Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De N.S.B. en wij. - XIV.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De N.S.B. en wij. - XIV.

10 minuten leestijd

De regeering behoeft dus voor de volbrenging harer taak ten bate van de bescherming van het volksleven, zoowel naar binnen als naar buiten, eene militaire macht. En het is inderdaad te betreuren, dat daarvoor niet beter gezorgd werd en zij zich jaren lang onder den invloed der Marxistische mentaliteit heeft laten verleiden tot een afbraak der weermacht. Het gebrek aan tucht in het leger, de janboel, die er werd toegelaten en die vooral bij het houden van manoeuvres soms op beangstigende wijze aan den dag trad, heeft meegewerkt om de sympathie voor en het vertrouwen in het leger te ondermijnen. Ten slotte liep het uit op eene bespotting. De betere, degelijker elementen in het volk zagen hunne zonen met vreeze naar het leger gaan, want zij wisten, dat er een geest heerschte, die een schande was voor het geheele, Nederlandsche volk. De tucht liet alles te wenschen over, terwijl de officieren vrijwel machteloos stonden. Degenen onder de officieren, die nog voor de orde opkomen wilden, liepen zelfs kans als ongeschikt voor hunne taak met een slechte conduite-staat, van bevordering te worden uitgesloten.
De geschiedenis met de Zeven Provinciën was dan ook eene eruptie, die slechts mogelijk is geweest, dank zij eene langdurige voorafgaande ontwikkeling. Het bedroevende in dezen loop der dingen schijnt mij, dat thans de bemanning en de officieren de dupe zijn geworden van de verkeerde leiding, die opzettelijk of oogluikend werd toegelaten. De eigenlijke schuldigen zijn dan ook zij, die den plicht hebben gehad voor alles de tucht te handhaven. En deze vallen buiten de berechting, terwijl deze zelfde manschappen, die nu onder zware straffen boeten voor hunne insubordinatie en voor hun leven eigenlijk onmogelijk zijn geworden, onder eene gezonde handhaving der tucht door hen, die er verantwoordelijk voor waren, ongetwijfeld goede en degelijke soldaten zouden geweest zijn.
Het kan dan ook niet ontkend, dat het zonder meer recruteeren uit het tegenwoordige maatschappelijke leven als ondoelmatig moet worden afgewezen. Eene weermacht, waarin allerlei maatschappelijke elementen, ook communistische, sociaal-democratische, antimilitaristische en anarchistische, zoo maar worden ingelijfd, moet wel absoluut onvertrouwbaar zijn niet alleen, maar wordt nog bovendien een bron van psychische en revolutionaire infectie. Wanneer dan ook de N.S.B. er nadruk op legt, dat „tot de weermacht alleen zullen worden toegelaten, van wie verwacht mag worden, dat hunne aanwezigheid de weerkracht verhoogt" (blz. 30 v. h. Program), dan stemmen wij daarmede in. En het ligt voor de hand, dat dus „de samenstelling van de lichtingen, maar uiteraard nog veel nauwgezetter bij de toelating en handhaving van het beroepskader" behoort te geschieden op eene wijze, die de vertrouwbaarheid van de geheele weermacht waarborgt. En dat dus politiek uit het leger behoort geweerd te worden en menschen, die in de burgermaatschappij propageerden de leuze „geen man en geen cent", niet zoo maar in het leger mogen wórden opgenomen, is naar ons oordeel eveneens vanzelf sprekend.
Ongetwijfeld is er uit zedelijk oogpunt bezwaar te maken tegen de houding van hen, die geheel vrijwillig eene levenstaak hebben aanvaard, zich daarin een bestaan hebben verworven, om daarna zich gedragingen te veroorloven, die lijnrecht ingaan tegen de plichten, die de aanvaarde levenstaak oplegt. Zoo wijst het Program van de N.S.B. dat het toch niet aan zou gaan, dat b.v. op den kansel een predikant of pastoor geduld zou worden, die na afloop van den dienst aan eene demonstratie van godloochenaars zou deelnemen.
„Neen", zoo zegt het N.S.B. Program, „Neen, natuurlijk. Het ééne sluit het andere uit". Inderdaad, dit is zeer logisch. Ik wijs er echter op, omdat hetgeen de N.S.B. zoo verwerpelijk vindt, in de Ned. Herv. Kerk wel gebeuren kan en, met den maatstaf van de leer der kerk gemeten, inderdaad gebeurt.
Het kon zelfs wel zijn, dat er ook onder de bij de N.S.B. aangeslotenen, predikanten zijn, die wezenlijk hetzelfde doen als hier door het N.S.B. program zoo streng wordt afgekeurd in hen, die zich in het leger eene positie verwierven, hoewel zij principieel in het leger in het geheel niet thuis behooren. Immers, er zijn nog al wat Hervormde predikanten, zedelijk geroepen om de leer der Kerk te prediken en die van hunne positie misbruik maken door juist de kerkleer te bestrijden. Het leger is waarlijk niet het eenige gebied, waarop zulke onzedelijke daden geschieden. Wij zijn er dan ook zeker van, dat als de heeren predikanten der Hervormde Kerk eens met dezen maatstaf der N.S.B. gemeten werden, er eene ware exodus van dominees zou plaats hebben. Het zou te wenschen zijn, dat deze door de N.S.B. in haar program aangegeven voorbeelden van dominees en pastoors in hunne onzedelijke onwaarachtigheid maar eens werden ter harte genomen! Er zou groote blijdschap heerschen over deze bekeering van velen van de onwaarachtigheid tot de waarheid.
Maar de klacht, die de N.S.B. uitspreekt tegenover verkeerde elementen in het leger, is gegrond, even gegrond als die van onze Hervormde Gereformeerde menschen over hen, die in de Kerk binnengetreden zijn onder de belofte van-haar te zullen dienen in overeenstemming met de leer der Kerk en die dit blijkbaar zoo verstaan, dat het prediken van de leer hetzelfde beteekent als het prediken van hetgeen de leer niet is. In de Kerk is dit verderfelijk, voor de personen, die het doen, zoowel als voor het leven der Kerk. En dat het nu in het leger gebeurt en ook nog wel op ander gebied, is voor geen klein deel te danken aan het slechte voorbeeld, dat de Herv. Kerk in dit opzicht te zien geeft. De Hervormde Kerk, die uit zedelijk oogpunt een exempel moest geven, heeft ook door hetgeen zij zelve toelaat een mentaliteit aangekweekt, die het met de waarachtigheid niet te nauw neemt. Hetgeen er in het leger gebeurd is en nog gebeurt, heeft dan ook op kerkelijk gebied een leerzaam exempel gehad, dat door de kweekelingen dezer predikanten in het leger naarstig is gevolgd.
Uit den aard der zaak zijn wij het ook met het N.S.B. program daarin eens, dat „de jonge mannen van de lichting, die niet tot de weermacht worden toegelaten, op andere wijze aan hunne verplichting voldoen" moeten. Wie niet werkt, zal ook niet eten. Deze oude stelregel behoort ook heden ten dage in eere gehouden te worden. En de jonge menschen, die zich veel te vroom en te braaf achten om aan de verdediging van de levensbelangen der natie mede te werken, behooren niet daarom een gemakkelijk en lui leventje te kunnen leiden, terwijl de anderen op de bres staan. Zij moeten dus op andere wijze hunne verplichtingen nakomen.
In de eerste plaats komt het mij voor, dat zulke jongemannen voor goed van allen gewonen staatsdienst behooren te worden uitgesloten. Zij moeten geenerlei ambt, welk ook, kunnen bekleeden in dienst van gemeente, provincie en staat, moeten geenerlei functie in onderwijs, hooger, middelbaar of lager onderwijs, kunnen hebben.
Wie niet beseft, dat hij als burger van den staat den plicht heeft ook het volksleven te verdedigen, wanneer het door vreemde macht bedreigd wordt, mist de eigenschappen, die een goed ambtenaar en opvoeder bezitten moet om zijne taak waardiglijk te vervullen. Wie zich daarvoor beroept op zijne levens- en wereldbeschouwing, op „zijn geweten", moet dan ook den moed hebben alle gevolgen daarvan te dragen. Dergelijke menschen moeten zeiven begrijpen, dat zij, die antimilitarist zijn en het volksleven niet willen verdedigen met de wapenen, ook van den Staat geen ambt moeten verwachten.
Wie den Staat tot machteloosheid doemt, zcoals dit thans door allerlei anti-militaristische bewegingen wordt gepropageerd, moet zelf zoo eerlijk zijn ook van den Staat geen andere betrekking te willen aanvaarden. Een machtelooze staat is een onding en de man, die propageert, dat de staat niet gewapender hand mag optreden, omdat er nooit of te nimmer iemand mag worden gedood, maakt den staat tot een machteloos instituut, is in wezen een anarchist. Hij moge deze leer hullen in allerlei bijbelteksten en vrome phrasen, deze leer is een anarchistische leer, die met Gods Woord in lijnrechten strijd is.
In dit opzicht kunnen wij dus met de critiek der N.S.B. op onze tegenwoordige legertoestanden en op het gesol met de levensbelangen van staat en volk, volkomen instemmen. Er behoort inderdaad een einde te komen aan een propaganda van ongehoorzaamheid of, zooals de sociaal-democratische leiders nog kort geleden zeiden: „dappere ongehoorzaamheid". En zij, die een dergelijke leer, in welken vorm dan ook, propageeren, behooren van allen staatsdienst uitgesloten te worden, moesten, als zij mannen zijn, die zeiven geacht willen worden te begrijpen wat zij doen, zoo eerlijk zijn, dat zij geen cent van den staat meer wilden ontvangen.
Het eerste is dus: zulke menschen behooren niet in staatsdienst en moeten dus begrijpen, dat zij zichzelven daarvan uitsluiten, omdat het vanzelf spreekt, dat de staat slechts menschen in dienst kan hebben, die grond geven voor het vertrouwen, dat zij hem en daarmede het volk dienen in de overtuiging alzoo hunnen plicht te doen. Doch met deze negatieve houding is nu de moeilijkheid niet opgelost. Wie niet wil medewerken aan de verdediging des vaderlands, waarvoor andere menschen hun leven moeten inzetten, behoort zijn leven lang ook lasten te dragen, die eene compensatie vormen voor het nalaten hunner militaire verplichtingen. Dit zou kunnen geschieden, als zij over middelen beschikken, door een buitengewone belasting. Het gaat toch immers niet aan dergelijke menschen te laten genieten van de weermiddelen der regeering, zonder dat zij, die betalen kunnen en van hun vermogen genieten, mede ook omdat de staat dit door zijne weermacht beschermt, daarvoor extra belast worden. Dit is volkomen billijk.
En in de tweede plaats zijn er behalve de vijanden, die met de wapenen ons volk en land bedreigen, ook nog de gevaren, die Nederland bedreigen tengevolge van zijne lage ligging. En er is geen bezwaar tegen, dat zij die weigeren de wapens te dragen en daarmede het vaderland te verdedigen, geroepen worden om met de spade en met den kruiwagen en met handwerk land en volk tegen de aanvallen van rivieren en zee te verdedigen. Onder strenge tucht kunnen ook zij op deze wijze te werk worden gesteld in het belang van ons volksleven.
En eindelijk komt het mij voor, dat de omstandigheden, waaronder de volken thans leven, van dien aard zijn, dat er gedacht behoort te worden aan eene weerbaarmaking van het geheele volk, zooals dit in een land als Frankrijk reeds wordt in uitzicht gesteld.
De moderne techniek is in den modernen krijg een factor van overwegend belang. En deze is het, die dus als de nood aan den man komt, moet kunnen beschikken over de hulp en den bijstand van allen, die geschikt geacht kunnen worden. In de dagen van nationale benauwdheid moet de regeering zeker kunnen zijn van den steun, dien ons volk haar waarlijk bieden kan.
God verhoede, dat het ooit noodig wordt en Hij beware ons bij den vrede, maar Hij moge ons ook doen verstaan, dat wij, zooals wij den zedelijken plicht hebben, ons leven tot het uiterste te verdedigen, wanneer krankheid ons aantast, wij ook als volk van Godswege de roeping hebben het volksbestaan te verdedigen, wanneer dit door buitenlandsche overweldiging zou worden bedreigd. Gods Woord toovert ons geen valsch idealisme voor. Het komt tot ons te midden dezer werkelijkheid, veronderstelt een wereld onder de macht der zonde en het leert ons, onder allen strijd en moeite, onze hope stellen op God. Heeft niet Mozes gezongen: De Heere is mijne kracht en lied en Hij is mij tot heil geweest; deze is mijn God, daarom zal ik Hem eene liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen! De Heere is een krijgsman, Heere is zijn Naam!

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 juni 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De N.S.B. en wij. - XIV.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 juni 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken