft. Wij moeten niet preken naar de smaak van de mensen. Daarvoor is de bediening, een te heilig werk. Maar hoe moeilijk is het om in plaats van de eer, die van mensen komt, te zoeken de eer die van God komt. Onze natuur is zo zelfzoekend.

De Heere Jezus predikte niet met strelende woorden. Hij predikte wat de mensen nodig hadden en niet wat zij het liefst wilden horen.

Zo is het voor de dienaar nodig om Gods boodschap te prediken, zowel de Wet als het Evangelie, ja de gehele raad Gods.

Maar wat kan mensenvrees ons daarvan terughouden. We zijn dan bang om de leer van de genade in al zijn volheid te prediken en de vrijheid van de Evangelie-nodigingen te laten klinken, omdat we bang zijn dat de mensen ons zullen bestempelen als oppervlakkig en licht.

Of we zijn bevreesd om de eis tot heiligheid en onderhouding van de geboden Gods te prediken, uit vrees dat we de naam wettisch zullen ontvangen. Wat hebben de dienaren nodig verlost te worden van 's mensen overlast.

De geest van Paulus is ons nodig, die kon zeggen: Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld wordt, maar Die mij oordeelt is de Heere" (1 Kor. 4 : 3, 4).

Een prediking, die zich aanpast aan wat de mensen graag horen, kan geen vrucht hebben. Er moeten in de prediking pijlen worden afgeschoten, die door Gods Geest zondaars kunnen treffen. De drijfveer moet zijn om zielen voor Christus te winnen en niet de lof van mensen te ontvangen.

5. De afwezigheid van persoonlijke genade

Het was niet zonder oorzaak, dat de apostel aan Timotheus schreef: „Heb acht op uzelf" en daarna „en op de gemeente". Hoe vreselijk is het een dienaar te zijn en geen waar christen. Een Zaligmaker te prediken, die men zelf niet kent. Ofschoon de Heere zo iemand als middel kan gebruiken, zal hij zelf verwerpelijk worden bevonden.

In de verkondiging is het: „Wij geloven, daarom spreken wij." Een preek kan nooit goed gepreekt worden, tenzij wij hem eerst tot onszelf gepredikt hebben. De kracht van de prediking ligt voor een groot deel in het feit, dat de dienaar persoonlijke ondervinding heeft van wat hij anderen verkondigt. Johannes zegt: „Hetgeen wij dan gezien

en gehoord hebben, dat verkondigen wij u.”

Wanneer predikanten de genadige invloeden van de Heilige Geest in het hart gevoelen, helpt hen dit meer om. de boodschap aan de gewetens der mensen te brengen dan verstand en gaven. Zulk een dienaar gevoelt: duizenden zielen zijn op weg naar de eeuwigheid. De Heere Jezus heeft mij gezonden om, hen het Evangelie te verkondigen, wee mijner, indien ik hen het Evangelie niet verkondig.

Vanwege het ontbreken van deze persoonlijke betrokkenheid van wat wij anderen prediken, is de prediking dikwijls zo krachteloos en koud. Ja, als het over oorzaken van onvruchtbaarheid op de prediking gaat, zal iedere ware dienaar van God de schuld allereerst en allermeest bij zichzelf zoeken.

Aan ons adres is de beschuldiging van de theoloog A. Fuller (± 1800) gericht, die zo treffend over de prediking zegt: Wij zijn in zulk een kompromiserende manier verzonken wat betreft de behandeling van de onbekeerden, dat wij de geest verloren hebben van de eerste predikers van het Evangelie en daarom is het dat allerlei soorten van zondaren zo rustig onder de prediking neerzitten. Het was niet zo met de hoorders van Petrus en Paulus. Zij waren óf verslagen van hart óf knersten hun tanden.

Christus en Zijn apostelen hebben zonder enige schroom zondaren opgeroepen om zich te bekeren en het evangelie te geloven.

Maar wij, onze hoorders beschouwende als arm, onmachtig en verdorven, zijn er toe gekomen om dit deel van de christelijke bediening te laten vallen. Wij beschouwen dat zulke dingen buiten hun macht zijn en daarom niet tot hun plicht te behoren.

Daarom zitten de hoorders van het evangelie zo rustig in onze gemeenten neer en leven onbekeerd, doch rechtzinnig voort. Als ze hun plicht gedaan hebben, de Bijbel gelezen hebben en de middelen der genade waargenomen hebben, heeft de prediker hen niets meer te zeggen, te eisen, te beloven of te bestraffen Of het moet zijn, dat hij zo nu en dan zegt dat er iets meer vereist is tot hun zaligheid. Dit houdt echter niet in dat dit hun schuld is, want er is niets meer aan hun zijde te doen.

Zij zitten neer als mensen, die alles gedaan hebben wat van hen vereist is en op de tijd des Heeren wachten. (The Gospel Worthy, blz. 67).

Ik vrees dat dit een beschrijving is die niet alleen op de kerkgangers en de prediking uit de dagen van Fuller van toepassing is.

Wat een geest van dode lijdelijkheid en koudheid heeft zich uitgestrekt over de meeste kerkgangers.

De vrucht is verzekerd

We behoeven ons artikel niet in de mineur te beëindigen. De vrucht van de prediking is verzekerd. God heeft beloofd: „Het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen hetgeen Mij behaagt.”

Waar het evangelie gezonden wordt door God, draagt het ook altijd vrucht. Overeenkomstig Gods souvereiniteit zal een deel van het zaad tussen doornen en distelen vallen, maar ook zal een deel in goede aarde vallen en vrucht voortbrengen.

Gods doel is ver verheven boven alle aardse en duivelse machten. Het is geen onzekere zaak. Christus zal Zijn zaad zien en Zijn offer zal en kan niet zonder vruchten blijven.

Dwars door al het menselijke en gebrekkige heen vergadert de Heilige Geest door de bediening van het Woord een gemeente voor Christus die door de Vader is uitverkoren ten eeuwigen leven. De drieënig God heeft dit werk in Zijn handen genomen en niets zal het einddoel kunnen verhinderen.

De vraag voor ons is: Is het Evangelie ons een reuk des levens ten leven of een reuk des doods ten dode?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 27 November 1981

Daniel | 28 Pagina's

OORZflAK ONVRUCHT BnnRHEID OP DE PREDIKING

Bekijk de hele uitgave van Friday 27 November 1981

Daniel | 28 Pagina's

PDF Bekijken