Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De theologie van Dr. Karl Barth XIII

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De theologie van Dr. Karl Barth XIII

7 minuten leestijd

Prof. B. komt nu tot een derde punt. Hij zegt: ,,God zelf is de Geopenbaarde", (blz. 138). Dat kan men zoo zeggen. Als God Zichzelf openbaart, dan is Hij tegelijkertijd de Openbaarder en de Geopenbaarde. In verband met hetgeen in de vorige bladzijden werd opgemerkt omtrent het kennen ten deele, vergete men niet, dat God ongetwijfeld zich zelf op zulk een wijze openbaart, dat men niet maar een stukje van God leert kennen door de openbaring. Men leert God kennen. Het besef van den primitieven mensch is Godsbesef, besef van denzelfden God, dien de profeten kennen, doch van Wien dezen nochtans een meer volkomene kennis dragen. Ook de God der profeten blijft een verborgen God, die in wolken van donkerheid woont. De Schrift spreekt dan ook van het kennelijke Gods, d.i. dus datgene, wat het menschelijke bewustzijn van de Godsopenbaring opvangt. Het kennelijke Gods heeft bovendien betrekking op een daad van God zelf. God maakt zich kennelijk, in de openbaring is zulk een actie Gods, waardoor Hij in het bewustzijn van den mensch het kennelijke stelt en kennelijk maakt. Ook in dien zin begrepen, kunnen wij dus wel zeggen, dat de openbarende God ook de geopenbaarde God is, omdat niemand van het kennelijke Gods kon spreken, zoo God zich niet als zoodanig gaf.
Prof. Barth wil nog wat anders van de openbaring. Gods openbaring is niet hetzelfde als verlichting des verstands en in actie zetten van den religieusen aanleg van den mensch (138). Wel vindt ook dit plaats, maar dat is niet alles. Want Gods werk in de openbaring is Gods persoon, zoo zegt hij. Nu kan het niet anders, of Gods persoonlijkheid spreekt in het werk der openbaring. Een aardsche kunstenaar legt zijn persoonlijkheid in zijn werk. Op die wijze kan het ook van God verstaan worden, dat Hij Zijn persoonlijkheid in het werk Zijner handen legt. Men zij echter voorzichtig met zulke uitdrukkingen. Naar Calvijn zouden wij willen opmerken, dat men op vrome wijze zooiets wel kan zeggen, maar het geeft aanleiding tot misverstand. Nooit mogen wij God met Zijn werk vereenzelvigen. Hij is en blijft van Zijn werk onderscheiden en wij moeten ons er van bewust zijn, dat het eerste en voornaamste stuk der religie juist medebrengt de ootmoedige erkentenis, dat God oneindig boven de werken Zijner handen is verheven.
Prof. Barth heeft echter een ander begrip van religie dan de H. Schrift en de gemeente der eeuwen. Hij noemt de religie een bijzondere functie van de rede (138). Daarin schuilt een groot gevaar. Want als de religie een werking der menschelijke rede is, wordt heel het religieuse leven in de sfeer van het menschelijke verstand en redeleven gelegd. Dan is dit laatste de eigenlijke bodem, waaruit ook de religie opkomt en het is de vraag, wat dus wel de zelfstandige en centrale beteekenis van de religie moet zijn. Die is opgeheven en tot een bijzonder departement van de verstandelijke werkingen gemaakt.
De H. Schrift leert de dingen juist andersom. Zij kent aan de religie ook zeker een kennende functie toe. Het religieuse leven brengt een eigen religieuse kennis mede. Zij spreekt van verlichting des verstands. Het redewezen van den mensch door de schepping op een Godskennisse toebereid is ook voorzien van het vermogen, hetwelk op de kennis der goddelijke dingen was gericht. Wanneer de H. Geest Zijn wederbarende kracht aan de menschelijke ziel werkzaam maakt, wordt dat vermogen vernieuwd en zoo brengt de religie ook een nieuwe kennis voort.
Religie staat dus niet tegenover de openbaring, maar religie is openbaring en openbaring is religie. Immers de religie is gemeenschap met God en gemeenschap met God is Godsopenbaring. In die Godsgemeenschap is en blijft God een andere dan de mensch. Hij staat tegenover hem en de mensch tegenover Zijn God, als persoon tegenover persoon. En tóch, zal ook de waarachtige vroomheid toegeven, dat God werkt beide het kunnen en volbrengen.
Prof. Barth wil er vooral den nadruk op leggen, dat God ook in het menschelijk kennen van God de Openbaarmaker en de Geopenbaarde is. God zelf voert als het ware een proces in den mensch. God is tegelijkertijd de Kennende en de Gekende, en dat nu is juist het punt, waarin de schriftuurlijke religie het met Prof. B. niet eens is. Hierin is het eeuwige leven, dat zij U kennen den eeuwigen en waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.
Reeds telkens hebben wij er op gewezen. Het is dezelfde zaak, die ook in den scheppenden arbeid Gods aan de orde is. God de Heere is ook de Schepper, Levenwekker, Kennisverwekker van het heelal en in het heelal. Zonder de scheppende en onderhoudende werkzaamheid Gods zouden wij ook van de wereld, waarin wij leven, geen kennis dragen. Ook daar is God het Leven van alle leven, de Werker van alle dingen. Maar ook in dat alles blijft Hij onderscheiden van Zijn maaksel en zoo is het ook in de religie. Ook het religieuse leven der wedergeboorte is een werk Gods, maar zoo, dat Hij onderscheiden blijft van Zijn maaksel en juist dat moet men voor oogen houden.
God de Heilige Geest maakt woning bij Gods kinderen. Het hier gebruikte beeld geeft de onderscheiding reeds duidelijk aan. God de Heere woont in bij de Zijnen door Zijn Heiligen Geest. Dat is juist het stuk, dat door de Reformatoren zoo goed werd verstaan en reeds bij de voorloopers der Reformatie kan men dat vinden. Men denke aan het schoone boekske van Thomas a Kempis: ,,De navolging van Christus", hetwelk een duidelijk getuigenis geeft van de behoefte aan dat werk van Gods Geest en de wijze, waarop dit wordt ervaren.
Het is deze mystieke gemeenschap, welke door de dialectische theologen wordt voorbij gezien en miskend, ja schier geheel ontkend. De Godsopenbaring, het spreken Gods in en door Zijn openbaring is geen functie van ons bewustzijn, zegt Prof. B. (139). Dat is ook zoo, het is Gods werk, maar het menschelijke bewustzijnsleven wordt daarbij betrokken. Het weten, dat God spreekt, de kennis van Zijn deugdenbeeld, de kennis ook van Zijn verborgen omgang, dat alles is toch een geschieden in het menschelijk zieleleven, waarvan hij zich bewust is.
Prof. B. gevoelt ook zelf wel iets van de moeilijke situatie, waartoe zijn redeneering aanleiding geeft. Want immers als hij eerst betuigd heeft, dat God object en subject Zijner openbaring is, dan gaat hij naar den anderen kant over en zegt: Men wachte er zich ook voor te meenen, dat de Godsopenbaring een ledig vat is, dat dan weer gevuld moet worden door hetgeen Hij openbaart.
Prof. B. schijnt zich ongerust te maken, wegens het gevaar, waarin de laatste geslachten zijn gevallen, n.1. dat zij de geheele wereld en den mensch met God vereenzelvigen. Dat is inderdaad een menschelijke hoogmoed, welke niet alleen alle ware religie heeft ondermijnd, maar ook een goddeloosheid, die de moderne wereld ten val heeft gebracht. Het heeft zijn goed recht daartegen te strijden, doch niet alzoo, dat ook de heerlijkste gaven Gods in het Evangelie des Kruises, d.i. in den Zoon Zijner liefde geschonken, worden veronachtzaamd en van haar kracht beroofd, zoo dat mogelijk ware. Het heeft er heusch iets van, dat hij in een luchtledige opereert als hij van openbaring spreekt.
Hij is zich er van bewust, dat hij eigenlijk niet van God kan spreken, en zeker niet op een volkomene wijze, gelijk met het eeuwige Wezen Gods overeenstemt. Desniettemin wil hij veel te veel over God spreken.
Het is Calvijn ook niet onbekend, dat wij niet weten, hoe God de Heere bij zich bestaat en hoe Hij op zichzelf in Zijn eeuwig Wezen is. Maar Calvijn doet dan ook niet alsof het op een dialectische wijze toch wel zou kunnen. Calvijn wijst er op, dat de Heere zich in Zijn Woord openbaart, niet hoe Hij op en voor Zichzelf is, maar hoe en wie Hij jegens ons is.
Van die kennis, hoe de Heere God jegens Zijn schepsel is, geeft Calvijn een onderwijzing, zoo wel omschreven en zuiver uitgewerkt, dat zij niet alleen voor het leven der kerk na de reformatie van het grootste gewicht is geworden, maar ook op het cultuurleven der volkeren, die zijn leer hebben aangenomen, een invloed ten goede heeft uitgeoefend, welke tot op den huidigen dag nog haar sporen heeft nagelaten.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 juli 1935

Gereformeerd Weekblad | 10 Pagina's

De theologie van Dr. Karl Barth XIII

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 juli 1935

Gereformeerd Weekblad | 10 Pagina's

PDF Bekijken