Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Enkele aspecten van de Vroege Kerk

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Enkele aspecten van de Vroege Kerk

18 minuten leestijd

Als we willen nadenken over de Vroege Kerk, is het eerste wat we ons moeten realiseren dat ze een lange ontstaansgeschiedenis van ongeveer 400 jaar gekend heeft. Het tweede aandachtspunt is dat, als we de Vroege Kerk - voor zover deze überhaupt op te vatten is als één homogeen geheel - willen concretiseren door een momentopname uit de ontwikkelingsgeschiedenis van die kerk te belichten om een vergelijking met de huidige kerk te kunnen maken, die momentopname slechts één beperkte invalshoek is.

Om tot een enigszins evenwichtige kijk op de ontstaansgeschiedenis van de Vroege Kerk te komen, lijkt het mij zinvol een aantal belangrijke punten uit de geschiedenis ervan kort te belichten.

Ontwikkeling van de Vroege Kerk
Ik denk eerst aan het allereerste begin: Jezus, Die Zijn discipelen onderricht en hun de weg wijst. De hemelvaart van Jezus is de afsluiting van de allereerste periode in de ontstaansgeschiedenis van de Vroege Kerk. Daarna gaan de apostelen verder in het hun aangewezen spoor.

In Jeruzalem komt de ontwikkeling van de kerk na Christus' hemelvaart steeds meer op gang. Op de Pinksterdag zijn er reeds 3000 zielen die tot geloof komen, daarna groeit de gemeente in Jeruzalem gestaag. Er wordt buiten Jeruzalem gepredikt in kleinere groepen, veelal in de Joodse synagoge van een bepaalde plaats. Daar vernemen de Joodse gelovigen de boodschap van Christus en nemen die voor een deel aan. In Jeruzalem wordt echter door de apostelen nagedacht over de leer en over de leiding die de kerk moet krijgen. In Handelingen 15 lezen we dat Petrus tijdens het apostelconvent er nadrukkelijk voor kiest een nieuwe richting in te slaan: er is geen besnijdenis meer, maar wij worden door genade zalig (Hand. 15:10-11).

De zendingsreizen van Paulus zorgen ervoor dat de nieuwe religie zich steeds verder verbreidt. Belangrijke plaatsen als Athene (het centrum van de wetenschap) en Rome (het economische en bestuurlijke centrum van de wereld) komen in aanraking met het Evangelie. En dat niet alleen, maar er ontstaan ook christengemeenten die later groot gezag zullen krijgen in de Christelijke Kerk.

In de periode 70-135 worden de kerken gezien als synagoges, waarvan de leden drie maal per dag baden en twee maal per week vastten, zoals de Joden deden. De christenen kozen er echter voor om woensdag en vrijdag de gevangeimeming en kruisiging van Christus te herdenken en niet de (Joodse) maandag en donderdag daarvoor te gebruiken. Ze beleden het monotheïsme in dezelfde termen als het Jodendom. De besnijdenis bleef een essentieel deel van de wet, maar was niet verplicht voor gelovigen uit de heidenen, die hun redding verkregen doordat ze opgenomen werden in het verbond dat God gesloten had met Abraham. Volgens W.H.C. Frend moet de directe Joodse invloed op het christendom in deze tijd zeker niet worden onderschat. Hij wijst erop dat het Christendom Joods Christendom was, maar ook met een verschil: geen echte Jood zou Jezus Christus aanvaarden als 'God': 'All Christianity at this stage was 'Jewish Christianity'. But it was Israel with a difference. First and foremost, as we have already noted, no Jew could have accepted Jesus Christ 'as God.1 "

Dit cruciale geschilpunt wordt ook al duidelijk in de brieven van Plinius (begin tweede eeuw). Deze stadhouder uit Bithynië krijgt te maken met christenen die de keizer niet als afgod willen vereren. Het blijkt dat zij aanhangers zijn van Christus, van Wie zij de naam niet willen vloeken. Als zij dat wel hebben gedaan en bereid zijn volledig afstand te doen van dit verkeerde bijgeloof (prava superstitio), worden ze verder vrijgesteld van strafvervolging. Als ze echter blijven volharden in hun dwalingen, moeten ze ter dood worden gebracht. Zo duidelijk is keizer Trajanus en deze duidelijkheid wil Plinius ook zeker niet verliezen. In een briefwisseling tussen de stadhouder en de keizer worden de grenzen voor de juridische vervolging van de christenen transparant gemaakt. Anonieme aanklachten moeten volgens Trajanus worden geseponeerd, maar als er reden toe is om iemand op goede gronden te dagvaarden, is dat zonder meer toegestaan. De achterliggende gedachte hierbij is dat men in het Romeinse Rijk erg bang is voor allerlei groeperingen die de verering van alsook de gehoorzaamheid aan de keizer niet meer primair relevant vinden. Dit kan tot afbrokkeling van zijn gezag (auctoritas) leiden en daarmee een gevaar vormen voor het Rijk in zijn geheel. En dat mag gewoon niet. Vandaar ook de duidelijkheid hierin.

Een eigen identiteit
Het Christendom ontwikkelt echter hoe langer hoe meer zijn eigen identiteit. Die identiteit wordt ons voor een gedeelte duidelijk in de catacomben en de daar nog aanwezige fresco's uit het begin van de ontstaansgechiedenis. De aanwezige thema's zijn voor een deel Oud-testamenrisch van aard: (1) de drie jongelingen in de brandende vuuroven; (2) de geschiedenis van Jona met de vis; (3) de goede herder die het schaap op zijn schouders neemt. Voor een gedeelte zijn het echter ook ontwijfelbaar geschiedenissen uit het Nieuwe Testament: (4) de opwekking van Lazarus; (5) de wonderbare visvangst en andere wonderen. Voor een gedeelte wordt die identiteit ons ook duidelijk uit de grafinscripties, bijvoorbeeld uit die van Avircius:

Mijn naam is Avircius, een discipel van de onvervalste Herder, Die de schaapskudde op bergen en dalen voedsel laat vinden. Die grote alziende ogen heeft: Hij onderwees mij getrouw de Schriften. Hij zond mij naar Rome. Overal ontmoette ik geloofsgenoten. Ik trad in de voetstappen van Paulus, en het geloof baande overal de weg en verschafte overal voedsel, de Vis uit de bron - enorm groot, zuiver, die de onbevlekte Maagd ving en aan vrienden gaf om te allen tijde te eten, tezamen met goede wijn, in de beker bij het brood. Ik, Avircius, verordineerde dat deze dingen werden geschreven. Ik ben voorwaar tweeënzeventig jaar oud. Laat hij die deze dingen begrijpt en een ieder die hiermee instemt voor Avircius bidden.

Prachtig is in dit grafschrift Avircius' toewijding aan Christus te zien. Die hij hier typeert als 'de onvervalste Herder', Die Zijn volk allerminst laat dwalen, maar ze 'op bergen en dalen voedsel laat vinden'. Tenslotte spreekt hij in de inscriptie over 'hij, die deze dingen begrijpt en ieder die hiermee instemt'. Het betreft hier inderdaad geloofsgenoten die weten waar het over gaat. Het vroege christendom heeft zijn eigen symbolen en geheimen. ICHTHUS is daarvan een heel bekend voorbeeld, ook als symbool terug te vinden op vroeg-christelijke grafinscripties. Maar ook mooi is het volgende letterspel:

ROTAS (wielen)
OPERA (werken/moeite)
TENET (hij houdt)
AREPO (Arepo)
SATOR (zaaier)

Dit lettervierkant kan door hergroepering gaan betekenen: 'Ik ben de Alpha en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heer.' Ook kan door de A en de O er tweemaal uit te halen een dubbel Pater Noster worden gecreëerd, in kruisvorm weergegeven:

A P A T E R A PATERNOSTER O O S T E R O

Het Christendom was niet de enige godsdienst met een groeiende identiteit en eigen symbolen. Vanuit het Oosten kreeg het Christendom te maken met twee concurrenten: de dienst van Mithras, die een heilige stier doodde en opat, alsook de dienst van Sol Invictus, de onoverwinnelijke Zon, afkomstig uit Syrië. Het was deze zonnegodcultus die keizer Aurelius in 274 als staatsgodsdienst in het leven heeft geroepen. De geboortedag van de zon op 25 december zou daarbij een speciale feestdag zijn. De stralenkrans om de zon en de geboortedag zelf zouden later door het Christendom worden overgenomen. Nog geen dertig jaar later riep Diocletianus Mithras, die erg populair was in het leger, uit tot 'beschermer van het rijk'. Mithras slachtte de stier en richtte daarmee een offermaal aan. Zijn aanhangers volgden dit na met een ritueel van brood en wijn. De christenen waren vanzelfsprekend zeer verontwaardigd over deze inbreuk op hun riten.

Reiigio licita
De instabiliteit van Rome (uit de derde eeuw) was geleidelijk al afgenomen onder de zojuist genoemde keizers. Evenwel, onder keizer Constantijn werd de uiteindelijke rust bereikt. De God die Constantijn koos om hem in de strijd te helpen, was de christelijke God. Met zijn bekering werd het kritieke keerpunt bereikt, waarbij het Christendom overging van 'reiigio illicita' naar 'reiigio licita', van een godsdienst die aanvankelijk niet was toegestaan tot een godsdienst die 'rijksbreed' werd ingevoerd. De gevolgen van deze omslag zijn zeer groot geweest.

Veranderde positie
We willen nu in een korte schets enkele belangrijke ontwikkelingen uit de vierde eeuw aangeven, waardoor de positie van de kerk veranderde.

Om te beginnen willen we kort stilstaan bij het kerkelijke conflict met Arius. Dit conflict, dat pas in 381 definitief beslecht werd in het concilie van Aquileia, had als inzet de identiteit van Jezus Christus: was Deze wezensgelijkend of wezensgelijk aan God de Vader? Was Christus ook God of leek Hij op God? In 325 werd in het concilie van Nicea bepaald dat Christus éénswezens met de Vader was. In de Godheid waren wel drie personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, maar zij waren éénswezens, zij waren ook alle drie God. Dit heeft het denken van de westerse christenheid daaromtrent definitief gevormd. In het Oosten was men meer geneigd om een tussenpositie in te nemen (semi-arianisme) en ligt de theologische ontwikkeling ook anders dan in het Westen, met bijvoorbeeld ook veel aandacht voor het monastieke leven (Cappadocische vaders, woestijnvaders, pilaarheiligen etc.)

Tijdens de regering van Constantijn kon de kerk duidelijk vanuit een achterstandsituatie uitgroeien tot een volwassen religie. Tijdens de vervolging onder Diocletianus waren veel verwoestingen aangericht in de kerkelijke goederen. Nu werden daarentegen vijftig kerkbijbels overgeschreven om de afzonderlijke gemeenten van een geschreven bijbel te voorzien. De noodzaak tot het nemen van deze maatregelen zal ongetwijfeld hebben bestaan.

Niet alleen het concilie van Nicea is een mijlpaal, ook de kerkbouw krijgt onder Constantijn een flinke impuls. Op allerlei plaatsen in het Rijk, met name op die plaatsen waar bijzondere herinneringen liggen aan gebeurtenissen uit het leven van Jezus, worden kerken gebouwd. Zo heeft Helena, de moeder van Constantijn, volgens de overlevering een aantal kerken gesticht. Het Christendom wordt steeds meer een religie met een vastomlijnd kader: eigen kerkgebouwen, een eigen credo (Nicea), een eigen literatuur, een eigen canon, een eigen positie temidden van de andere, de heidense religies.

Toch dienen we ook te bedenken dat het Christendom nog steeds niet het primaat had in het Romeinse Keizerrijk. De heidense religies waren bepaald nog niet uitgestorven of van een te verwaarlozen factor. Het Christendom heeft nog moeite genoeg gehad om het hoofd boven water te houden. We denken aan de keizers na Constantijn, die niet allemaal zo toegewijd waren aan de religio Christiana als Constantijn zelf. Een onverwachte terugval ontstond er onder de regering van Julianus Apostata. Deze heidense keizer probeerde alsnog het Christendom uit het Romeinse Rijk te laten verdwijnen, echter zonder het beoogde succes. Het confisceren van de kerkgebouwen was onder meer een van de maatregelen. Verder trachtte hij door andere richtingen, zoals het Jodendom, en afsplitsingen in het Christendom zelf te bevorderen het christelijk geloof van binnenuit te verzwakken. Na zijn dood keert het tij en blijkt het Christendom toch te overwinnen.

Toch blijkt ook dat de tegenkrachten niet zomaar weg zijn. In de tijd waarin Ambrosius bisschop in Milaan is, volgen vijf keizers elkaar op, met wie Ambrosius nauw contact onderhoudt en die hij soms ook persoonlijk in de christelijke leer onderwijst (keizer Gratianus). Als de Romeinse senaat besluit om het altaar van Victoria weer terug te plaatsen in het senaatsgebouw, is het Ambrosius die hier duidelijk tegenin gaat en de keizer verzoekt om het altaar weer te verwijderen. Dit lukt uiteindelijk en de oppositie moet wijken. Ook is het Ambrosius' grote verdienste geweest dat hij een duidelijke scheiding tussen kerk en staat heeft gehanteerd. Toen Theodosius, de keizer die het Rijk uiteindelijk nog verder christianiseerde, zich in zijn drift had laten meeslepen en duizenden onschuldige burgers had laten doden, gaf Ambrosius aan dat dit niet kon en dat hij geen deel kon nemen aan de eucharistieviering. De keizer aanvaardde de berisping, deed boete en toonde berouw. Zo stelde een keizer van het Romeinse Rijk zich dus onder het gezag van de kerk.

De les van de vervolging
Laten we nu, na dit inleidende gedeelte, ingaan op de gestelde vraag: Verkeren wij in een vergelijkbare situatie als de Vroege Kerk en dan met name toegespitst op dat gedeelte van de geschiedenis van de Vroege Kerk waarin christenen een minderheidspositie bekleedden? Wat dient ons handelen te zijn?

De gestelde vraag zou - laat dat duidelijk zijn- voldoende stof opleveren voor een aantal proefschriften. Wij zullen echter vooral praktisch met deze vraag omgaan. De christenen verkeerden vooral voor het ontstaan van de godsdienstvrijheid in een minderheidspositie. Wanneer je je in een minderheidspositie bevindt, moetje je aanpassen aan dat wat door anderen voorgeschreven wordt. Dat levert op zichzelf al heel grote problemen op. Als je moet offeren voor de keizer, doe je dat dan wel of niet? We denken hierbij aan de differente houding van christenen ten tijde van de vervolging onder keizer Decius. Er waren toen libellatici, die een libellum/certificaat van de overheid kochten en daarmee gevrijwaard werden van strenge rechtsvervolging; thurificati, die even wat wierook brandden voor de keizer, zodat de overheid ook weer tevreden was; sacrificati, die een offer brachten voor de keizer; en tenslotte de confessores, die nee zeiden op elke vorm van aanpassing, die dus ook werden vervolgd, opgesloten, gemarteld en gedood. Wie van de vier heeft het best gereageerd? De confessores vonden dat zij dat waren. In de discussie die daarna volgde over wederopname in de kerk van de 'gevallenen', geeft bisschop Cyprianus aan dat deze wederopneming zeker mogelijk moet zijn. De confessores denken daar echter anders over en de discussie is niet zomaar voorbij.

In gevallen waarin christenen erg geïsoleerd waren van elkaar, moesten ze wel een leven leiden waarin veel aanpassing aan anderen het geval was. Laten we dat zeker niet onderschatten. Misschien was alleen op zondag een gezamenlijke ontmoeting mogelijk en leefde men in de week 'op zichzelf'. Dan moet je je ook zien te handhaven en misschien wel in je eentje je christen-zijn tot uitdrukking brengen. Dit lijkt mij een situatie zoals die zich ook bij ons zou kunnen voordoen, bijvoorbeeld als je een christelijke student bent in een grote stad, of een christelijke arts ergens in het buitenland.

Uit de brieven van Plinius wordt wel duidelijk dat de zondagviering van christenen werd gezien als een vorm van vrijetijdsbesteding. Als slaaf moest je de rest van de zondag alles doen wat er normaal ook bij hoorde. Dit was bepaald geen luxe leven. Zo zou je het christen-zijn ook kunnen typeren als een leven dat erbij komt, naast het leven dat ieder mens leeft.

En dan denken we in dit verband ook terug aan de vele martelaren, het zaad van de kerk. Een zinloze of een zinvolle dood? Wetenschappers van het vroege christendom zijn geneigd om het eerste te zeggen en het martyrium te verklaren aan de hand van de obstinatie en het gebrek aan aanpassingsvermogen van deze vroege martelaren. Maar, als we ons oor vandaag de dag goed te luisteren leggen, zijn de vragen die nu aan christenen gesteld worden om ze tot een ander inzicht te brengen weinig anders dan toentertijd.

Uit Robin Lane Fox' De Droom van Constantijn blijkt dat er tijdens de vervolgingen wel regelmatig langs elkaar heen gepraat werd. Men begreep elkaar eenvoudig niet. Zie pag. 400 e.v. (volgt hier een citaat? Zo ja, waar eindigt dit?): 'In de Vroege Kerk was de marteldood een publiek evenement omdat deze samenviel met een bepaalde fase in de geschiedenis van het volksvermaak: de martelaars werden in de arena van de stad gedreven om zonder wapens te vechten tegen gladiatoren of stieren, luipaarden of de gevreesde beren. Zoals we al hebben gezien, werden deze voorstellingen gefinancierd en georganiseerd door de vooraanstaande figuren in de stad 'uit liefde voor hun geboorteplaats': omstreeks de tweede eeuw voor Chr. verwees de term 'streven naar eer' direct naar deze afschuwelijke gewelddadige voorstellingen. De massa genoot ervan en de weldoeners gebruikten dit gewelddadige middel om hun populariteit te vergroten. Geweld leverde een schitterend spektakel op en de menigte kon uitzonderlijk harteloos zijn. 'Goed gewassen, goed gewassen', riep de menigte in Carthago toen de martelaars in de arena zich in hun bloed wentelden. Deze uitroep was een afgrijselijke verdraaiing van een begroeting die in die tijd gebruikelijk was in de openbare badhuizen. Vooral christelijke slachtoffers lagen goed in de markt. Onder hen bevonden zich heel wat vrouwen en niet alleen slavinnen, maar ook vrouwen en maagden van goede familie, zoals Origenes reeds opmerkte. Toen het meisje Perpetua, dat uit een zeer welgestelde familie kwam, en haar slavin Felicitas de arena van Carthago betraden, werd de menigte met afschuw vervuld toen zij zag dat de een een lieftallig meisje was en de ander net een baby gekregen had, die zij zelf voedde. Eerst riepen zij hun toe dat zij zich fatsoenlijker moesten bedekken. Vervolgens begonnen zij, net als bij een stierengevecht, luid te applaudiseren toen de meisjes weer de arena ingedreven werden om voor de wilde dieren te sterven.

De onverzettelijkheid van de christenen die zich moedig toonden, maakte diepe indruk op hun broeders en wist ook de heidenen te imponeren. Toen keizer Marcus Aurelius zijn ideeën over zelfmoord uiteenzette in zijn eigenhandig geschreven werk Meditationes, plaatste hij een ordelijke, beredeneerde keuze om te sterven tegenover het 'pure verzet' van de christenen tegen de gevestigde orde. Deze vergelijking is niet helemaal logisch, maar er is geen goede reden om het gebrek aan logica uit de persoonlijke gedachten van de keizer weg te laten. Het geeft op een treffende manier aan welke reputatie de martelaren genoten.

Op hun eigen beperkte manier streefden de Romeinse gouverneurs vaak naar een compromis met de christenen die zij voor zich kregen. Als een christen weigerde geofferd vlees te eten, kon hij dan niet een beetje wierook offeren? Kon hij dan niet 'tenminste' een offer brengen aan de keizer, alsof de keizer niet zo'n lastige godheid was? Misschien kon hij 'trouw zweren aan de keizer', gewoon een simpele eed afleggen. De gouverneurs wisten wel iets van hun tegenstanders af, maar ook weer niet zoveel. De doctrine over de verrijzenis van Christus, met lichaam en al, klonk voor hen heel merkwaardig. En ook het absolute vertrouwen van de christenen in de boeken van Paulus. 'Was hij niet een simpele ziel, die Aramees sprak?', schijnt een Egyptisch gouverneur omstreeks 305 aan bisschop Phileas gevraagd te hebben, nadat er reeds eeuwenlang vervolgingen hadden plaatsgevonden. 'Hij was toch niet van hetzelfde niveau als Plato?' 'Nou dan,' vroeg een andere wanhopige gouverneur in maart van het jaar 250 in Smyrna, 'hebt u aandacht voor de lucht? Als dat zo is, breng uw offers dan aan de lucht.' 'Ik let niet op de lucht', antwoordde zijn gevangene, 'maar op Hem Die de lucht, de hemel en alles daarin gemaakt heeft.' 'Vertel mij dan wie dat alles gemaakt heeft?' 'Dat is niet aan mij om dat te zeggen.' Deze kinderlijke koppigheid wekte veel irritatie. 'Wih u een paar dagen wachten om er eens over na te denken?', vroeg de gouverneur aan Colluthus, ook in Egypte, in het begin van de vierde eeuw. 'Ik kan het van uw gezicht aflezen. Het vertelt mij dat u gered wilt worden.' Hoe was het mogelijk dat Colluthus wilde sterven? 'Ziet u de schoonheid van dit aangename weer niet?', vroeg de hoopvolle rechter. 'U zult geen genoegen beleven wanneer u uzelf doodt. Maar luister naar mij en u zult gered worden.' 'De dood die mij opwacht', schijnt Colluthus geantwoord te hebben, 'is aangenamer dan het leven dat u mij zou willen schenken.'

Christenen die aan een verhoor onderworpen werden, brachten hun ondervragers niet zelden tot het uiterste, omdat ze niet bereid waren zichzelf te verloochenen. Een duidelijk voorbeeld uit het boek Handelingen is Stefanus. De christenen zagen de martelaar als een levende 'spiegel van God', die aan zwaardere beproevingen werd blootgesteld dan een gouverneur zich maar enigszins kon voorstellen. Ieder die Hem zou verloochenen, zou ook door Jezus zelf worden verloochend voor God de Vader. Zonder deze dimensie kunnen wij de motieven van de martelaren niet op juiste waarde schatten.

In de ogen van de heidenen maakten sommige christenen zich onmogelijk omdat ze weigerden hun naam, sociale klasse, woonplaats of geboorteplaats te noemen. Het onderstaande voorbeeld maakt dit onder meer duidelijk. In februari van het jaar 310 kreeg de gouverneur van Cesarea vijf Egyptenaren voor zich die christen bleken te zijn, maar weigerden te vertellen hoe ze vroeger hadden geheten en zichzelf Daniël en Elia etc. noemden. Toen zij de rechter vertelden dat hun stad Jeruzalem heette, weigerde deze hen letterlijk te nemen en begon hij hun aanvoerder aan de tand te voelen. 'Ons land', zei deze, 'is het land waar alleen de vromen wonen en zij alleen mogen daarvan deel uitmaken. Het ligt naar het Oosten toe, is naar het licht zelf gekeerd, naar de zon ...' De rechter had geen tijd voor dit gepraat over een eldorado. Hij beefde van afkeer bij de gedachte dat deze christenen wellicht ergens een stad voor zichzelf hadden gesticht en vijandig tegenover de Romeinen stonden. Toen geseling en verdere martelingen niets opleverden, gaf hij opdracht hen onmiddellijk door onthoofding ter dood te brengen.

Kiezen voor het martyrium?
Moeten wij in onze huidige tijd ook voor een martyrium kiezen of het juist zien te vermijden? Ik denk dat ieder persoonlijk moet weten waar hij/zij staat in het Koninkrijk van God. Dan weten we ook waar, wannneer en hoe we moeten getuigen. Want gij zult Mijn getuigen zijn.

Noten

1. W.H.C. Frend, The Rise of Christianity, pag. 122-123

Dit artikel werd u aangeboden door: Driestar Educatief

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 27 september 2006

Driestar bundels | 115 Pagina's

Enkele aspecten van de Vroege Kerk

Bekijk de hele uitgave van woensdag 27 september 2006

Driestar bundels | 115 Pagina's

PDF Bekijken