Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Homoseksualiteit

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Homoseksualiteit

22 minuten leestijd

Gedurende het jaar 2007 staat de homodiscussie in de media niet stil. Mensen die goed op de hoogte zijn, leggen een link met homoseksualiteit als zij horen over De Passie, RefoAnders, de 16-minboot, Lont of Plasterk. Ter inleiding een greep uit de nieuwsberichten.

De evangelische scholengemeenschap De Passie moet zich voor de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) verantwoorden voor een passage in de schoolgids. Volgens de uitspraak van de CGB handelt de school in strijd met de wet door geen praktiserend homoseksuele leerkrachten aan te nemen. Het COC, Nederlandse vereniging tot integratie van homoseksualiteit, vraagt minister Plasterk van Onderwijs de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) aan te passen met het oog op homoseksuelen. De christelijke homobelangenorganisatie RefoAnders, die openheid over homoseksualiteit in kerkelijk Nederland beoogt, ziet het voorstel van het COC als een bedreiging van de vrijheid van godsdienst.

De Christenunie moet zich als regeringspartij goed kunnen verantwoorden wat betreft haar visie op homoseksualiteit, maar ook naar de eigen leden toe. Mevrouw Lont overweegt een motie in te dienen op een partijcongres om duidelijkheid te krijgen.

In 2007 is het voor het eerst mogelijk als puberhomo mee te varen tijdens de Gay Pride in Amsterdam op de zogenaamde 16-minboot. De homo-emancipatienota van minister Plasterk tenslotte benadrukt als beleidsspeerpunt de acceptatie van homoseksuelen, in het bijzonder door orthodoxe gelovigen. Op scholen dient structureel aandacht besteed te worden aan dit thema.

Taboe
Homoseksualiteit is nog lang niet uit de taboesfeer, in tegenstelling tot wat ons vaak voorgehouden wordt. Weliswaar is sinds 2001 in Nederland, als eerste land ter wereld, het huwelijk mogelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht. Destijds reageerde men in het buitenland veelal onthutst, toch zijn veel landen gevolgd. Eerst België, daarna Brazilië, Canada, Spanje, Zuid-Afiika, enzovoorts. Openheid is ook te merken via de media, bijvoorbeeld in programma's waarbij homoseksuelen aan het woord komen over hun geaardheid of door intieme afbeeldingen van homostellen op websites van bijvoorbeeld het COC.

Haaks op deze sfeer van openheid en tolerantie ten opzichte van homoseksuelen staan de uitingen van geweld. Juist dit jaar horen we regelmatig van gruwelijke incidenten waarbij argeloze homoseksuelen het mikpunt zijn. En dat nog wel in onze hoofdstad, die als toevluchtsoord voor homo's wordt gezien. Ook verbaal geweld tegen homo's is aan de orde van de dag. Hoe vaak wordt 'homo' niet als scheldwoord gebruikt in de rij van 'jood', 'hoer' en 'Turk'? Velen kijken vol afschuw naar een zoenend homopaar op straat, terwijl men dit bij een heteropaar de normaalste zaak van de wereld vindt. Ook in de seculiere wereld verloopt de acceptatie van homoseksuelen soms moeizaam. Het taboe rond homoseksualiteit is niet verdwenen. Uit het onderzoek 'Seksuele gezondheid in Nederland' van de Rutgers Nisso Groep (2006) blijkt dat een meerderheid van de homo- en biseksuele respondenten wel eens negatieve reacties op zijn of haar seksuele oriëntatie heeft gehad. De meest voorkomende reacties zijn schelden, naroepen, kwetsende opmerkingen maken en iemands oriëntatie openlijk afkeuren.

Een deel van de bevolking wijst vooral met de beschuldigende vinger naar religieuze groeperingen in de samenleving, waaronder de reformatorische. Met weigerende trouwambtenaren als bewijsmateriaal schildert men deze bevolkingsgroep af als discriminerend en onverdraagzaam. Afgezien van de discussie over trouwambtenaren kunnen we niet ontkennen, dat wij als reformatorische bevolkingsgroep nog erg onwennig zijn op het gebied van omgaan met homoseksuelen, maar onverdraagzaamheid is iets anders. Velen van ons kennen in de naaste familie- of vriendenkring niet iemand die homo is. Beter gezegd: iemand die er voor uit komt dat hij of zij homo is. Het is ook niet eenvoudig om daarmee voor de dag te komen in een kring waar je hetero behoort te zijn. Niet alleen omdat hetero-zijn de normale variant is, maar ook omdat het idee bestaat dat hetero niet zondig is en homo wel.

Op individueel niveau is het taboe op homoseksualiteit in de gereformeerde gezindte overduidelijk, anno 2007. 'Uit de kast komen', voor je geaardheid uitkomen, is voor de meesten geen optie. En dat terwijl juist al jaren benadrukt wordt, ook vanuit de kerk, dat homo's als persoon, net als iedereen, geaccepteerd moeten worden. Laat één ding voor heel de samenleving duidelijk zijn: reformatorische mensen zijn tegen discriminatie van homo's. Helaas zullen er onder hen zijn die deze Bijbelse richtlijn niet in de praktijk brengen. Wat reformatorische mensen op grond van de Bijbel echter weigeren goed te keuren is de homoseksuele praxis. Dit is naar alle waarschijnlijkheid de reden waarom zij door sommigen als discriminerend volksdeel bestempeld worden.

Dat er inmiddels onder refo's steeds minder sprake is van een taboe rondom het thema homoseksualiteit in het algemeen, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat dit onderwerp op de themadag van hogeschool Driestar educatief hehandsld wordt. En hoe vaak komen we het thema niet tegen in onder ons bekende kranten, tijdschriften en aankondigingen van bezinningsavonden? Toch is deze openheid wezenlijk anders dan de ruimte die een individuele reformatorische homo nodig heeft om voor zijn of haar geaardheid te durven uitkomen.

Refo en homo
Als je als jongere ontdekt datje gevoelens hebt voor mensen van hetzelfde geslacht, gaat dat over het algemeen gepaard met schrik. Zeker als je ook refo bent. Als puber probeer je uit alle macht die gevoelens te verdringen. Het kan soms hoop geven als je hoort dat verwarring over je seksuele gerichtheid min of meer een normaal verschijnsel is in de puberteit. Als de tijd verstrijkt en de gevoelens alleen sterker worden, of als je eigenlijk al vanaf je kinderjaren de aantrekkingskracht van het eigen geslacht voelt, komt vroeg of laat toch de gewaarwording: ik ben homo. Het kan echter lang duren voordat iemand dit voor zichzelf erkent, laat staan het woord 'homo' uitspreekt.

Veel reformatorische homo's blijven, soms hun leven lang, een dubbele rol spelen. Hun strategie naar buiten toe is: doen alsof je hetero bent. Er zullen naar alle waarschijnlijkheid veel reformatorische homo's zijn die als het ware gevlucht zijn in een huwelijk met iemand van het andere geslacht. Gewoon een standaardgezinnetje proberen te vormen, met daarnaast soms een vlucht in stiekeme ontmoetingen met anonieme homo's via chatboxen, op parkeerplaatsen of in homobars. Soms komen homo's die zo'n dubbel leven leiden, uiteindelijk tot het seksueel misbruiken van kinderen van hetzelfde geslacht of ze verbreken hun huwelijk en gaan alsnog een openlijke relatie aan met iemand van hetzelfde geslacht. Anderen zullen naast hun rol in het gezin of als alleenstaande een eigen, eenzaam wereldje creëren van homofantasieën en zelfbevrediging, zonder daarbij seksueel contact met anderen te zoeken.

De extra moeilijkheid voor een reformatorische homo om uit te komen voor het homo-zijn is de associatie met zonde. Bijbels gezien is een homoseksuele relatie inderdaad af te keuren en dient de homoseksuele praxis als zonde te worden aangemerkt. Maar wat eveneens Bijbels gezien ten strengste af te keuren is, dat is de homovijandigheid waar veel reformatorische mensen niet vrij van zijn. Het is ernstig om te merken hoeveel afkeer van homo's er soms heerst in reformatorische gemeenschappen. De christelijke familie en de christelijke gemeente moeten juist veilige bases zijn om met je diepste gevoelens voor de dag te komen. Gelukkig zijn er vele voorbeelden te noemen van mensen die goed opgevangen zijn toen ze met hun homo-zijn naar buiten kwamen. Anderen voelen zich echter verstoten door familie en kerk.

Refo en homo, kan dat samengaan? Ja. Iemands homofiele gerichtheid is een belangrijk facet van het totale mens-zijn, misschien beter gezegd: het omvat iemands totale mens-zijn. Elk mens is een uniek schepsel van God. God besteedt, ook na de zondeval, grote zorg aan het formeren van Zijn schepselen, ook van homo's. Psalm 139 is in dit verband al velen tot troost geweest, met name de verzen 14, 15 en 16: in het verborgene gemaakt ... als een borduursel gewrocht. Iemand die homo is en tegelijkertijd christen wil zijn, zal wel een strijd kennen tegen de zonde van de homoseksuele praxis. Maar juist een christen en een christelijke gemeente zouden moeten weten hoe groot de bereidheid van Jezus is om zonden te vergeven. En hoe vast Zijn belofte is een doelmisser niet alleen te laten strijden tegen zijn of haar zondige verlangens. Zowel homovijandigheid als homoseksualiteit, de praxis, verenigen zich niet met het christelijke of reformatorische gedachtegoed!

Het besef dat heteroseksuele zonden in Gods ogen net zo erg zijn als homoseksuele zonden, leert ons toleranter te worden in de richting van onze medemens die homo is. Bovendien is voor beiden vergeving nodig en ook mogelijk door het offer van Christus. Het naast elkaar staan als mens en zondaar kan ruimte bieden voor de reformatorische homo om binnen de familie of de gemeente uit te komen voor zijn of haar geaardheid. Homovijandigheid neemt meestal af als mensen van dichtbij te maken krijgen met een vriend of familie- of gemeentelid die homo is.

Homofiel of homoseksueel
Het woord homoseksualiteit is van herkomst een medisch begrip en is in 1869 voor het eerst in de wetenschap naar voren gebracht. Vanaf die tijd is over dit onderwerp moderne theorievorming vanuit een analytisch denkkader op gang gekomen. Woorden die voor die tijd werden gebruikt, hadden meer een lading van schande of veroordeling, bijvoorbeeld 'sodomie' of 'onnatuurlijke ontucht'. Deze termen zijn ontstaan tegen de achtergrond van Bijbelse gegevens en vanuit een ethisch denkkader. Ze verwijzen naar homoseksuele handelingen. Tot de Franse revolutie in 1789 waren deze handelingen overal in Europa strafbaar.

Langzamerhand echter kwamen artsen, met name psychiaters, er achter dat er ook een psychologische kant zit aan veel homoseksueel gedrag en dat men moet onderscheiden tussen neiging en gedrag. Zo is het inzicht tot stand gekomen dat homoseksuele verlangens in veel gevallen niet gekozen zijn, maar tegen de wil van de betrokkene ontstaan. Door dit inzicht komt er ruimte voor het onderscheid tussen oriëntatie en gedrag. De oriëntatie wijst op de liefde tot iemand van de eigen sekse. Een grote verscheidenheid aan begrippen wordt gebruikt in plaats van het woord oriëntatie. Te denken valt aan aanleg, geaardheid, gerichtheid, neiging en voorkeur. In veel gevallen hangt de keuze voor een bepaald begrip samen met de vraag waar homoseksualiteit vandaan komt. Dit wordt in het vervolg nader uitgewerkt.

Een onderscheid dat in de wetenschap niet gemaakt wordt, maar in de volksmond wel en met name ook onder reformatorische mensen, is het verschil tussen homoseksualiteit en homofilie. Homofilie wijst op het verlangen en homoseksualiteit op de daad. Zowel Seldenrijk (2004) als Ouweneel (2006) hanteren deze tweedeling scherp. Het onderscheid is echter lang niet altijd gemakkelijk te maken. De volgende casus onderstreept dat:

G is een jongen van 15 jaar die op een reformatorische school voor voortgezet onderwijs zit.

Onlangs is hij in contact gekomen met een hulpverlener Hij bespreekt open zijn homofiele gevoelens. G geeft aan met het onderscheid tussen homofilie en homoseksualiteit absoluut niet uit de voeten te kunnen. Hij heeft namelijk, ondanks dat hij geen 'praktiserend' homo is, wel homoseksuele gevoelens. Hij vindt het dan ook onzin om het homo-zijn en de homoseksualiteit uit elkaar te halen. Bij zelfbevrediging denkt G namelijk niet aan een meisje, maar aan een jongen. Is hij dan toch gelijk praktiserend homo? Hij worstelt erg met zijn homo-zijn en staat er helemaal achter dat iemand met een homofiele gerichtheid geen relaties kan aangaan met mensen van hetzelfde geslacht. Maar dat wil dus niet zeggen dat hij geen homoseksuele gedachten en gevoelens heeft.

Probleem
Dat homoseksuelen een minderheid vormen in de samenleving moge duidelijk zijn. Onderzoeksgegevens variëren sterk, maar wijzen gemiddeld genomen naar 5-10% van de Nederlandse bevolking. Onderzoek van de Rutgers Nisso Groep (2006) bevestigt dit beeld: 'Als aantrekking, seksueel gedrag en identiteit gecombineerd worden, dan is 78,1% van de vrouwen en 83,5% van de mannen consistent heteroseksueel. Dat wil zeggen: zij voelen zich uitsluitend aangetrokken tot de andere sekse, hebben nooit seks gehad met een seksegenoot en noemen zichzelf hetero. De rest van de respondenten heeft op minstens één van de aspecten homoseksuele ervaringen. Consistent homo- of biseksueel is 6,1% van de mannen en 5,2% van de vrouwen. Zij voelen zich aangetrokken tot seksegenoten, hebben hier ooit seks mee gehad en benoemen zichzelf als homo- of biseksueel. Geëxtrapoleerd naar de Nederlandse bevolking zijn dit, bij een betrouwbaarheidspercentage van 95%, naar schatting tussen de 278.000 en 392.000 mannen en 223.000 tot 278.000 vrouwen van 19 t/m 69 jaar.'

Minderheidsgroepen moeten in een samenleving vaak strijd leveren voor hun plaats. Al hebben zij hun eigen identiteit geaccepteerd, dan is het niet vanzelfsprekend dat de rest van de bevolking die acceptatie overneemt. In Hitlers plannen stonden homoseksuelen op één lijn met joden en zigeuners. Zij waren de 'Untermenschen' die uitgeroeid moesten worden. Homoseksualiteit is door anderen gezien als een ziekte. In de psychiatrie sprak men tot enkele decennia terug van een psychische afwijking. De meeste christenen zijn homoseksueel gedrag door de jaren heen als zonde blijven zien. In de moderne Nederlandse samenleving lijkt homoseksualiteit soms gepresenteerd te worden als een gave, als iets waar je trots op mag zijn.

Het is misschien eerlijker om homoseksualiteit als een probleem te benaderen, zowel individueel als maatschappelijk. Een individueel probleem, omdat de ontwikkeling van de seksuele identiteit bij homoseksuele jongeren gepaard gaat met strijd, ontkenning, onzekerheid en twijfels. Temeer als je gelooft dat homoseksueel gedrag niet toelaatbaar is binnen de grenzen van een al dan niet religieuze overtuiging. Een maatschappelijk probleem, omdat het niet gering is staande te blijven als je tot een minderheid behoort. Een minderheid die zelfs in het tolerante Nederland veel te maken heeft met fysiek en verbaal geweld en discriminatie.

Aangeboren en verworven
Het ethisch denken over homoseksualiteit houdt zich vooral bezig met de vraag wat wel en niet mag. Het denken vanuit een analytisch kader roept onder andere de vraag op waar homoseksuele gevoelens vandaan komen. Beide denkkaders moeten goed onderscheiden worden in discussies, maar dienen ook als aanvulling op elkaar gebruikt te worden. Ook reformatorische mensen doen er goed aan zich te verdiepen in de theorievorming met betrekking tot homoseksualiteit. Het kan namelijk richting geven aan het al dan niet gebruiken van bepaalde begrippen die refereren aan het ontstaan van homoseksualiteit. In de loop van de jaren is daar namelijk geen eenduidige theorie over gekomen, al zijn er wel grote lijnen te herkennen.

Van der Laan (2007) onderscheidt met betrekking tot de vraag naar het ontstaan van homoseksualiteit de volgende drie periodes:
a. 1870-1970: psychologische theorieën;
b. 1970-1990: biologisch essentialisme;
c. 1990-heden: gelijkwaardigheidtheorie.

De meeste deskundigen gaan er van uit dat homoseksualiteit zich ontwikkelt in de vroege jeugd, als gevolg van factoren op het gebied van aanleg en milieu. De eerste eeuw (1870-1970) sinds de opkomst van het analytisch denken over dit onderwerp, is vooral het psychologische inzicht ontstaan dat homoseksualiteit tot ontwikkeling komt door vroegkinderlijke ervaringen. Factoren in de omgeving, het milieu, van het kind. Te denken valt aan scheefgroei in de relatie ouder-kind, waarbij een meisje zich bijvoorbeeld niet voldoende identificeert met haar moeder. Verder kunnen een rol spelen: seksueel misbruik, moeizame aansluiting bij leeftijdgenoten van hetzelfde geslacht, gepest worden om gedragingen die als meisjesachtig (bij jongens) of jongensachtig (bij meisjes) worden gezien. Bij dit verklaringsmodel passen begrippen als homoseksuele gerichtheid en oriëntatie.

Onder invloed van het biologisch essentialisme kreeg in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw de opvatting dat homoseksualiteit voornamelijk genetisch bepaald is en een natuurlijke variant op heteroseksualiteit veel aanhang. Hormonen en karakter spelen een grote rol in de aanleg. Volgens deze visie ervaren homoseksuelen hun gevoelens als een essentieel en permanent element van hun persoonlijkheid. Daarom zou een homo zichzelf tekort doen als hij zijn identiteit ontkent of probeert te veranderen. Ook zou een homo zichzelf beschadigen als hij zich onthoudt van elke vorm van homoseks. Deze theorie activeert de homobewegingen in de westerse landen. Media helpen hen in hun streven naar homo-emancipatie. Bij dit verklaringsmodel passen begrippen als homoseksuele aanleg, geaardheid en voorkeur.

Gebleken is dat de theorie van het biologisch essentialisme niet met feiten te onderbouwen is. Een puur biologisch of een puur psychologisch model is moeilijk hard te maken. De laatste decennia ligt de nadruk op de gelijkwaardigheid van mensen. De vraag naar het ontstaan van homoseksualiteit staat daarbij niet meer voorop. Belangrijker is dat hetero's en homo's dezelfde rechten moeten hebben.

Binnen een christelijke visie op het ontstaan van homoseksualiteit past het denken vanuit een wisselwerking tussen aanleg- en milieufactoren. Juist om de wisselwerking tussen aanleg en milieu te benadrukken, is het door Ouweneel (2006) gemaakte onderscheid tussen aangeboren kemhomofilie en verworven perifere homofilie niet noodzakelijk. Zowel aanleg- en milieufactoren moeten gezien worden tegen de achtergrond van de zonde. Sinds de zondeval staan mensen open voor seksuele gedragingen, gedachten en gevoelens die niet in overeenstemming zijn met Gods bedoelingen.

Het is moeilijk een goede keuze te maken uit de termen die lijken te refereren aan het ontstaan van homoseksualiteit. In tegenstelling tot Ouweneel, die de term geaardheid hanteert, spreken Seldenrijk (2004) en Different (2006) van gerichtheid, terwijl Van der Laan (2007) consequent het begrip oriëntatie gebruikt. Een eenduidige afspraak over deze terminologie is misschien niet nodig, omdat het voor een versimpeling van het denken over het ontstaan van homoseksualiteit kan zorgen. Voor de communicatie naar de rest van de samenleving toe kan het wellicht goed zijn om de term homofilie niet meer te gebruiken. Als we alleen de neiging tot en liefde voor personen van het eigen geslacht willen uitdrukken, zonder de praxis, kunnen we dat ook doen met de term homoseksuele gerichtheid, geaardheid of oriëntatie.

Verandering
In de moderne benadering worden jongeren gestimuleerd hun homoseksualiteit te aanvaarden als identiteit. Het zou goed zijn om zo vroeg mogelijk ervoor uit te komen, uit de kast te komen: 'Ik ben homo'. Iemand is hetero-, homo- of biseksueel. Hiermee doet men geen recht aan de complexiteit van de identiteitsontwikkeling. Het ontwikkelen van de eigen identiteit, ook het seksuele aspect ervan, is een dynamisch en kwetsbaar iets en moet niet versneld opgedrongen worden. Dat kan zelfs risicovol zijn. Het is mogelijk dat het ontwikkelen van een homoseksuele gerichtheid deels in de hand gewerkt wordt door een homoseksualiteit bevorderende cultuur.

Kinsey heeft de schaalverdeling van de seksuele gerichtheid van mensen als een continuüm in beeld gebracht. Er zijn aan het ene uiterste mensen die voluit heteroseksueel gericht zijn en aan het andere uiterste mensen die voluit homoseksueel gericht zijn. De meeste mensen zitten daar echter ergens tussenin. Zeker bij pubers die het proces van de ontluikende seksualiteit doormaken is nogal wat verschuiving mogelijk. Verwarring en twijfel over de seksuele gerichtheid komt op deze leeftijd vaak voor. Ze merken bijvoorbeeld dat ze niet geïnteresseerd zijn in typisch meisjesachtige/ jongensachtige dingen, ze worden uitgescholden voor lesbo of homo of ze voelen een sterke behoefte aan aandacht en aanraking van iemand van hetzelfde geslacht. Deze verwarring hoeft niet te wijzen op een seksuele geaardheid, maar kan ook min of meer een gerichtheid van voorbijgaande aard zijn.

De vraag doet zich dan voor hoe we moeten omgaan met homoseksuele gevoelens. Accepteren? Er tegen strijden? Streven naar verandering? Ontkennen? De laatste is geen optie. We hoeven homo-zijn niet aan te nemen als een identiteit, maar het hoort wel bij de identiteit. Dat maakt het streven naar verandering ook tot een moeilijke kwestie, al ondersteunt het continuüm van Kinsey deze mogelijkheid wel. Ook in de psychologische theorieën zou men grond kunnen vinden voor de mogelijkheid tot verandering van de seksuele identiteit. Ouweneel (2006), Different (2006) en ook Stichting Onze Weg, een stichting die voortkomt uit het werk van Different, laten tamelijk veel ruimte voor de mogelijkheid tot verandering van de seksuele gerichtheid. Daarbij is het van belang dat het veranderen niet als een must of oplossing gepresenteerd wordt. Dan zou men de persoon in kwestie tekort doen. Met name vanuit evangelische hoek wordt soms zelfs over genezing gepraat.

In het zoeken naar een christelijke of reformatorische visie, die zowel recht doet aan de Bijbelse gegevens als aan de persoon die het betreft, komen we uit bij een combinatie van de begrippen acceptatie en strijd. Acceptatie niet in de zin van: ik ben nu eenmaal zo. Ook niet het aannemen van het homo-zijn als identiteit. Wel het accepteren van zichzelf als persoon, als waardevol schepsel van God. Echter een onvolmaakt mens, zondaar voor God tegen de achtergrond van Zijn geboden. Dagelijks moeten strijden, ook tegen homoseksueel gedrag. Maar met God is die strijd niet tevergeefs. Hij is Overwinnaar en zoekt de verliezer op. Hij wil vernieuwing geven door Jezus Christus.

Bijbelse relaties
In de Bijbel geeft God ruimte voor seksualiteit binnen het door Hem zelf ingestelde huwelijk (Genesis 2) tussen een man en een vrouw. Op dit model wordt zowel door de Heere Jezus als door de apostel Paulus teruggegrepen in het Nieuwe Testament (Molenaar & Van der Wal, 1990). Om die reden belijden de reformatorische kerken dat de homoseksuele praxis niet in overeenstemming is met Gods wil. In de Bijbel staan verschillende teksten waarin homoseksueel gedrag afgekeurd wordt. Daaronder zijn teksten waarin het voorkomt binnen de context van verkrachting (Genesis 9) of van afgoderij (Romeinen 1). Ook onder christenen zijn er daarom mensen die in twijfel trekken of de Bijbel wel zo duidelijk spreekt over homoseksualiteit als zodanig.

Refo's zien over het algemeen homoseksueel gedrag als zondig, maar als het goed is niet als zondiger dan buitenechtelijke heteroseksualiteit. We moeten beseffen dat alles waarbij we uitsluitend of vooral op onszelf gericht zijn, geen liefde is maar eigenliefde. Te denken valt aan het bezoeken van pornosites, liefdeloosheid en ontsporingen op seksueel gebied binnen huwelijken.

Een reformatorische homo zal in de praktijk van het christen-zijn vaak proberen, in de weg van zowel acceptatie als strijd, te leren leven met zijn of haar homoseksuele gevoelens, zonder seksuele relatie aan te gaan. Pastoraal gezien is dan belangrijk dat we het homo-zijn ook benaderen als een van de facetten van ons leven. Elk mens is veelzijdig en kan leren zijn of haar sterke kanten te ontwikkelen. Aangaan van een heteroseksuele relatie door een homo is meestal een vlucht. Door de nare gevolgen die dit met zich kan meebrengen, onder andere voor partner en kinderen, is zo'n relatie normaal gesproken niet aan te bevelen.

Uit de kast
Ooit besloot dominee J. Zijlstra op een zondag in Ermelo op de preekstoel dat hij voor de gemeente uit de kast zou komen. 'Mijn preek nam spontaan een wending. En toen ik sprak over de eenzaamheid en het verdriet van mensen met verborgen homoseksuele gevoelens, hoorde ik mezelf zeggen: 'Ik weet waar ik het over heb want ik ben zelf ook zo ...' Het werd heel stil in de kerk' (Van der Vegt, 2004).

In onze samenleving wordt het voor de dag komen met je homoseksuele gerichtheid gestimuleerd, niet alleen door seculiere homobelangenorganisaties maar ook door christelijke, zoals Contrario en CHJC, de vereniging van christelijke homo's en lesbiennes. In veel gevallen gaat de stimulans gepaard met de visie dat het goed is een homorelatie in liefde en trouw aan te gaan. Op zich is het uit de kast komen een te respecteren keuze, maar we dienen net zoveel respect te hebben voor mensen die de keuze maken om over hun seksuele verlangens niet met anderen of slechts met enkelen te praten. Het is misschien zelfs aan te bevelen een klein aantal mensen in vertrouwen nemen.

Het klimaat in reformatorische gemeenschappen, zoals families, kerken en scholen, dient zodanig te zijn dat mensen open kunnen en durven zijn over hun homoseksuele gerichtheid. Met een homovriendelijk beleid op scholen bedoelen we dat jongeren de ruimte en de veiligheid voelen om met hun worstelingen voor de dag te komen. We moeten bedenken dat op reformatorische scholen veel jongeren, en ook volwassenen, rondlopen die zonder medeweten van anderen een homoseksuele gerichtheid hebben. Ook al geloven zij dat ze niet afgewezen worden als ze open zijn, toch zijn er drempels die hen tegenhouden. Waarom zou je open zijn als je toch geen homorelatie mag en wil beginnen?

Een homovriendelijk beleid houdt ook in dat reformatorische instellingen actief werk maken van het tegengaan van vooroordelen over en discriminatie van homo's. Het is schrikbarend hoe denigrerend soms over homo's gesproken wordt. Misplaatste grappen over homo's in het algemeen kunnen erg kwetsend zijn voor iemand die zijn of haar homoseksuele gerichtheid geheim houdt voor de omgeving. Als een klimaat eerder onveilig is dan liefdevol zal het taboe rond homoseksualiteit in stand gehouden worden.

Homo's die uit de kast willen komen, zoeken vaak contact met andere homo's. Lotgenotencontacten kunnen goed zijn, maar ook gevaarlijk. Dit geldt zeker voor homochatboxen. De anonimiteit kan sterke aantrekkingskracht hebben. Onder het mom van 'je begrijpt elkaar goed' lopen contacten met andere homo's nog wel eens uit op seks of seksueel misbruik, ook al zijn het contacten via een christelijke groep of stichting.

Tenslotte
Als je refo bent en ook homo, is dat doorgaans een kruis dat zwaar drukt. Zeker als je vecht tegen het uitleven van homoseksuele zonden. Troost is er bij medemensen die begrip tonen. Die je ook niet laten vallen als je toch overweegt of besluit een homoseksuele relatie aan te gaan. De enige echte troost ligt in de wetenschap dat Jezus in alle lijden is voorgegaan. Hij wil zondaren leren hoe het mogelijk is te roemen in zwakheden: 'Zo zal ik dan liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone' (2 Korinthe 12 vers 9b).

Literatuur
Different, Helemaal anders (lespakket), Amsterdam, 2006.
Laan, H.L. van der, Buitenkerkse theorieën over homoseksualiteit, Amsterdam, 2007.
Molenaar, T.E. & Van der Wal, J., Homofilie en de christelijke gemeente, Leiden, 1990.
Ouweneel, W.J., Seks in de kerk. Vaassen, 2006.
Rutgers Nisso Groep, Seksuele gezondheid in Nederland, Delft, 2006. (www.mg. nl)
Seldenrijk, R., Als je je anders voelt, Amsterdam, 2004.
Vegt, M. van der. Uit de schaduw, Amsterdam, 2004.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 26 september 2007

Driestar bundels | 93 Pagina's

Homoseksualiteit

Bekijk de hele uitgave van woensdag 26 september 2007

Driestar bundels | 93 Pagina's

PDF Bekijken