Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis X

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis X

13 minuten leestijd

Het zal onzen lezers duidelijk zijn geworden, dank zij de strikt objectieve weergave van de beschouwingen, die ik meer dan 30 jaren geleden in de brochure Grijpt als 't rijpt heb gegeven, dat de antirevolutionaire leiders zich daarop niet kunnen beroepen. En datzelfde geldt eveneens van de theologen, die steeds opnieuw behoefte blijken te gevoelen de willekeurige amputatie, die door de synode van 1905 op de belijdenis werd toegepast, goed te praten. Dit Vandalisme is niet goed te praten, want het is een daad van willekeur geweest, welker wortelen waarschijnlijk in politieken bodem schuilden. Wanneer dan ook van antirevolutionaire zijde er nadruk op gelegd wordt, dat de politieke partij niets met de kerkelijke belijdenis te maken heeft, noch ook met de op kerkelijk gebied voltrokken wijziging der belijdenis, dan staat daartegenover de vraag, of het omgekeerde ook waar is, namelijk of de politiek wel zoo onschuldig is aan het proces der verandering van artikel 36 der confessie. Er is hier eene wisselwerking, waardoor verklaard wordt, hoe de behoefte aan die wijziging zoo sterk gevoeld werd. En het ligt voor de hand, dat als zulk eene behoefte zich omgezet heeft in eene begeerte, die op hare beurt geprikkeld wordt door actueele belangen, men er allicht toe komen kon om de gronden voor die begeerte in de Schrift te lezen. Het komt mij daarom voor, dat wij ons ten zeerste moeten wachten onze begeerten in de Schrift in te leggen, om deze er dan later op eene triumpantelijke wijze weer uit te voorschijn te tooveren. Wij mogen de Schrift niet als een magazijn van motto's beschouwen en behandelen. Een dienaar des Woords heeft de roeping zich daarvoor zorgvuldig te wachten. De tekst mag geen motto zijn, dat ons dient om onze theorieën, idealen en wenschen in een goddelijk licht te stellen. Ik zou niet durven zeggen, dat zulks niet gebeurt. Ik zou zelfs niet durven zeggen, dat gereformeerde predikanten dit wel eens niet vergeten. Het komt zelfs voor, dat de prediker zijn tekst geheel vergeten schijnt. Doch dan maakt hij zich schuldig aan toedoen en afdoen aan Gods Woord. Gods Woord moet tot ons spreken en de belijdenis der Kerk heeft der gemeente als in een summa den inhoud van Gods openbaring voor te leggen, opdat de groote hoofdlijnen daarvan ons steeds klaar voor oogen zullen staan. En zoo lag het dus voor de hand, dat men ook, toen het op de schrapping der befaamde woorden aankwam, schriftuurlijk licht daarover poogde te ontsteken. En zoo hebben dan ook de Adviseurs na de historische toelichting de vraag aan de orde gesteld, of die gewraakte woorden uit art. 36 conform den Woorde Gods zijn of niet. En aangezien deze Heeren allen met de vooropgezette meening stonden, dat zij niet naar den Woorde Gods waren, lag de conclusie voor de hand.
Zij wezen er, zooals ik opmerkte, terecht op, dat een beroep op de theocratische rechtsbedeeling en wetgeving in oud-Israël niet zonder meer kan worden toegepast op onze overheid. Welnu, de juistheid daarvan zal wel niemand ontkennen. Het zou eene miskenning zijn van de Schriftuurlijke onderscheiding tusschen de bedeeling onder het Oude en het Nieuwe Verbond. Zegt niet de Hebreën-brief: ,,Een nieuw verbond, zoo heeft Hij het eerste oud gemaakt: dat nu oud gemaakt is en verouderd is nabij de verdwijning!" Het lag dus voor de hand, dat ik er op wees, hoe in Oud- Israël volks- en religieuse gemeenschap één waren. De Israëliet was ook lid van de godsdienstige volksgemeenschap, evenzeer als hij door geboorte en besnijdenis Israël als volk ingelijfd was. En zoo heb ik er ook op gewezen, dat de verschijning van Christus een diepgaande wijziging te weeg bracht. Die uit Abrahams geloof zijn, zijn Abrahams kinderen. Het geestelijke Israël trad op den voorgrond, nam de bijzondere plaats in door zijn geestelijk particularisme. De verschijning der Christelijke kerk onder alle volken, tongen en natiën, had uit den aard der zaak ten gevolge, dat hetgeen aan Israëls politiek volksbestaan herinnerde, wegviel. De gemeente van Christus is niet opgetreden als een politieke grootheid, maar als eene gemeente, welker hoofd Christus is en die te midden dezer wereld hare roeping heeft te volbrengen. En zoo wees ik er op, dat de Kerk van Christus als zij optreedt in de wereld de heidensche overheid vindt. De Adviseurs hebben ongeveer hetzelfde gezegd, wat trouwens van zelf spreekt. De geschiedenis laat geen ander beeld zien.
En zoo hebben de Adviseurs verschillende plaatsen aangevoerd, die moeten uitwijzen, dat de overheid de Kerk niet mag beschermen op de wijze als ons in art. 36, zooals de Heeren dit verstonden, werd beschreven. En zoo kwamen zij er dus toe te concludeeren, dat de overheid niet is aangewezen om de Kerk des Heeren met het materieele zwaard te beschermen, noch ook om afgoderij en valschen godsdienst uit te roeien en het rijk van den Anti-Christ te gronde te werpen. En zij deden daarbij een beroep op Matth. 13 : 24—30, waar het Koninkrijk der hemelen vergeleken wordt met een mensch, die goed zaad zaaide in zijnen akker en toen de menschen sliepen, zaaide een vijand onkruid midden in de tarwe. En als deze dan is opgewassen, komt de vraag, of niet het onkruid moest worden uitgewied en de landman weigert dit en zegt: Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst en ,,in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen om hetzelve te verbranden, maar brengt de tarwe samen in mijne schuur." En zoo werd er ook nog op gewezen, dat God nergens aan de overheid de leiding des Heiligen Geestes heeft beloofd om de zuivere en de valsche Kerk te onderscheiden, zoodat er geen waarborg is, dat de overheid in hare keuze niet zal mistasten. Bovendien werd er de practische opmerking tot staving aan toegevoegd, dat de vervolging gewoonlijk de ketterij eer doet toe- dan afnemen. En op grond van deze opmerkingen trokken de Adviseurs dan de conclusie, dat „bedoelde woorden niet in overeenstemming zijn met Gods Woord. Wat héb ik nu in die brochure gezegd? Heb ik mij bij dit alles zonder meer neergelegd? Integendeel, ik heb het volgende gezegd: „Afgezien van het laatste argument over het toenemen der ketterij onder de verdrukking, dat meer een utiliteitsargument dan een schriftuurlijken grond vertegenwoordigt, komt het mij voor, dat de Schriftuurlijke vraag nog niet geheel is opgelost." Ik heb dus mijn twijfel uitgesproken, die opkwam uit mijne toen reeds ontwakende meening, dat de aangevoerde schriftuurplaatsen niet werden geïnterpreteerd in een algemeen schriftuurlijk licht. Natuurlijk was het juist om in dit verband te denken aan het karakter van Christus' Koninkrijk, maar zoo voegde ik er aan toe, „daarbij moet toch ook nog gelet op de vraag, of er niet een algemeen schriftuurlijk beginsel is, dat voor het Staatsleven en de staatstaak van beteekenis kan zijn." En wederom heb ik met nadruk op blz. 31 de vraag aan de orde gesteld: „Is het schriftuurlijk, gelijk oudtijds beweerd werd, dat de overheid niet slechts geroepen is de tweede tafel der wet te handhaven, maar ook de eerste?" Ik wees er op, dat als de overheid het huwelijksrecht regelen moet, diefstal weren, den doodslag straffen moet, den eed mag opleggen, zelfs voor onze eer en goeden naam waakt, „is het dan ook niet hare taak te waken voor alles wat de eere Gods raakt?" En ik legde er nadruk op, dat dit een uitgesproken beginsel der Vaderen is, dat zij aan een algemeen Schriftbeginsel ontleenden. „Van den neutralen Staat", zoo zeide ik, „kan dit niet verwacht worden, maar de neutrale Staatsidee wordt door het Advies verworpen." Ik heb dus reeds duidelijk te verstaan gegeven, dat ik mij met de wijze, waarop het vraagstuk schriftuurlijk belicht werd, nie't kon vereenigen, dat er in dit alles een innerlijke tegenstrijdigheid verborgen lag. Ik meende, dat men had nagelaten dit beginsel der Vaderen onder de oogen te zien. En ik heb nadrukkelijk gezegd, dat daarover noodzakelijk het licht moest opgaan. Als, zooals de Adviseurs onomwonden hebben gedaan, de neutrale Staatsidee als onschriftuurlijk moet worden verworpen, als de overheid dus wel van doen heeft met de eere Gods naar de eerste tafel der wet, hoe hebben wij ons dan die overheidstaak te denken? Hoever strekt die taak zich uit? En die vragen, meende ik, hadden de Adviseurs moeten beantwoorden. En bij dit alles heb ik geheel buiten beschouwing gelaten de vraag, of de Heeren art. 36 juist hebben gelezen en of het juist was, dat de overheid, volgens de leer der Vaderen, ,,ook met betrekking tot de eerste tafel het zwaard moet gebruiken." Ik heb dit daargelaten en mij bepaald tot de opmerking, dat het zeker wel juist was den aard van Gods Koninkrijk ook in aanmerking te nemen, al kan op deze wijze niet alleen het antwoord gegeven worden op de vraag naar de taak der overheid. Men had ook in het oog te vatten, zoo zeide ik, de verhouding, waarin de eerste gemeente zich tot de overheid stelde. En dit te meer, omdat die niet stond voor een Christelijke Overheid. En ik wees er op, dat wij daaruit konden leeren, hoe wij moeten staan tegenover eene neutrale overheid, die toch ook niet „Christelijk" genoemd kon worden, al was er in ons Staatsleven nog een en ander dat aan vroegere toestanden herinnerde. En zoo maakte ik enkele opmerkingen op de houding onzer Vaderen in de uiteenzetting van hetgeen zij in Art. 36 beleden, hoe zij zich beriepen op Oud-Testamentische voorbeelden en op die der keizers Constantijn de Groote en anderen, met voorbijgang van de eerste Christenen uit het N. Testament. En het lag voor de hand, dat zij dit daarom deden, omdat daaruit zoo weinig was te halen, dat steun bood aan hunne meening. En ik heb er in verband daarmede wederom nadruk op gelegd, dat wij thans in omstandigheden verkeerden, die overeenkomst vertoonden met die der eerste Christenen en er in de toekomst nog meer op zouden gaan gelijken.
Welnu, al wat ik destijds in die brochure geschreven heb, dat acht ik nog volkomen juist, al zou ik er thans misschien nog wat dieper op ingaan en bij later nadenken enkele uitspraken nog wat meer belichten. De ongenoegzaamheid van het Advies zou er waarschijnlijk nog duidelijker door aan den dag treden. W a t mij er destijds in tegenstond, dat was de ongenoegzame toelichting van het vraagstuk in zijn geheel en dus inzonderheid van de vraag naar die amputatie. Ik heb dan ook, al was het mij om den weinigen tijd, die mij tot beschikking stond, niet mogelijk tegenover dat Advies eene volledige afhandeling van het probleem te stellen (de Synode toch moest weldra vergaderen), zelfs nog enkele historische opmerkingen gemaakt, die als eene aanvulling van het Advies konden worden beschouwd. Zij dienden om mijne afwijzende houding te bevestigen, daaruit kon de ongenoegzaamheid blijken van het voorstel tot amputatie (blz. 33).
Zoo zeide ik: ,,In het N.T. worden wel voorschriften gegeven over de verhouding van de Christenen tot de overheid, maar omgekeerd wordt er van de overheid alleen gezegd: le. dat zij van God is; 2e. dat het hare taak is de goeden te beschermen en de kwaden te straffen: 3e. dat zij om Gods wil moet gehoorzaamd; 4e. dat haar schatting moet betaald worden; 5e. dat er voor haar zal gebeden worden. Dus zoo luidde mijne conclusie: „Hieruit volgt, dat naar de Schrift de overheid van de wijze, waarop zij hare taak vervult, Gode rekenschap schuldig is." Maar er volgt niet uit, dat er door de eerste Christenen aan gedacht is haar op te leggen, wat art. 36 van haar eischt. ,,En", zoo voegde ik er aan toe, ,,wij kunnen er zeker van zijn, dat wij hierover niet in het duister zouden gelaten zijn, indien het de meening des Geestes was aan de overheid dit alles op te dragen." Het zal dus duidelijk zijn, dat in de Schrift ons niet geopenbaard is eene tot in bijzonderheden afdalende staatsleer. Christus heeft bij Zijne verschijning een staatsleven en dus ook eene staatsorganisatie ge'vonden, zooals Hij optrad in een bepaalde maatschappij, zooals zij onder de Joden destijds bestond en zooals de eerste gemeenten deze vonden elk in hare omgeving. En Hij heeft tegenover die Staatsorde en die maatschappij geen andere staatsorde aangeprezen, noch ook eene andere maatschappij, maar Zijne verschijning en de in Hem gegeven openbaring Gods droeg beginselen in zich, die als een zuurdeesem hebben gewerkt geheel in overeenstemming met de gelijkenissen over het Koninkrijk Gods. En deze beginselen hebben in den loop der eeuwen allengskens het aangezicht der maatschappij onder de volkeren veranderd. De slavernij is verdwenen, hoewel geen apostel er een woord van heeft gezegd, dat zij verdwijnen moest. De waarde des menschen werd eene andere, ook de arbeid werd anders gewaardeerd, maar bevelen zijn er niet over gegeven. Zij waren de vrucht van de opstandingskracht des Heeren. En alzoo was het met den Staat ook. Er zijn geene blijvende preciese omschrijvingen gegeven, die ons tot in bijzonderheden inlichten over wat de overheid in deze te doen of te laten heeft. Maar, en daarop legde ik wederom nadruk: „de Christelij-ke overheid staat anders dan de niet-Christelijke. En wij kunnen van haar belijden, dat zij als alle menschen de roeping heeft om Christen te zijn, dat zij Gode verantwoording schuldig is."
Maar dan is het toch zeker wel duidelijk, dat ik in die oude brochure geene argumenten heb bijgebracht, die de amputatie op art. 36 hebben aanbevolen of gesteund, al zijn er wel. die uit deze zeer objectieve verwijzingen naar de Schrift, die dan worden uitgelegd naar de mate van hun eigen belang, honing meenen te kunnen puren tot streeling huns gemoeds. Ik zal dan ook niet ontkennen, dat de Heeren een weinig van dit zoet wel behoeven, nu het na deze 30 jaren blijkt, hoe absoluut verkeerd heel de gedragslijn geweest is, die zoowel op kerkelijk als politiek gebied te aanschouwen is gegeven. Prof. Dr. A. G. Honig, die van de Synode in art. 155 verlof ontving zijne verklaring af te leggen om uiting te geven aan zijne bezwaardheid over deze beslissing der Synode, daar hij zich niet kon vereenigen met de amputatie, ook al was voor hem, evenals voor mij, het Schriftprobleem niet opgelost, is de eenige in dien kring, die niet verantwoordelijk is voor de degeneratieve ontwikkeling, die uit deze verwringing der belijdenis is voortgesproten. Blijkbaar was hij de eenige, die niet bevangen was met politieke vooringenomenheid en die inzag, dat de eisch des beginsels nog iets anders is dan die der politieke belanger van het oogenblik.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 21 March 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis X

Bekijk de hele uitgave van Saturday 21 March 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken