Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

1 Cor. 3 : 11-15

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

1 Cor. 3 : 11-15

11 minuten leestijd

Het gebruik van de loon-gedachte in de verdere geschriften des N. T. — Paulus vraagt onze aandacht nog afzonderlijk biedt geen moeilijkheden in verband met het reeds besprokene. In het evangelie van Johannes en de algemeene Zendbrieven van Petrus en Jacobus ontbreekt het w o o r d geheel. Niet echter de z a a k van de genaderijke vergelding. Denk maar aan Joh. 12 : 26: „Zoo iemand mij dient, die volge mij, en waar ik ben, aldaar zal ook mijn dienaar zijn. En zoo iemand mij dient, de Vader zal hem eeren." Dit eeren des Vaders is toch niets anders dan de vergelding des loons.
1 Petr. 5 : 4 En als de overste herder verschenen zal zijn, zoo zult gij de onverwelkelijke kroon des levens behalen." Dit behalen wijst ons op den weg, waarin de Kroon wordt verworven; na wettigen strijd.
Jac. 1 : 12: Zalig de man, die verzoekingen verdraagt, want als hij beproefd zal geweest zijn, zoo zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.
Jacobus wijst bovendien ook op de begeleidende ervaring der genade in het volbrengen van Gods wet. Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, en daarbjj blijft, deze, geen vergefelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen. (vs. 25.)
Als hulpmiddel om te volharden in den worstelstrijd des geloofs, wordt het loon genoemd in 2 Joh. vs. 8. Ziet toe voor uzelve, dat wij niet verliezen hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen."
In den brief aan de Hebreeën wordt zoowel de loonvoorstelling gebezigd om de gerichtelijke vergelding als de genadevolle belooning aan te duiden.
„Want indien het woord door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding heeft ontvangen, hoe zullen wij ontvlieden indien wij op zoo groote zaligheid geen acht nemen. Hebr. 2 : 2 . — Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte, want hij zag op de vergelding des loons. Hebr. 11 : 26.
De Openbaring van Johannes verbindt met den grooten dag der vergelding de toewijzing des loons aan Gods knechten. „En de volkeren waren toornig geworden en uw toorn is gekomen, en de tijd der dooden om geoordeeld te worden en om het loon te geven uwen dienstknechten den profeten en den heiligen en dengenen die uwen naam vreezen, den kleinen en den grooten, en om te verderven degenen, die de aarde verdierven."
In de brieven van Paulus treffen we verscheidene plaatsen aan, die rechtstreeks ons huidig onderzoek raken en waarvan wij de voornaamste willen nagaan, voor zoover ze in ander verband nog niet ter sprake kwamen.
Op den voorgrond staat hierbij, dat het heil, hetwelk de Heere schenkt aan Zijne kinderen, louter genade is. Van eenige verdienste is daarbij geen sprake en kan geen sprake zijn. Rom. 6 : 23: Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere. De genade nu kan onmogelijk gesteld worden onder het gezichtspunt van een loon voor welks mededeeling een verplichting zou bestaan uit de werken. Rom. 4 : 4 : Nu, dengene die werkt wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld; doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem die den! goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof tot gerechtigheid gerekend." Wanneer deze grondgedachte des evangelies ook maar in een enkel opzicht wordt verzwakt of prijsgegeven, wordt het evangelie volkomen vernietigd, en de dood van Christus van zijn waarde beroofd. Gal. 2 : 21: Ik doe de genade Gods niet teniet. Want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zoo is dan Christus tevergeefs gestorven."
En wat het zedelijk handelen betreft, stelt de apostel den grondslag daarvan in de barmhartigheid Gods. Rom. 12 : 1: Hij wijst ons ook op de verbinding met den dood van Christus. 1 Cor. 7 : 23: Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten der menschen.
Ook wordt een motief ontleend aan de dankbare erkentenis van Gods liefde. Col. 3 : 12: Zoo dan doet aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid: verdragende elkander en vergevende de een den ander, zoo iemand tegen iemand eenige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzoo."
Het ligt thans niet op onzen weg in den breede aan te toonen, dat — om de woorden van onzen catechismus te gebruiken — de werken onze gerechtigheid voor God niet kunnen zijn, noch een stuk daarvan. Wij kunnen ons bepalen tot de leer van loon in het genadeverbond en de beteekenis daarvan.
We herinneren er aan, dat naar schriftuurlijk beginsel de werken niet gescheiden kunnen worden van den persoon en het ééne werk niet van het andere kan worden losgemaakt. De Schrift waardeert het menschelijke leven organisch, als eene eenheid. Dit geldt van de onherboren verdorven natuur, maar evenzeer van de herschapen natuur door den Heiligen Geest; levend uit de gemeenschap met Christus; want zij zijn geschapen in Christus Jezus tot goede werken welke God voorbereid heeft, opdat zij in dezelve zouden wandelen. Doch dit gaat niet dynamisch toe. Dat wil zeggen: het gaat niet zóó vanzelf als bij het vallen van een steen. De mensch is en blijft een redelijk-zedelijk schepsel. Als zóódanig handelt de Heere met hem krachtens scheppingsordinantie. Daarom kan er ook sprake zijn en is er plaats voor vermaning en opwekking. „Blijft in Mij en Ik in u, zoo draagt gij veel vrucht." Zoo Maln de Schrift; spreken van verachtering in de genade. Het leven van Gods kind is een leven, opbloeiend uit één beginsel, geregeld door één regel, en zich uitstrekkend tot één doel.
Dit levensdoel ligt niet op aarde, in dit leven, in eenig schepsel, doch in God, die de oorsprong is aller dingen en dus ook het einddoel, het hoogste goed, dat alle goederen omsluit, de Eeuwige, tot Wien al het eindige wederkeert. Op dat einddoel gericht krijgt alles zijn bepaalde plaats, het gebed en het gebod, de godsdienst en de zedelijkheid. (VgL Dr. Bavinck Dogmatiek" IV- blz. 287.)
Daaruit volgt reeds aanstonds, dat op het gebied der religie en des zedelijken levens van loon naar werken, in strikten zin, nooit sprake kan zijn, want God kan en behoeft in eigenlijken zin niet van menschenhanden gediend te worden, alzoo Hijzelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft. Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat wij rechtvaardig zijn, of gewin, dat wij onze wegen volmaken? Job 22 : 3. Als wij alles gedaan hadden wat we schuldig waren te doen, zouden we nog slechts onnutte dienstknechten zijn. Wij zijn rechtens schepselen Gods; Zijn eigendom. Daarom heeft de Heere recht op alles, wat wij hebben en zijn. Daar wij Hem toebehooren, kan Hij op Zijn beurt ons in geenen deele iets verschuldigd zijn. God heeft uit dat oogpunt bezien, geen enkele verplichting aan ons, tenzij Hij zich vrijwillig verbinde. Wij zien derhalve, dat de bedorven hoogmoed dergenen, die zich bij God verdienstelijk meenen gemaakt te hebben, zoodat zij Hem zich verplicht rekenen, veroordeeld wordt; en toch is geen ondeugd algemeener dan deze vermetelheid. Wij moeten ons houden aan de uitspraak van Christus, dat wij Gode niets uit onszelven toebrengen, maar onder die voorwaarde onder Zijn bestuur staan, dat wij al wat in ons is, aan Hem verschuldigd zijn. De mensch kan niets van God eischen in dien zin, als zou hij iets verdiend hebben. De verplichting, die God op zich neemt, is een vrijwillige, omdat Hij souverein is. Dit was reeds het geval in het werkverbond. Er is echter wel verband tusschen werk en loon; doch geen evenredig, noch strikt oorzakelijk verband in het verbond der genade.
Hoe milder zich God jegens Zijn kinderen gedraagt, hoe meer zij Hem verschuldigd zijn. Uit het woord l o o n besluiten wij dus allerminst, dat onze werken de oorzaak zijn, van onze zaligheid. Laat vooreerst dit in onze harten vaststaan, dat het Koninkrijk der hemelen niet is een bezoldiging van dienstknechten, maar een erfdeel van kinderen, hetwelk alleen zij genieten zullen, die door den Heere tot kinderen zijn aangenomen; en dat om geen andere oorzaak dan om deze aanneming. Want niet de zoon der dienstmaagd zal erfgenaam zijn, maar de zoon der vrije.
Er is dus sprake van vergelding eener erfenis; zoo wordt derhalve alles aan de aanneming Gods toegeschreven... Daarom mogen wij vrijelijk, naar het voorbeeld der Schrift, het eeuwige leven een vergelding noemen; omdat de Heere daarin de Zijnen uit de moeilijkheden tot de rust, uit de verdrukking tot een heilrijken en gewenschten staat, uit de droefheid tot de vreugde, uit de armoede tot den overvloed, uit de oneer tot de heerlijkheid overzet, en in één woord alle onheilen, die zij verduurd hebben, met veel grootere goederen verwisselt. Zoo zal er ook geen zwarigheid in liggen, als wij de heiligheid des levens houden voor eenen weg, niet waardoor de toegang tot de heerlijkheid en het Koninkrijk der hemelen geopend wordt, maar door welken de uitverkorenen door hunnen God tot derzelver openbaring geleid worden, overmits het Zijn welbehagen is, hen, die Hij geheiligd heeft, te verheerlijken Daar is niets klaarder dan dat er aan de goede werken loon beloofd wordt, om met eenige vertroosting de zwakheid van ons vleesch te verlichten en niet om onze harten met roem op te blazen...
Wanneer dan de Schrift zegt (2 Tim. 4 : 8) dat God, die een rechtvaardig Rechter is, den Zijnen hiernamaals de kroon der rechtvaardigheid geven zal, zoo antwoord ik niet alleen met Augustinus: Wien zou de rechtvaardige Rechter de kroon geven, zoo de barmhartige Vader de genade niet gegeven had? En hoe zou er rechtvaardigheid kunnen zijn, zoo de genade, die den goddelooze om niet rechtvaardigt, niet voorafgegaan was? Hoe zou die als verdiend gegeven worden, indien de laatste niet als onverdiend gegeven werd? Maar ik voeg er nog dit bij: Hoe zou Hij onze werken de rechtvaardigheid toerekenen, indien Hij de onrechtvaardigheid, die in dezelve is, door Zijne goedertierenheid niet verbergde? Hoe zou Hij dezelve belooning waardig keuren, indien Hij dat, wat in dezelve strafwaardig is, door zijne oneindige goedheid niet wegnam? (Calv. Inst. III, 18,4 en 5).
Niet anders spreekt ook Paulus over het genadeloon en de vergelding der werken, dan wij in het onderwijs van den Heere Jezus reeds hebben gevonden.
Bij de behandeling van de dubbele lijn der vergelding der werken van goddeloozen en rechtvaardigen werden reeds een reeks Schriftuurplaatsen besproken. God vergeldt een iegelijk naar zijne werken. Rom. 2 : 6. Van den rechterstoel van Christus draagt een iegelijk weg hetgeen in het lichaam geschied is, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. 2 Cor. 5 : 10. De mensch maait wat hij heeft gezaaid enz. Gal. 6 : 7. De apostel stelt de zaligheid voor als een kampprijs waarom geworsteld moet worden. 1 Cor. 9 ; 24 en Fil. 3 : 13. Weet gijlieden niet, dat, die in de loopbaan loopen, allen wel loopen, maar dat één den prijs ontvangt? Loopt alzoo, dat gij dien moogt verkrijgen."
En in 2 Cor. 4 : 17 zegt hij: „Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een zeer uitnemend gewicht der eeuwige heerlijkheid: dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen, die men nieü ziet; want de dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig." — „Dewijl ons vleesch altijd zijn verderf vliedt, hoedanig het loon ook is, dat voorgesteld wordt, en wij veel meer bewogen worden, door het tegenwoordig gevoelen, dan door de hope der hemelsche goederen, daarom vermaant Paulus, dat de verdrukkingen en zwarigheden der godzaligen geen of zeer weinig bitterheid hebben, zoo zij bij het oneindige goed der eeuwige heerlijkheid vergeleken worden. Hij had gezegd, dat de verderving van den uitwendigen mensch ons niet behoort zwaar te zijn, dewijl de vernieuwing van den inwendigen mensch daaruit spruit... Waaruit komt het, dat lijdzaamheid zulk een zware zaak is, anders dan omdat wij bij een klein gevoel des kwaads verschrikken, en onze gedachten niet hooger opheffen? Zoo zijn dan de verdrukkingen een weg waardoor de godzaligen in het rijk der hemelen ingaan. (Calv. t-p.)

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 juli 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

1 Cor. 3 : 11-15

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 7 juli 1934

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken