Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Veredelingslandbouw of bio-industrie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Veredelingslandbouw of bio-industrie

10 minuten leestijd

Bio-industrie is een zeer omstreden zaak. Het wordt ook wel intensieve veehouderij genoemd of veredelingslandbouw. Uit de keus van de naam blijkt al in welk 'kamp' je staat. De agrarische wereld kiest bijvoorbeeld vaak voor de term veredelingslandbouw of dierveredeling.

In kringen van dierenbeschermers moet de term bio-industrie iets van de afschuw van deze vorm van veeteelt uitdrukken. De term intensieve veehouderij is iets neutraler, staat er wat tussenin.

Vóór-en tegenstanders van de intensieve veehouderij staan scherp tegenover elkaar. Ze bestoken elkaar met argumenten zonder naar elkaar te luisteren. Bij voorbaat is men er zeker van dat de ander overdrijft of de feiten verdraait, of ze tenminste erg eenzijdig belicht. Dat de diskussie hierdoor niet veel verder komt, is te begrijpen.

Toch liggen er heel wat problemen op dit gebied. Problemen die we zeker niet „links" mogen laten liggen. Daarom zal ik eerst proberen een weergave te geven van de kritiek die er gegeven wordt op deze manier van dieren houden.

Het welzijn van het dier

De mens mag het dier gebruiken als hulpmiddel bij zijn arbeid en als bron voor zijn voedsel. Vandaag echter maken we de gevolgen mee van allerlei grensoverschrijdingen onzerzijds. De bio-industrie is hier een pijnlijk voorbeeld van. Het landbouwhuisdier hebben we in een positie gedrongen die het buitengewoon grote aanpassingsvermogen van het dier verre te boven gaat. Het varken bijvoorbeeld weet zich werkelijk geen raad met zijn saaie, tot niets inspirerende omgeving. Het mag een half uur per etmaal eten en verder mag het 23Vi uur per etmaal liggen, rusten, en maar groeien alsjeblieft. Toch probeert het dier wat te doen: het moet wroeten, snuffelen en bijten. Maar het kan zich niet uiten op een manier waarop het deze elementaire behoeften bevredigt.

Minstens even erg is het met de kip gesteld die in een legbatterij zit. Vier a zes kippen zitten samen in een kooi van staaldraad van ± 40 x 40 cm. Ongeveer 90% van de Nederlandse eieren wordt daar geproduceerd. De produktiviteit van zo'n kip is erg hoog. In haar natuurlijk gedrag is zo'n kip ernstig belemmerd. Iedere dag weer zoekt de kip tevergeefs naar een beschutte plaats om haar ei te leggen. Ze zoekt zo'n 1 a 1 Vi uur lang, ze maakt allerlei paniekbewegeingen; ze klimt min of meer tegen de rand van de kooi op om te proberen eruit te komen. Tenslotte kruipt ze, vlak voordat het ei gelegd wordt, onder een andere kip om vlug haar ei te leggen. De volgende dag gaat het weer zo. De kip went daar nooit aan.

Vleeskalveren worden gehouden in veel te kleine ruimten waarin ze zich nauwelijks kunnen bewegen (ongeveer 60 x 160 cm). Hun behoeften aan sociaal kontakt kunnen ze niet bevredigen. Ze krijgen alleen kunstmelk te drinken waaraan zoveel mogelijk stoffen worden toegevoegd om de groei te bevorderen en ziekten te voorkomen. Ruwvoeder waaraan ze behoefte hebben om op te (her)kauwen, krijgen ze niet. Twee keer per dag krijgen ze drinken, verder hebben ze niets te doen. Bovendien hebben al deze kalveren gebrek aan ijzer, en lijden daardoor in meer of mindere mate aan bloedarmoede. Bij voldoende ijzer in het voedsel zou het vlees te rood worden. En de konsument eist „wit" kalfsvlees.

Het milieu

De intesieve veehouderij heeft zich de laatste tientallen jaren sterk uitgebreid. Ze is sterk geconcentreerd in de gebieden Overijssel/Gelderland en Noord-Brabant/Limburg. Er worden enorme hoeveelheden mest geproduceerd. Er is gebrek aan voldoende grond om de mest op te verspreiden. Transport van mest is te duur. Daardoor ontstaat er een groot overschot aan mest. Dat levert heel wat stankoverlast op. Veel erger is het dat de bodem en het oppervlaktewater ernstig vervuild worden met enorme hoeveelheden fosfaten, nitraten en kalium-zouten. Dat veroorzaakt weer een verarming van de flora en fauna van de bodem en van het water in de concentratiegebieden. Ook levert de intensieve veehouderij een bijdrage aan de „zure regen".

Minister Braks probeert dit gevaar met de nieuwe „mestnormen" duidelijk terug te dringen. Voor de intensieve veehouders zijn deze mestnormen echter een ramp.

Derde wereld

Volgens velen wordt de derde wereld slachtoffer van onze bio-industrie. Door onze enorme vleeskonsumptie gaan er grote hoeveelheden eiwitten verloren, die aan de derde wereld ten goede zouden kunnen komen.

Zonder bio-industrie zou er ruimschoots voldoende eiwit beschikbaar zijn voor de voeding van de totale wereldbevolking. Voor 1 kg vlees is minstens 10 kg plantaardig voedsel nodig. Veel van de grondstoffen voor het voer van de bioindustrie komt juist uit ontwikkelingslanden.

Is het werkelijk zo erg?

Verdedigers van de intensieve veehouderij wijzen er steeds op dat een dier dat zich niet prettig voelt, niet zo'n hoge produktie zal leveren en niet zo snel zal groeien. En dit wordt ook vaak omgekeerd: als een dier snel groeit, of veel eieren legt. zal het zich dus redelijk welbevinden.

Er zit natuurlijk wel iets in deze redenering: een ernstig ziek dier zal niet produktief zijn. We mogen echter welzijn van een dier niet gelijk stellen met afwezigheid van ziekte. De intensieve veehouderij probeert vooral om dié faktoren optimaal te maken die het dier nodig heeft om veel te produceren. Daarnaast zijn er wel degelijk zaken die met het „welzijn" van het dier te maken hebben, maar die niet in de produktiecijfers tot uiting komen: het sociaal kontakt met soortgenoten, de natuurlijke behoefte aan wroeten bij een varken, het „stofbaden" van een kip, de behoefte aan een beschutte plaats om een ei te leggen enz. Bovendien zijn er ziekten die wel degelijk voorkomen, maar waar niet zoveel aandacht aan besteed wordt. Een groot deel van de mestvarkens heeft bijvoorbeeld beengebreken en kan amper lopen. Maar als het dier vanuit het hok toch nog in het slachthuis kan komen, wordt dit niet vaak als een probleem gezien. En zo zouden we ook de bloedarmoede bij veel kalveren kunnen noemen.

Het is dus duidelijk, dat er bepaalde facetten van het welzijn van het dier te weinig aandacht krijgen. Hoewel we ook zo reëel moeten zijn toe te geven dat er heel wat facetten van het dierenleven zijn, waarin deze dieren het veel beter hebben dan hun soortgenoten enkele tientallen jaren geleden.

Een vraag blijft nog wel: wat is welzijn van een dier? Een eenvoudige definitie van de belangrijkste onderzoeker op dit gebied (Van Putten) is: „Welzijn is de toestand

waarbij het dier in harmonie leeft met de omgeving."

Van Putten voegt er aan toe: „Er kan sprake zijn van meer of mindere mate van harmonie. Als de omgeving voor het dier maar niet zo extreem is dat het dier niet meer in staat is zich zo aan te passen, dat er een toestand van harmonie bereikt kan worden."

Er zijn dus in de intensieve veehouderij duidelijk situaties waarbij de grenzen van welzijn van het dier zijn overschreden.

Hoe is het zover gekomen?

Het agrarisch bedrijf was vroeger gebonden aan voldoende beschikbare landbouwgrond. Vaak is dat nu nog zo. Naast grondgebonden aktiviteiten kwamen er in de loop der jaren steeds meer nevenaktiviteiten op die niet zo direkt aan een bepaalde hoeveelheid grond gebonden waren. Het gaat dan met name over het houden in hokken van kippen, varkens en kalveren. Kenmerkend is ook dat deze dieren nauwelijks voedsel nuttigen dat van het bedrijf zelf afkomstig is. Deze nevenaktiviteiten zijn op veel bedrijven uitgegroeid tot hoofdbron van inkomsten.

De bedrijven gingen zich steeds meer specialiseren op één bepaalde diersoort. Sterke mechanisatie deed het aantal dieren per arbeidskracht en per bedrijf snel toenemen. Door wetenschappelijke fokprogramma's werd de erfelijke aanleg van de dieren sterk verbeterd. In zo'n bedrijf moest ook veel kapitaal geïnvesteerd worden. De aantallen dieren per bedrijf liepen snel op tot enkele honderden varkens of kalveren en enkele duizenden kippen per bedrijf.

De intensieve veehouderij werd door dit alles een belangrijke tak van export.

Tussen de 60 en 90% van de produkten wordt geëxporteerd. De internationale konkurrentie is hevig. Vandaar dat er alles aan gedaan wordt om de produktiekosten zo laag mogelijk te houden. Veel intensieve veehouders hebben grote moeite om een redelijk inkomen te verwerven. De overheid is daarom ook uiterst behoedzaam om dwingend veranderingen voor te schrijven in de huisvestingssystemen voor de dieren. Elke verandering die kostprijsverhogend werkt, heeft direkt grote invloed op de internationale konkurrentiepositie.

Hoewel de individuele boer best wat minder dieren zou willen houden en de dieren wat meer aandacht, verzorging en levensruimte zou willen geven, worden hem door de ekonomie de duimschroeven aangedraaid. Van de keiharde strijd om het bestaan van de boer is het dier de dupe geworden.

Veranderingen

De Nederlandse overheid probeert door middel van wetgeving wel iets te doen aan de verbetering van het welzijn van de dieren. Het gaat echter langzaam en voorzichtig. Het is nodig om in EGverband maatregelen te nemen om oneerlijke konkurrentie te voorkomen. Er ontstaan de laatste jaren wel enkele alternatieve vormen van huisvesting waarmee wordt geëxperimenteerd om na te gaan of ze ook ekonomisch haalbaar zijn. Het bekendste voorbeeld is het houden van kippen op stro in een vrij grote ruimte. Scharreleieren worden zo geproduceerd. Bij het houden van varkens komen ook langzamerhand wat boeren die de varkens weer stro in het hok verstrekken. De behoefte aan wroeten en kauwen wordt zo bevredigd, terwijl het varken er ook graag in ligt. Het grote probleem is dat dit extra arbeid van de boer kost: het hok moet worden uitgemest. Ook moet het stro natuurlijk betaald worden. Bij kalveren worden proeven genomen om ze in groepen te huisvesten. Soms krijgen ze ook wat geperste strobrokjes. Huisvesting van kalveren in hokken met stro kost ongeveer ƒ 70, - extra per kalf. Dit bedrag is groter dan de winstmarge die de boer meestal heeft per kalf.

Aarzelend komen er wat veranderingen op gang.

We zijn nog lang niet zo ver dat het dier niet meer te lijden heeft van de heerszucht van de mens. Het is de vraag of we zover zullen komen.

Bijbelse dierethiek?

Eigenlijk weten we het wel: op deze door de zonde vervloekte aarde zal het dier lijden, zoals de hele schepping lijdt onder de gevolgen van de menselijke zonde. De Bijbel leert ons dat om önzentwil de aarde vervloekt is.

Door de zonde is de relatie tussen God en mens en die tussen mens en medemens verstoord. Maar ook dc relatie tussen de mens en de natuur, dus ook die tussen mens en dier, is verstoord.

Als een rentmeester heeft God ons op deze aarde gesteld. Om die te bouwen en te bewaren. We mogen de schepselen gebruiken tot ons nut, met name ook als voedsel. Maar het blijven wel onze médeschepselen. We moeten niet alleen dieren houden, maar ze ook hóeden, behoeden voor allerlei gevolgen van de zonde. Vanwege onze zonde hebben ziekte, vijandschap en lijden de intrede gedaan in de wereld van de dieren.

In de Bijbel komt meermalen Gods zorg voor de dierenwereld tot uitdrukking. God heeft ook met de dieren een verbond gesloten (Gen. 9). Ook in de Mozaïsche wetten is het opvallend hoe Gods zorg ook over de dieren gaat. Door onze zonde hebben wij, ontrouwe rentmeesters, veel leed in de dierenwereld teweeggebracht.

Daardoor zucht het ganse schepsel als in barensnood. En als met opgestoken hoofde ziet het uit naar de verlossing (Rom. 8).

De Heere behoudt mensen en beesten (Ps. 36). En eens zal Hij geven dat de dieren volledig in harmonie met elkaar en met de omgeving zullen leven (Jes. 11).

Zouden wij ons er dan niet voor moeten inzetten om het leed dat dieren om önzentwil lijden te verzachten? Een rechtvaardige kent toch het leven van zijn beest (Spr. 8)?

In de konkrete situatie van de bio-industrie zal dit heel moeilijk zijn. Het zal in zo'n praktische zaak vaak neerkomen op een kompromis. Een kompromis waaraan een boer, die zijn dieren ziet als medeschepselen, pijn zal lijden. En soms zal hij in gewetensnood komen.

Misschien is die gewetensnood voor hem wel te groot om door te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1986

Daniel | 32 Pagina's

Veredelingslandbouw of bio-industrie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1986

Daniel | 32 Pagina's

PDF Bekijken