Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De bevindelijk gereformeerden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De bevindelijk gereformeerden

33 minuten leestijd Arcering uitzetten

Waar hebben we het over en over wie spreken we, warmeer we in dit hoofdstuk aandacht vragen voor de bevindelijk gereformeerden en de situatie waarin ze verkeren rond de overgang van het tweede naar het derde millennium na Christus' geboorte? Wat zijn het voor mensen die - zoals de term dat zegt - op een bevindelijke manier gereformeerd zijn? Die vraag klinkt buiten de kring waarin ze zich bevinden. De wereld om hen heen kan zich er meestal niets bij voorstellen en moet geholpen worden met min of meer denigrerende termen als 'zware gereformeerden' of'zwarte-kousen-kerken', met streekaanduidingen als 'de bible belt', de Veluwe en Zeeland, of met plaatsnamen als Staphorst, Urk, Genemuiden, plaatsen waarover dan allerlei indianenverhalen rondgaan en waar de vaderlandse sensatiepers zich heen spoedt wanneer er iets aan de hand is dat leesvoer oplevert voor het publiek. Maar ook binnen en rond de kring van de bevindelijk gereformeerden wordt er verschillend aangekeken tegen de term als zodanig en worden er verschillende antwoorden gegeven op de vraag wie er tot deze kring behoren en waaraan ze te herkennen zijn. Kortom, de uitdrukking 'bevindelijk gereformeerden' en dus ook de titel van dit hoofdstuk roepen een aantal vragen op, die beantwoord moeten worden, willen we te weten komen waarover we precies spreken.

Vragen

Hoewel de term 'bevindelijk gereformeerden' al langer bestond, is hij als aanduiding van een bepaalde bevolkingsgroep toch veel meer ingeburgerd sinds - ik mag ook wel zeggen: door - de verschijning van het proefschrift Bewaar het pand van dr. C.S.L. Janse, waarop hij in 1985 promoveerde, en dat als ondertitel heeft: De spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden. Onmiddellijk na de verschijning van dit werk, waarvoor inhoudelijk grote waardering bestond, werden er kritische vragen gesteld bij en bezwaren gemaakt tegen de term 'bevindelijk gereformeerd' en de wijze waarop die uitdrukking werd ingevuld. En al is de term inmiddels ingeburgerd, ook al omdat er niet zo gemakkelijk een betere te vinden is, en al weten we wel ongeveer wat ermee wordt bedoeld, toch zijn de vragen gebleven. Kun je een term als 'bevindelijk', die hoort bij het leven dat de Heilige Geest werkt wanneer Hij een zondaar wederbaart en in de weg van bekering en geloof doet delen in al de schatten en weldaden van Christus, gebruiken in een sociologische aanduiding van een bevolkingsgroep? Is een gemeente bevindelijk wanneer die gemeente voldoet aan een aantal uiterlijke kenmerken, zoals die genoemd worden in Janse's proefschrift? Is een dominee bevindelijk wanneer hij voldoet aan bepaalde uiterlijke kenmerken en is een preek bevindelijk, wanneer hij gehouden wordt door zo'n predikant? Is iemand bevindelijk wanneer hij kerkt in een gemeente die een bevindelijke prediking begeert? Janse is uiteraard de eerste om te zeggen dat niet alles in de geestelijke zin van het woord bevindelijk is wat sociologisch als bevindelijk wordt aangeduid. Maar roept de term geen misverstanden op en heeft hij niet geleid tot een uitholling van het begrip 'bevinding', met alle verwarring die dat juist voor jongeren meebrengt? Vooral wanneer ze de echte bevinding pijnlijk missen bij bevindelijk gereformeerden en soms verrassend menen te ontdekken bij mensen die niet of niet helemaal tot de kring behoren? Juist wanneer we deze uitdrukking gebruiken als een sociologische aanduiding, is het dringend noodzakelijk tegelijkertijd een duidelijk antwoord te geven op de vraag: wat is bevinding?

Hetzelfde geldt ten diepste ook voor de aanduiding 'gereformeerd'. De term 'bevindelijk gereformeerden' wordt gebruikt ter onderscheiding van anderen, die wel gereformeerd maar niet bevindelijk zouden zijn. De vraag is: kan dat wel? Is 'bevindelijk' iets dat bij het gereformeerde komt, of is gereformeerd ten diepste bevindelijk? Er wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt met de orthodox-gereformeerde bevolkingsgroep, waartoe dan vooral de leden van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt worden gerekend. Maar is op de keper beschouwd een bijbelse orthodoxie mogelijk zonder bevinding? Zijn die twee los van elkaar verkrijgbaar? Uiteraard begrijp ik wel ongeveer wat de bedoeling achter deze onderscheiding is, maar is het niet nodig - en weer zeg ik: vooral met het oog op onze jongeren anno 2000 - deze zaken weer helder te krijgen? Is orthodoxie mogelijk zonder bevinding en omgekeerd?
Zo zijn er ook vragen te stellen ten aanzien van de aanduiding 'gereformeerd'. Bevindelijk gereformeerden worden onderscheiden van modem gereformeerden. Ik begrijp wel wie daarmee worden aangeduid. Maar de vraag laat zich stellen: warmeer is iemand gereformeerd? Als hij zichzelf zo noemt, als hij lid is van een kerk die zich gereformeerd noemt? Ben je nog gereformeerd, wanneer je niet meer gelooft dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God is, wanneer je de Dordtse Leerregels niet meer volledig onderschrijft, wanneer je de algemene verzoening leert, om maar een enkel ding te noemen? Hoort bevinding niet bij het echt gereformeerd zijn en is echte bevinding niet gereformeerd omdat het anders geen Schriftuurlijke bevinding is? Kortom, vragen te over.

Wat is bevinding?

Allereerst geven we aandacht aan een paar woorden die wel als synoniemen voor bevinding worden aangeduid. Is bevinding hetzelfde als ERVARING? Nee. Bevinding brengt wel ervaring met zich mee: geloofservaring. Maar het zijn geen synoniemen. Terwijl bevinding, zoals we nog zullen zien, werk van de Heilige Geest is, speelt in de ervaring de mens zelf een grote rol. De Geest geeft bevinding, de mens ervaart. Hoe gevaarlijk ervaring op zichzelf kan zijn, heeft de negentiende-eeuwse theologie van Schleiermacher bewezen, waarin de ervaring ging heersen over de openbaring van God. Daarom is het van harte te hopen dat de roep om een wettige plaats voor de ervaring in de prediking, zoals die in onze tijd in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt klinkt, ertoe mag leiden dat men terugkomt van zijn afwijzen van de Nadere Reformatie en de wijze waarop door velen van haar vertegenwoordigers bevindelijk gepreekt werd en dat men daar in de leer gaat, als het gaat om bevindelijk preken. Gereformeerden die orthodox willen zijn en blijven, kunnen daar hun winst mee doen. Wie op dit punt een eigen weg wil gaan met voorbijgaan aan de schatten van het verleden, loopt het grote gevaar bij een soort ervaringstheologie uit te komen, die schadelijk is voor het gereformeerd zijn. Er zijn symptomen die daarop wijzen.
Overigens staan er ook in de kring van de bevindelijk gereformeerden op dit punt bakens in zee. Denk slechts aan de uitdrukking: 'Het staat niet in de Schrift, maar de ervaring van Gods volk leert het'. Ervaring wordt dan een norm boven en buiten de Heilige Schrift en het is gevaarlijk wanneer het geestelijk leven van anderen naar die norm wordt beoordeeld.

Hetzelfde kan van het GEVOEL gezegd worden. Bevinding brengt gevoel met zich mee. Denk slechts aan een Psalmregel als: 'Ik gevoel de grootheid van mijn kwaad' (Psalm 51 ber.). En let er maar eens op hoe vaak de Dordtse Leerregels spreken van het gevoel. Maar gevoel is niet een synoniem voor bevinding. Ook het gevoel is een stukje van ons mens-zijn, dat door de zonde is aangetast en dat daardoor gestoord is. Ons gevoel kan ons bedriegen. Bij het tijdgeloof speelt juist het gevoel zo'n belangrijke en bedrieglijke rol. Een mens kan zich in zijn doodsstaat heel gelukkig voelen, maar hij is het niet. En walmeer de Heilige Geest een mens wederbaart, voelt hij zich ongelukkig omdat hij zichzelf leert kennen, maar hij is juist gelukkig omdat de Heere bezig is hem zaligmakend te bearbeiden. Er is geen bevinding zonder gevoel, maar er is wel gevoel zonder bevinding.

Ook MYSTIEK wordt wel eens aangeduid als een synoniem voor bevinding. Maar ook hier is geen is-gelijk-teken te plaatsen. Bevinding heeft mystieke trekken. In de middeleeuwse bruidsmystiek van iemand als Bernard van Clairvaux zitten elementen die een reformatorische gelovige aanspreken. In de Reformatie werd een uitdrukking als de 'unio mystica' van de gelovige met Christus onbevangen gebruikt. Maar terwijl in de bevinding de Heilige Geest vanuit Christus werkt in de gelovige, dus van Boven naar beneden, is in de mystiek een mens bezig heen te werken naar de gemeenschap met Christus, dus een soort opklimmen van de ziel naar Christus. In de mystiek hebben mensen soms de Bijbel niet meer nodig. Uit die kringen stamt de uitdrukking, dat de Bijbel slechts een bij-bel is, waarbij de echte bel moet klinken in je hart. In de bevinding is en blijft het Woord de bron en de norm.

Het wordt hoog tijd voor een antwoord op de vraag wat we dan wel onder bevinding moeten verstaan. Luisterend naar Gods Woord komen we in de Statenvertaling een aantal malen vormen van het werkwoord 'bevinden' tegen. Ik geef als voorbeeld Psalm 46:2, waar de dichter van de Heere zegt: 'Hij is krachtig bevonden een Hulp in benauwdheden'. Als zelfstandig naamwoord komen we het woord 'bevinding' alleen tegen in Rom. 5:4, waar we lezen dat de lijdzaamheid bevinding werkt. De vertaling van het NBG heeft daar overigens het woord 'beproefdheid'. In beide gevallen zit er in het woord iets van wat Calvijn zegt: een gelovige, die zekerder dan zeker vaststelt dat Gods Woord waar is. Dat is gebleken in de praktijk, toen de proef op de som werd genomen. Bevinding is dan dat in de praktijk van het geloofsleven bevestigd wordt dat de Heere waarachtig is en dat Zijn Woord door en door betrouwbaar is. We zouden het kunnen vergelijken met ijs. IJs van een nacht is wel echt ijs, maar je kunt er niet op staan, je zakt erdoorheen. Als het een week lang hard gevroren heeft, dan is het betrouwbaar. Het bewijst zijn betrouwbaarheid en wie er op gaat staan, zakt er niet door. Zo is het hier ook. Zo'n mens heeft er bevindelijke kennis van gekregen datje met de Heere van het Woord en met het Woord van de Heere niet bedrogen uitkomt. Dat is het eerste dat we goed moeten onthouden bij het woord 'bevinding'. Maar er is meer van te zeggen.

Wanneer we zoeken naar een definitie van het woord 'bevinding', vinden we een neutrale in Van Dales Woordenboek: bevinding is de gewaarwording in het gemoed van de gemeenschap met God. Deze definitie laat zien hoe onmogelijk het in feite is dit woord te gebruiken voor een sociologische aanduiding. Hier wordt immers gesproken van dat wat het grootste, hoogste en rijkste is voor de gelovige: herstel van de door de zonde verbroken gemeenschap met God. In de Christelijke Encyclopedie (Kok, Kampen, tweede druk) zegt prof. dr. K. Dijk: 'De bevinding ligt op het terrein van de innerlijke reacties, die de Geest werkt, wanneer Hij ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt.'
Prof. L.H. van der Meiden, tijdens zijn leven jarenlang hoogleraar aan de Theologische School van de Christelijke Gereformeerde Kerken, heeft een boekje over bevinding geschreven, waarin hij een aantal elkaar aanvullende definities over bevinding geeft. Hij schrijft o.a.: bevinding is dat wat de ziel ondervindt als de Geest werkt in het hart, de liefde van Christus het hart vervult, de verzoening met God genoten wordt, maar ook: wat gelovigen missen en lijden in duisternis en twijfel en doormaken in verachtering der genade en bestrijding, naar de Schrift. Zonder ook maar een poging te doen om volledig te zijn, laat ik ook een stem uit de Gereformeerde Gemeenten horen, namelijk van ds. A. Moerkerken, die bevinding typeert als: het geheel aan geestelijke ervaringen, die Gods kinderen ondervinden waimeer de Heilige Geest de weldaden van Christus komt toepassen (in Mystiek en bevinding).

Als er één ding duidelijk wordt uit de verschillende omschrijvingen, dan wel dit: bevinding is werk van de Heilige Geest. Dat is het beslissende punt. Daar vloeit het een en ander uit voort. Bevinding heeft dan alles te maken met het Woord (Van der Meiden noemt dat uitdrukkelijk: 'naar de Schrift'). Het Woord is immers het middel waarvan de Heilige Geest gebruik maakt. En waar de Geest werkt en in al de waarheid leidt, daar verheerlijkt Hij Christus (Joh. 16:14). Hij werkt van Christus uit en naar Christus toe en leert zo God kennen als de Vader van Christus, Die een zondaar in die weg leert kennen en belijden als: Abba, Vader, Gij zijt mijn Vader en mijn God (Rom. 8:14-17). Van bevinding is dus sprake waar de Heilige Geest een zondaar wederbaart, door de prediking van het Woord het geloof in zijn hart werkt en versterkt, en hem brengt in de gemeenschap met God en Zijn Christus. Het is duidelijk dat de hele mens daarbij betrokken is: het hart dat vernieuwd, het verstand dat verlicht, de wil die omgebogen, het gevoel dat gezuiverd en de wandel die geheiligd wordt.

Dat bevindelijke behoeft niet aan Gods Woord toegevoegd te worden. Gods Woord is bevindelijk. Met slechts één voorbeeld kan ik dat al duidelijk maken. Denk aan het werkwoord 'kennen'. In het Oude Testament komen we het dikwijls tegen, of het nu gaat om de Heere, Die ons kent of de belofte dat Gods volk Hem zal kennen en Zijn wegen. In het Nieuwe Testament zegt Christus in Johannes 17: 'Dit is het eeuwige leven dat zij U kennen'. Wat is dat 'kennen'? Kunnen we dat puur verstandelijk invullen? Let erop dat ditzelfde werkwoord gebruikt wordt voor de meest-intieme liefdesgemeenschap tussen man en vrouw in het huwelijk. Als vrucht van het feit dat Adam Eva kende, werd ze zwanger en baarde ze een zoon. Het is een bevindelijk kennen in een totale relatie van liefde en vertrouwen. Die relatie brengt bevinding mee. Dat komt er niet bij, maar dat hoort erbij. Dat ligt in dit werkwoord opgesloten.
Hetzelfde kan gezegd worden van de gereformeerde belijdenis. Dat is geen verstandelijk document, waar wij het bevindelijke aan moeten hechten. Het is door en door bevindelijke taal, belijdenis van een beleefd geloof. Ook hier geef ik weer een voorbeeld. Ik denk aan artikel 24 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waar gesproken wordt van het ware geloof dat Christus omhelst. Daar zit niets verstandelijks of afstandelijks in. Het is geloofstaal en dus bevindelijke taal. Zo doet de Heilige Geest: wanneer Hij in onze harten het ware geloof ontsteekt, brengt Hij ons tot de omhelzing van Christus.

Waar de Geest door en met het Woord werkt, daar doet dat Woord dus wat, daar brengt het bevinding mee. Hij werkt van Christus uit. Zo zegt Petrus het op de Pinksterdag in Jeruzalem: 'Deze, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, heeft dit uitgestort wat gij ziet en hoort.' Dat betekent echter niet dat bevinding begint met Christuskennis. Op Pinksteren ontstaat er diepe verslagenheid in het hart, omdat mensen zichzelf leren kennen voor God. En de Geest werkt op Christus aan, maar dat betekent niet dat zijn werk eindigt waar een zondaar Christus leert kennen. Het gaat er immers om dat zondaren terug worden gebracht in het Vaderhuis en aan het Vaderhart van God. We kunnen in dit verband spreken over een toeleidende weg, wanneer de Geest, waar Hij het geloof gaat werken, de bodem van ons hart rijp maakt voor het zaad van het Woord, ontvankelijk voor het Evangelie. Dat is geen voorwaarde waar wij aan moeten voldoen; het is de weg waarin de Geest werkt. Luister maar naar de prediking van Johannes de Doper: bereid de weg des Heeren; bekeert u. En dan: Zie het Lam Gods.
U vindt het allemaal zo evenwichtig verwoord in het bekende lied van Robert Murray Mc'Cheyne: eerst een vreemdeling van God en mijn hart. Dan de ontdekking aan zichzelf: Toen vluchtte ik tot Jezus. En eindelijk de bevrijdende jubel: Nu ken ik de waarheid zo diep als gewis. Daarbij is er een grote variatie, teken van de veelkleurige wijsheid van God, Die in ieders leven ingaat op een wijze die Hem behaagt en Die Hij in Zijn wijsheid goed acht voor die mens. Maar het is altijd Geesteswerk en dus Geestelijk, d.w.z. door en door bevindelijk, of we nu lezen van Henoch of van Noach, van Abraham of van Jakob, van Petrus of van Thomas, van Paulus of van Timotheüs. Het is bevindelijke taal wanneer de Emmaüsgangers zeggen: Was ons hart niet brandende in ons?; maar ook als Petrus belijdt: Heere, tot Wie zouden wij heengaan? In de Psalmen bezingt Asaf hoe de Heere hem bracht tot de belijdenis: Ik was een groot beest bij; en in diezelfde Psalmen horen we de bevindelijke taal van de Korachiet, die roept: Mijn Steemots, waarom vergeet Gij mij? Wie hier verstandelijk redeneert of concludeert, doet aan het Woord zelf tekort.

Het is dan ook geen wonder dat de gereformeerde belijdenis, die het Woord naspreekt en samenvat, ook door en door bevindelijk is. De voorbeelden zijn voor het oprapen. In de Heidelbergse Catechismus kunnen we verwijzen naar de persoonlijke toonzetting, die het hele leerboek typeert. Wie hier letterlijk leerredes houdt, doet aan dit troostboek van de kerk schromelijk te kort. Wie hier in onze tijd niet meer mee uit de voeten kan, verraadt, naar te vrezen is, gebrek aan geestelijke kennis van geestelijke zaken. Neem alleen zondag 16 eens. Enerzijds de vraag: 'Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?' In zo'n vraag horen we het door de Geest gewerkte geloof, dat enerzijds verwonderd is over een kruimeltje genade, en dat tegelijk hebberig van aard is, omdat het zoveel ontdekt in Christus en Zijn werk en verstaat dat het Zijn lust is om armen rijk te maken en hongerigen te verzadigen. En in diezelfde zondag spreekt datzelfde geloof van diepste aanvechtingen.
Wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis betreft, behoef ik slechts te verwijzen naar het door en door bevindelijke spreken over de enige Voorbidder ('Niemand die ons liever heeft dan Hij'), artikel 26. Onze Dordtse Leerregels geven heel veel geestelijk onderwijs. Ook hier een voorbeeld, uit het prachtige pastorale vijfde hoofdstuk. Hoe bevindelijk spreken de kerken, in synode bijeen, als we daar lezen dat de verberging van Gods aangezicht bitterder is dan de dood, terwijl de aanschouwing van het verzoende aangezicht van God zoeter is dan het leven!

Waar de Heilige Geest bevinding geeft, daar gaat het Woord leven, daar ontmoet een zondaar de levende God en hoort hij Zijn stem, daar wordt een mensenkind gebracht tot Christus en tot het geloof in en het leven uit Hem. Daar wordt droefheid naar God over de zonde geboren en daar leert een zondaar vluchten tot Christus. Daar leert hij de hartelijke vreugde in God door Christus en het hartelijke verlangen om te wandelen voor Gods aangezicht. Daar leert hij de blijvende strijd tegen de zonde en het vlees kennen en de worsteling om het nieuwe leven. Een bevindelijk christen is een geestelijk mens, die door de Geest onderwezen in het Woord verstand heeft gekregen van God en Goddelijke zaken. En of dat nu in beginsel het geval is of dat er van een gevorderd en geoefend leven mag worden gesproken, het was het Woord waardoor de Geest hen levendmaakte en het blijft hun ootmoedige gebed: 'Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast'.

Bevindelijke prediking

Uit het bovenstaande vloeit voort dat de prediking als ambtelijke bediening van het Woord in het midden van de gemeente - uiteraard - bevindelijke prediking dient te zijn. Ik versta daaronder een prediking waarin het Woord als Woord van de Geest aan de orde komt, waarin de gereformeerde confessie in al haar facetten resoneert en waarin de dienaar van het Woord Geestelijke leiding zoekt te geven, d.w.z. dat hij laat zien en verkondigt hoe de Heilige Geest met dat Woord ingaat in het hart en leven van zondaren. Om deze prediking aan te duiden is ook wel de term Schriftuurlijk-confessionele prediking gebruikt.
De dienaar van het Woord die zich tot deze gewichtige arbeid geroepen weet, dient daartoe allereerst grondig en eerbiedig en vooral biddend te luisteren naar wat de Geest in dat Woord dat hij zoekt te bedienen, tot de gemeente zegt. Hoe kan hij anders de stem van God zijn? Het gaat er immers om dat de gemeente - zoals in het bevestigingsformulier voor de dienaren van het Woord staat - zal bedenken 'dat God Zelf door zijn mond tot u spreekt'. Het gezagvolle 'Zo zegt de Heere!' dient altijd te worden voorafgegaan door het ootmoedige 'Spreek Heere, Uw knecht hoort!' De dienaar is 'his Masters voice', een horige slaaf, die gewillig gemaakt is en begerig is geworden om de woorden van zijn Meester te spreken. Alleen dat Woord is immers levend en krachtig en alleen van dat Woord geldt dat het zal doen wat de Heere behaagt.
Tegelijkertijd is het noodzakelijk dat de dienaar van het Woord de gemeente kent, dat hij weet wat er leeft en huist in het hart van een mens, d.w.z. dat hij dus allereerst ook zichzelf heeft leren kennen. De kracht van meerdere predikers van de Nadere Reformatie lag mede daarin dat ze verstonden wat er diep in de harten van de hoorders leefde. Mensen voelden - en voelen - zich ontdekt, herkend, aangesproken door het Woord zoals deze geestelijke herders dat brachten met de pastorale bedoeling om zondaren te leiden tot en te houden bij de grote Herder der schapen en hen te bedienen uit de volheid van Zijn schatten en gaven.

Geestelijke - of zo u wilt bevindelijke - prediking is, gegeven het bovenstaande, altijd onderscheidende prediking. Terwijl men vroeger sprak over staten en standen in het geloofsleven, waarmee de prediker rekening moest houden, zeggen we vandaag soms dat het Woord moet landen bij de hoorder. Inhoudelijk wordt daarmee hetzelfde bedoeld. De hoorder moet - al weer zo'n sprekende uitdrukking - zijn naam horen noemen, zoals dat het geval was met de hoorders op de Pinksterdag in Jeruzalem, toen Petrus sprak van Jezus, 'Die gij gekruisigd hebt'. Daarmee zette hij Jezus midden in hun leven neer en ontdekte hij hen aan hun vijandschap tegen God. Als wij zeggen dat bevindelijke prediking onderscheidend is, denken we dus niet alleen aan het onderscheid tussen bekeerden en onbekeerden in de kerk - of zoals Christus ze zelf in de gelijkenissen aanduidt: wijzen en dwazen -, maar ook binnen die beide groepen is er weer een gevarieerdheid. Zonder dat de prediking zondag aan zondag uitmondt in een opsomming van al die verschillende geestelijke situaties en zonder dat de prediking blijft steken in het 'classificeren' van de verschillende groepen, is het toch nodig dat de dienaar van het Woord van die verschillen en verscheidenheid weet en vanuit de tekst geestelijke leiding zoekt te geven. Wat is het een zegen voor dienaar en gemeente, als er een kerkenraad is die waakt tegen een eenzijdige tekstkeuze en erop toeziet dat er voedsel is voor de hele kudde.
Waar zo de Schriften opengaan, zal er een Schriftuurlijk evenwicht gevonden worden tussen de verkondiging van de Vader en Zijn werk, de Zoon en Zijn werk en de Geest en Zijn werk. De verwerving van het heil door het bloed van Christus zal een plaats hebben naast de bediening van het heil door de Geest van Christus. De drie stukken: ellende, verlossing en dankbaarheid, komen aan de orde. We horen dan van een arme zondaar en een rijke Christus en hoe die twee tot elkaar komen. Schijn en wezen dienen onderscheiden te worden zoals bijvoorbeeld in de gelijkenis van de Zaaier zo prachtig gebeurt. Allerlei aspecten van het geloofsleven komen aan de orde, zoals bijvoorbeeld de Psalmen daarvan spreken, het boek dat wel 'de binnenkamer van het Oude Testament' wordt genoemd, waarin men 'de gelovigen in het hart ziet'. En zo zou er nog meer genoemd kunnen worden, maar dat gaat het bestek van dit artikel te boven.
Duidelijk is dat niet alles in één preek aan de orde behoeft te komen. Beslissend is wat de tekst die bepreekt wordt te zeggen heeft. Dat geldt niet alleen de verklaring, maar ook de toepassing. Noodzakelijk is daarom voor de dienaar dat hij bij de voorbereiding van de prediking ook de vraag stelt waar de tekst waaruit hij het Woord begeert te bedienen, geestelijk staat.

Moet er bevindelijk gepreekt worden? Die vraag is eigenlijk al beantwoord. Dat bevestigende antwoord krijgt echter nog meer kracht als we erop letten hoe er in de Schrift zelf en ook hoe er in de loop van de geschiedenis gepreekt is. Om te beginnen wijs ik op de Heere Jezus Zelf, de grote Leraar. Luister eens hoe Hij spreekt tot Nicodemus (Joh. 3), de Samarhaanse (Joh. 4), de blindgeborene (Joh. 9), de Farizeeën. Wat een ontdekkende, persoonlijke, geestelijk leidinggevende prediking! Denk aan de gelijkenissen en let er eens op hoe de hoorders zichzelf herkenden, ook wanneer ze zich ergerden.
In het Oude Testament zien we hoe de profeten in hun prediking geadresseerde geestelijke leiding gaven. In het Nieuwe Testament ontdekken we hetzelfde in de prediking van de apostelen. Ze verkondigen het heil in Christus de Gekruisigde en hoe een zondaar aan dat heil deel krijgt. Ze wijzen aan wat daarvoor uit de weg moet, ontdekkend aan de noodzaak van de Borg en Zaligmaker, leidend tot bekering en het geloof in Hem. Kortom, zoals Paulus het samenvat bij zijn afscheid van de ouderlingen van Efeze: al de raad Gods, zonder iets achter te houden. Daarbij is duidelijk dat wie geestelijk preekt, een tekst niet behoeft te vergeestelijken, omdat Gods Woord in zichzelf geestelijk is.

Het zal duidelijk zijn - trouwens dat blijkt ook al in de Schrift - dat er niet alleen in de hoorders, maar ook in de predikers een grote variatie te vinden is. Een van mijn oude hoogleraren zei wel eens: iedere prediker is slechts een pijp op het grote orgel van God. Maar bij alle variatie zal daar waar Schriftuurlijk gepreekt wordt, bevindelijk gepreekt worden en geestelijke leiding gegeven worden. De voorbeelden daarvan zijn ruimschoots voorhanden in de kerkgeschiedenis. Ik noem namen van Augustinus in de oude kerk, van Bernard van Clairvaux in de Middeleeuwen, van Luther en Calvijn in de tijd van de Reformatie, van mannen van de Nadere Reformatie en Puriteinen. We ontdekken verschillende accenten, mede bepaald door de tijd waarin ze leefden en de fronten waarop ze streden. Uiteraard maakt het verschil of iemand dient in de vervolgde martelarenkerk of in een kerk die leeft in een periode van materiële welvaart. En uiteraard is er in de loop van de eeuwen een verdieping van inzichten gekomen en heeft de Heilige Geest verder geleid in het ontwikkelen van wat in beginsel al eerder aanwezig was (zo zie ik de verhouding van de Reformatie en de Nadere Reformatie o.a.). Maar deze prediking geeft herkenning, zelfs over kerkmuren en landsgrenzen heen, terwijl het ontbreken van dat element in de prediking vervreemdend werkt, zelfs binnen een en hetzelfde kerkverband.

Wie zijn de bevindelijk gereformeerden?

Wanneer we nu proberen een antwoord te geven op de vraag wie tot de bevindelijk gereformeerden gerekend moeten worden, voelen we, gelet op het voorgaande, aan dat we in een bepaald spanningsveld terechtkomen. Het woord 'bevinding' brengt ons immers zozeer in de sfeer van het werk van de Heilige Geest, dat het heel moeilijk is deze term te vullen met een inhoud waarmee een socioloog kan werken. En bevinding heeft zozeer met iemands persoonlijke verhouding tot God te maken, dat het onmogelijk is er een groepsaanduiding van te maken. Die bezwaren blijven bestaan, ook wanneer ik anderzijds erken dat de term inmiddels ingeburgerd is en warmeer ik er begrip voor toon dat het niet eenvoudig is een betere term te vinden, omdat andere aanduidingen misverstanden oproepen (bijvoorbeeld de term 'oud gereformeerd' wordt ook gebruikt als aanduiding van een bepaald kerkverband), of min of meer denigrerend klinken. Daar komt nog bij dat het immers de bedoeling is een term te vinden die deze gereformeerden onderscheidt van anderen die op de naam 'gereformeerd' ook aanspraak maken.
We weten ook ongeveer wat wordt bedoeld en wie ermee worden aangeduid: leden van de beide Gereformeerde Gemeenten, Oud Gereformeerden, leden van een aantal vrije gemeenten en thuislezers, en een deel van de hervormd gereformeerden in de Nederlandse Hervormde Kerk en een deel van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Als kenmerk voor de bevindelijk gereformeerden zou ik willen noemen de erkenning van de noodzaak van de bevinding en de begeerte naar een bevindelijke prediking. De spaiming tussen de inhoud en het gebruik van de term 'bevindelijk gereformeerd' blijft echter. Waar de bevinding als vrucht van het werk van de Heilige Geest in het persoonlijk leven ontbreekt, dekt de vlag van de bevindelijk gereformeerden de lading niet. Gegeven de arglistigheid van ons hart lopen we dan het grote gevaar de schijn voor het wezen te houden en als de genisten in Sion te roemen in wat we hebben, terwijl het echte leven uit God ontbreekt. Een bijkomend gevolg is dan dat wij meewerken aan een karikaturale beeldvorming naar buiten, terwijl jongeren in verwarring worden gebracht.
Het is een hoge eer als bevindelijk gereformeerd aangeduid te worden. Die eer brengt echter de roeping mee aan die naam te beantwoorden door een leven dat staat in het teken van de psalmregel: 'Hoort wat mij God deed ondervinden; wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.'

Licht- en schaduwzijden van de bevinding

Zeker rond het begin van het derde millennium is het niet moeilijk een aantal lichtzijden te ontdekken van datgene wat we bevinding noemen. We leven immers in een tijd waarin veel aandacht voor ervaring en gevoel wordt gevraagd. In het denken van de moderne mens, die moe is van het verzakelijkte denken van een materialistische wereld, speelt ervaring een grote rol. Zoals ik het ervaar, zo is het. En we mogen onze gevoelens uiten en een rol laten spelen in onze keuzen en beslissingen. En al is bevinding het werk van de Heilige Geest en komt ze dus in principe van de andere kant en is ze niet zelden een krachtige correctie op wat we voelen en ervaren, het is een feit dat er als zodanig in het moderne denken en levensgevoel een bepaalde opening is voor wat wij bedoelen met bevinding. Bevinding betekent dat de mens in het zicht komt en serieus wordt genomen en aangesproken in de situatie waarin hij of zij verkeert. Waar de bevinding zijn rechte en rechtmatige plaats ontvangt in de prediking, zal die prediking altijd op een aansprekende wijze realistisch zijn, herkenbaar voor de mens die zijn naam hoort noemen, zich herkend weet en zich bij de hand genomen voelt door de Heere, Die zondaars onderwijst aangaande de weg.Omdat de Catechismus een door en door bevindelijk leerboek is, heeft hij na vier eeuwen nog niets van zijn actualiteit verloren.
Omdat de Nederlandse Geloofsbelijdenis een bevindelijk getuigenis is van Wie God is en wat God zegt en doet, heeft zij vandaag nog niets van die getuigende kracht verloren. Omdat de Dordtse Leerregels zo nadrukkelijk leiding zoeken te geven aan het bevindelijke leven, vormen ze tot op de dag van vandaag een troostboek voor de kerk en de schat van Christus' bruid. Hier horen we de hartenklop van het leven des geloofs, zoals de Heilige Geest dat werkt. Daarom ligt er kracht in, dwingen ze tot luisteren en hebben ze wat te zeggen in alle tijden. Daarbij zijn ze ook brandend actueel als antwoord op de remonstrantse dwalingen, die vandaag nog springlevend zijn en waarmee in het bijzonder onze jongeren worden geconfronteerd.

Als we daarnaast van schaduwzijden spreken, bedoelen we niet dat de bevinding als werk van de Heilige Geest schaduwzijden heeft. Maar helaas gaan mensen er soms verkeerd mee om. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer mensen proberen het geestelijk leven in kaart en op noemer te brengen. Begrijpelijk als een reactie op ervaringen en gevoelens die niet uit God zijn. Het tijdgeloof kent ook zijn gevoelens. De schijn moet ontmaskerd worden en onderscheiden van het wezen.
Maar gevolg is dat men een poging doet om het geestelijke leven te systematiseren, waarbij in schema gebracht wordt wat een mens moet ondervinden en kennen en hoe en in welke orde. Echter, al zijn er duidelijk bepaalde grondtrekken aan te wijzen van het werk Gods zoals dat in ieder van de Zijnen gestalte krijgt, leven - en dat is bevinding toch als het goed is - laat zich niet in een schema wringen. Waar bevinding tot een schema wordt, worden mensen gebracht tot het uitzien naar verschillende stadia: eerst dit, dan dat, en zolang ik dat niet heb meegemaakt... Het gevolg is dat mensen terug worden verwezen naar zichzelf, dat er onzekerheid wordt gekweekt, en dat de bevinding meer gezien wordt als grond voor dan als vrucht van het geloof.
Een gevaar is ook dat de prediking wordt tot beschrijving van wat een mens bevindt, een tekening waar een hoorder naar kijkt en vervolgens zichzelf aan toetst om dan al of niet tot de conclusie te komen dat hij aan deze norm voldoet. Het gaat er echter in de prediking om dat de grote werken Gods verkondigd worden en dat we daarin de Heere ontmoeten en horen wat Hij gedaan heeft en nog doet. Dan verkondigen we het werk van de Drie-enige God, de Vader en Zijn eeuwig welbehagen, Christus en Die gekruisigd, en de Geest Die wil toe-eigenen wat we in Christus hebben. We ontmoeten een God Die zo volkomen gewillig is en een volkomen Zaligmaker is, ook in de toepassing van het heil.

Problematiek en aantrekkingskracht van de bevindelijk gereformeerden

De grootste problematiek van de bevindelijk gereformeerden is, dat ze helemaal kinderen zijn van hun tijd. En als die tijd donker is, gaat dat aan hen niet voorbij. En als die tijd een geesteloze tijd is, merk je dat ook bij hen. Wij zijn niet anders, niet beter dan de wereld om ons heen. Dat blijkt juist hier zo pijnlijk, ondanks het isolement dat we zoeken. Als het in de wereld regent, drupt het in de kerk. Dat gaat niet een van de kerken waarin we bevindelijk gereformeerden vinden, voorbij. Overal horen we de klacht over geestelijke dorheid en duisternis. In allerlei verslagen lezen we dat er mogelijk nog wel wat ritselingen van de Geest merkbaar zijn, maar dat het doorbrekende werk van de Geest teveel ontbreekt, met alle gevolgen voor gemeenten en ambtsdragers, voor ouders en kinderen.
Dat ligt niet aan de Geest. Dat ligt aan ons, mensen van deze tijd, Adamskinderen besmet met hetzelfde virus dat in de wereld zijn slachtoffers maakt. Daarom is er alle reden tot klagen, maar dan op de wijze van het Woord: 'Wat klaagt dan een levend mens, een iegelijk klage vanwege zijn zonde.' Wij staan de Geest tegen, bedroeven Hem, blussen Hem uit. Dat zijn overigens ook echt bevindelijke noties! Vooral de predikers mogen dat zichzelf aantrekken en zich op dit punt toetsen.

Hebben wij nog een boodschap of praten we maar wat? Geloven we nog dat het Gode behaagt door de dwaasheid van de prediking zalig te maken, of geloven we er eigenlijk niet meer in? Proberen we een beetje vlot te zijn en populair te worden? Praten we de mensen naar de mond door het te zeggen zoals men het graag hoort of staan we in de bediening der verzoening in het bewustzijn dat we verantwoordelijk zijn voor de zielen van hen die ons horen en die God naar dit woord zal oordelen? Zoeken we zelf de verborgen omgang van de Heere met die Hem vrezen, opdat we van daaruit geestelijke leiding kunnen geven in de opening van de Schriften?

Een probleem voor de bevindelijk gereformeerden is, dat ook uit hun kring niet weinig jongeren, die met een verstarde en gestolde bevindelijkheid waaraan het leven ontbreekt niets kunnen beginnen, op zoek naar iets echts, naar een boodschap, terecht komen in evangelische kringen. En dat is diep te betreuren, want daar wordt het gevoel wel aangesproken en daar worden wel emoties opgewekt, maar daar ontbreekt helaas maar al te veel het echte werk van de Heilige Geest, waardoor een mens zondaar wordt en naar Christus wordt uitgedreven om in Hem een volkomen Zaligmaker te vinden. En zo vervreemden onze jongeren van wat echte gereformeerde bevinding is en blijven ze in oppervlakkige emotie en menselijke activiteit steken. Bij wie ligt de oorzaak?

Een aparte problematiek van de bevindelijk gereformeerden is ook de enorme kerkelijke verdeeldheid binnen hun kring, waarbij enerzijds kerkelijke onverschilligheid het gevolg is en anderzijds het verlangen om zich tegenover elkaar te profileren als de meest bevindelijke en meest behoudende groep de verwijdering steeds groter maakt. Soms moeten uiterlijke kenmerken innerlijke leegheid bedekken, zoals Adam probeerde met zijn vijgenbladeren. Niet alleen de Heere doorziet dat; ook een deel van de jongeren ontmaskert dat met de scherpe blik die jongeren eigen is, terwijl anderen zich juist helemaal mee laten voeren in een wetticisme, dat zich steeds verder vervreemdt van het echte leven des geloofs, dat vooral naar jongeren toe zich zo teer en gunnend kan openbaren.

Er is veel reden tot verootmoediging, reden om samen de woorden van de biddende Daniël (Dan. 9) tot de onze te maken: 'Wij hebben gezondigd.' Om dan pleitend op Gods beloften te smeken: 'O, Heere, hoor; o Heere, vergeef; o Heere, merk toch op.' Hebben de bevindelijk gereformeerden anno 2000 nog aantrekkingskracht? Het is mijn diepe overtuiging dat in de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking, zoals we daar in dit artikel over gesproken hebben, de enige maar ook grote aantrekkingskracht van de bevindelijk gereformeerden ligt. Juist op dit punt - en hier heeft uiteindelijk alles met alles te maken - ligt er een geweldige rijkdom in wat de Heere in de gereformeerde traditie van eeuwen in ons land geschonken heeft. Die erfenis omvat zoveel geestelijke schatten, dat het alleen maar een verarming zou betekenen, wanneer onze jongeren het in evangelische richting gaan zoeken.
Toen een paar evangelische dominees uit Canada jaren geleden ons land bezochten en tegenover een aantal predikanten uit de gereformeerde gezindte verslag deden van een opwekking in hun land en de boodschap die zij brachten, zei een van de aanwezige predikanten: Wat u ons vertelt, is ons niet vreemd; alleen, onze Catechismus leert het ons al jaren veel rijker. Dat woord is mij als toen jonge predikant diep in de ziel gezonken. Wij hebben van de Heere in de gereformeerde traditie door de eeuwen heen een rijkdom meegekregen, die we slechts tot grote schade van onszelf en van onze jongeren verwaarlozen kunnen. De Heere geve dat er weer zo gepreekt en geleefd mag worden. Hij is het waard en onze jongeren zijn erbij gebaat. Eén ding hebben we daarbij nodig: de Heilige Geest!

Waar zijn de wachters op de muur, die nog in Pinksteren geloven,
nog uitzien naar het Licht van Boven,
nu hier Gods lampen langzaam doven?

Keer tot ons weer, de nacht is guur,
maar dat Uw storm ons wakker waaie,
Uw vuur ons louterend doorlaaie,
wil heilige onrust in ons zaaien.
Herschep ons. Geest, dit worde Uw uur. (A. Wapenaar)

Dit artikel werd u aangeboden door: Driestar Educatief

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1999

Driestar bundels | 254 Pagina's

De bevindelijk gereformeerden

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1999

Driestar bundels | 254 Pagina's