Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis XI

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis XI

13 minuten leestijd

De 'wijze, waarop dus door het Advies de schrapping der befaamde woorden uit art. 36 op schriftuurlijke gronden werd aanbevolen, kon dus niet als afdoende worden aanvaard. En ik heb dit nadrukkelijk in het licht gesteld. De Oud-Testamentische toestanden hadden de bedoeling profetisch den komenden Messias af te schaduwen. Dat geldt van de ceremonieele wet, maar is ook van toepassing op geheel Israëls volksbestaan, op zijn koningschap niet minder dan op het verschijnsel der profetie en op zijn priesterschap. De politieke toestand is dus niet bedoeld als maatgevend voor alle volken en alle tijden. Doch dit beteekent natuurlijk niet, dat zij voor de Kerk des Heeren waardeloos zou zijn. Ook in die op Christus wijzende organisatie van het theocratisch levend Israël zijn ongetwijfeld zedelijke elementen, die voor de toekomst eene waarde hebben en dus ook voor ons heden ten dage nog van beteekenis zijn. In die schaduwbeelden was toch ook Christus' licht. Mozes en de profeten getuigen van Hem en dat getuigenis is door den Geest van Christus, die op de profeten was. Dien ten gevolge zijn er zedelijke gronden in de oud-Israëlietische levensorganisatie, waarop ook van toepassing is, evenals op Christus zeiven, dat zij gister en heden dezelfde zijn en tot in eeuwigheid. Ook van Israëls staatswezen geldt zulks. En daaronder behoort zeker wel in de eerste plaats de absolute souvereiniteit van God en de roeping des volks tot strikte gehoorzaamheid aan Zijn Woord. Daarin ligt ongetwijfeld opgesloten, dat ook de moderne Staat aan die normen onderworpen behoort te zijn. En in dit licht moet ook de Nieuw-Testamentische levens- en wereldbeschouwing worden gezien. De Kerk van Christus heeft dit dan trouwens ook steeds gedaan. En in die oude brochure heb ik daar in afwijking van het bekende aan de Synode van 1905 gegeven Advies nadruk op gelegd. En ik wees er op, hoe de Schrift duidelijk dit leert, „dat de overheid heeft toe te zien, dat zij de macht houdt om haar taak te volbrengen: bescherming van het goede, wreking van het kwade. En in den Staat is het de roeping der Kerk als een licht te zijn op den kandelaar. Zij heeft in te werken op het wereldproces, opdat de overheid, wier taak niet is theologisch, maar zuiver ethisch van aard, door den machtigen invloed van het Christendom wordt voorgelicht bij de vervulling harer roeping" (blz. 35). En ik voegde er aan toe, dat het uit elk oogpunt van het grootste belang is den invloed der Kerk zoo hoog mogelijk op te voeren, omdat daardoor de doorwerking van den Christelijken zuurdeesem ten zeerste zal worden bevorderd. Doch zoo besloot ik: ,,Ook uit de beschouwing van hetgeen het Advies zelf ons geeft, blijkt, dat het tot niets leidt de geïncrimineerde woorden uit Art. 36 te doen verdwijnen".
Nadat ik alzoo in het hoofddeel dezer brochure de amputatie had afgeraden onder toepassing eener critiek, die ik in hare strekking heden nog volkomen voor mijne rekening neem en welker gronden wetenschappelijk heden nog te verifieeren zijn, voegde ik er eene slotbeschouwing aan toe. die eene beknopte samenvatting inhield van mijne beschouwing om te besluiten met een aspect op politiek gebied met betrekking tot art. 36. Ik heb mijne bezwaren aldus samengevat en allereerst dus in het oog gevat den toestand van ons kerkelijk leven, zooals het zich, voor 30 jaren, dus aan mij voorstelde. Ik wees op de verscheuring der Kerk en hare desorganisatie, tengevolge waarvan niet alle Gereformeerden aan eene herziening der Belijdenis konden deelnemen en waarschuwde in deze woorden: „Voor de afwikkeling van het kerkelijk vraagstuk in gezonden zin, d.w.z. voor aller hereeniging op één kerkelijk erf, is dit niet heilzaam." Ik was er wel van overtuigd, evenals nu, dat die hereeniging een ideaal was, welks verwerkelijking zich niet weldra verwachten liet, maar, en zoo sta ik er nu nog voor, daarom mag het toch niet worden losgelaten. Het is een eisch van Gods Woord, dat Gods Kerk zich in eenheid, dat beteekent niet in eenvormigheid, zal openbaren.
Het beeld, dat nu het Gereformeerde volk te aanschouwen geeft, is bedroevend, is de karikatuur van een kerkelijk leven. De wilde scheidingsbeginselen hebben er dit van gemaakt. Men kon dat in 1905 zien werken als de splijtzwam en in 1935 natuurlijk nog veel meer. Want hoe meer de jaren voortschrijden, hoe meer het versplintert. Het werkt als een ontbindingsproces, dat niet eindigt, voordat het corpus geheel is verteerd. En zoo hebben we dan ook in de 30 jaren, die sinds verloopen zijn, gezien, hoe een reeks van nieuwe kerkformaties als paddestoelen opkwamen, maar al te vaak omdat er onder de Hervormden gebrek was aan gezonde gereformeerde prediking. Aan de Hervormde gereformeerden ontbreekt vaak eene leiding in de gemeente, die genoegzaam onderlegd is. En dat gebrek wordt niet verholpen door een schijn van gereformeerde vormen, terwijl uit alles blijkt, dat de gronden der leer, de fundamenten dus, waarop het al gebouwd moet, niet worden gekend, zooals zij in het leven van Gods volk door Woord en Geest zijn gelegd. En in deze omstandigheden, die in tal van gemeenten, vooral in groote steden, worden aangetroffen, ligt het voor de hand, dat de Hervormde Kerk zelve die afscheidingen, waaraan zij ten slotte finantieel ook verbloeden moet, in de hand werkt. In de groote steden vooral rekent men meestal uitsluitend met de belangen dergenen, die de macht hebben. De waarachtige volksnooden komen er niet in aanmerking. Het gaat er om de macht te benutten voor het eigen groepje en de macht te behouden. En aangezien principieele mannen van gereformeerde overtuiging de rechten der belijdenis plegen op te eischen, komen zulke mannen niet in aanmerking en worden de gereformeerden afgescheept vaak met enkele tamme zielen, die met gereformeerdachtigheid zich sieren en de machthebbers niet zullen deren. Doch het is geen wonder, dat juist onder zulk politiek gekonkel het volk verloopt, dat immers met zielehonger rondloopt en zoekt, totdat het ten slotte in een kleine formatie de rust heeft gevonden.
Maar door dit steeds meer scheiden en nog eens scheiden wordt de hereeniging van alle gereformeerden op een kerkelijk erf des te moeilijker. Doch al is het nu voor onze oogen onmogelijk, bij God is het toch niet onmogelijk, want het is de eisch Zijns Woords, dien Hijzelve door Zijne genadedaden, die dikwijls langs diepe wegen gaan, op Zijn tijd zal vervullen. Maar ik heb er in die brochure op gewezen, dat het daarom de plicht is van alle die gescheiden formaties zich weder van de roeping tot die eenheid bewusl te worden. En als wij nu over die voorbijgegane 30 jaren terugzien, dan is dit juist de groote dwaling geweest, die de ,.Gereformeerde kerken" op een doolweg bracht, dat zij zichzelven voorstelden als „de eenige gereformeerde", de nationale kerk. Hare zelfoverschatting, de miskenning van de werkelijkheid, leidden er toe om de kloven te verdiepen door het wilde scheidingsbeginsel, dat toch wezenlijk met Woord en belijdenis strijdt, als het eenig ware te proclameeren. En het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat de kans steeds grooter wordt, dat zij er zeiven door worden verscheurd. Men heeft aan het volk het scheiden als een weg Gods ingeprent, welnu de dagen zijn gekomen, waarop het op de scheiding zelve zijne funeste uitwerking doet gevoelen. Ik heb in die brochure „Grijpt als 't rijpt" er tegen gewaarschuwd en er voor gepleit, dat men in de scheiding zou blijven beseffen van de roeping tot hereeniging en er op gewezen, dat het streven zelf reeds het gunstig gevolg zou hebben, dat er dan van overleg tusschen de onderscheidene bewegingen weer sprake kon komen. De ..Gereformeerden" uit de scheiding van 1886 hebben er zich niets van aangetrokken, de amputatie op de belijdenis doorgezet terwijl er in hunne leerstellig omtuinde broeikas zich eene eigene leerplanting ontwikkelde, die de in vrijheid onder de tucht des Heiligen Geestes levende groepen elders, met name ook de Gereformeerden der Hervormde Kerk niet kon behagen. Er was een smaakje aan die vrucht, die hun gemoed niet streelen kon. omdat zij op eene beleving der confessie nadruk legden. Ik heb er op gewezen, dat de behoefte aan éénwording ook een geestelijke vrucht brengen zou, waardoor de tijd nader kon komen, waarin er, als er aan herziening der belijdenis wezenlijk behoefte bestond, sprake van komen kon. Ik legde er nadruk op in deze woorden: „Schuldbesef zou worden gevoeld en de klacht over de verscheuring van wat één is, zich omzetten in gebed om genezing der breuke des volks. Zoolang dit alles ontbieekt, is de tijd nooit geschikt om de belijdenisschriften te wijzigen." (blz. 37)
Daarenboven heb ik er nadruk op gelegd, dat het schrappen der woorden een inbreuk zou zijn op de organische eenheid der belijdenis, die zou leiden tot „eene verkrachting van de ware opvatting der Belijdenis. Zij bedreigt de toekomst der kerken." Welnu, wij zijn nu 30 jaren verder. Wie nadenkt en met de gave des onderscheids den tijd aanziet, zooals deze nu geworden is. moet dan niet erkend worden, dat ook deze waarschuwing in hare juistheid is bevestigd? Mijns inziens is het niet noodig van deze destijds geschreven woorden iets ook maar terug te nemen. De Heeren, die gaarne deze oude brochure uitbuiten voor hunne doeleinden, deden beter eens tot zichzelven in te keeren met de vraag, of de wijze, waarop zich de kerkelijke ellende verder heeft ontwikkeld, hen niet schuldig stelt. Gewaarschuwd zijn zij wel.
Maar behalve deze ernstige waarschuwing, die met de afwijzing van de voorgenomen schrapping gepaard ging. heb ik het vraagstuk, dat art. 36 stelt, in zijn algemeenheid ook nog belicht, zooals het in de onderscheidene groepen van Gereformeerden leefde. Ik stelde de vraag: „of wij dan niets gevoelen voor het streven van hen, die er op uit zijn herstel te verkrijgen van zulke of soortgelijke toestanden op politiek gebied als in art. 36 worden verondersteld?" Ik deed die vraag, omdat er destijds, evenals nu nog. Broederen zijn, die meenen, dat men dit eigenlijk moest nastreven. Er zijn er, die meenen, dat er van een herstel der vroegere politieke toestanden sprake moet zijn. Ik heb er op gewezen, dat door deze Broederen nooit een belijnd en begrijpelijk plan is ontwikkeld. Ik zeide wel te kunnen verstaan, „hoe die Broederen een heimwee kregen naar vroegere toestanden" en dat ik dit begeeren kon waardeeren, „maar", zoo voegde ik er aan toe: „wij aarzelen geen oogenblik om te verklaren, dat wij met hen niet kunnen meegaan." En om dat toe te lichten wees ik op het diepgaande verschil tusschen de vroegere onder de oude Republiek heerschende toestanden en die van onzen tijd. De Staatsorde onder de Vaderen der oude Vereenigde Nederlanden is gegroeid uit den bevrijdingsoorlog naar en met de behoeften des tijds en zij is niet gemaakt naar een theologisch geconcipieerd plan. Onze Vaderen wisten uit Calvijn's Institutie heel wel, dat de Staatsorde bij de volken en in verschillende tijden zeer konden verschillen. De staatsidee was geboren uit de levenswerkelijkheid, zooals zij die kenden. En daarom waren zij er op uit „in religieus opzicht de uniformiteit onder de burgers zooveel mogelijk te handhaven". En om goed te doen verstaan, dat de historische omstandigheden invloed hebben gehad op hunne politieke idealen, wees ik er op, dat „de vrijheidsoorlog, die zoo nauw samenhing met den drang om God te mogen dienen naar de inspraak der consciëntie, van zelf leidde tot een samenkoppeling van het politieke en het religieuse element. De vraag der religie werd politiek in den meest volstrekten zin." En het lag dus voor de hand. dat dit voor de verhouding van Kerk en Staat beteekenis moest hebben. Dat was geen gevolg van de Gereformeerde beginselen. maar van de historische omstandigheden. En om dit toe te lichten, wees ik op een in 1660 in Engeland door de Nonconformists tot hunne regeering gericht verzoekschrift, waarin zij het recht der overheid inzake religie niet betwisten, doch er nadruk op legden, dat dit recht niet onbeperkt was, maar begrensd door Christus' Koningschap. Zij vroegen bescherming van de Overheid. Onder bescherming van den koning en van den Staat begeerden zij God te mogen dienen en eeren overeenkomstig Zijn geopenbaarden wil in overeenstemming met al de Hervormde Protestantsche kerken. Zij willen hunne consciëntie niet bezoedelen met menschelijke tradities en met ritueele vormen. Zij wilden niets weten van liturgische diensten, waarvoor men tegenwoordig reclame maakt. Zij wilden een eeredienst naar den Woorde Gods. Inderdaad, zij vroegen vrijheid God te mogen dienen naar de uitspraak huns gewetens. Dat was de eisch der Engelsche Gereformeerden, waarvoor zij hebben gestreden en geleden. En ik heb er op gewezen, dat wij hier te doen hebben met kiemen van eene andere Staatsbeschouwing, die ook geworteld was in Calvinistischen bodem. Ik wees er op, dat het Calvinisme als elk groot beginsel „het zaad van logische continuïteiten" in zich droeg, die zich in de geschiedenis noodwendig moesten ontwikkelen. En het lag voor de hand, dat ik er op wees, dat men op den gang der geschiedenis niet kan terugkomen. W i j leven onder geheel andere omstandigheden als onze Vaderen. En daarom kan men niet de verhouding tusschen Kerk en Staat herstellen naar den maatstaf van oude voorbijgegane toestanden. „De historie", zoo schreef ik, „wordt, maar wordt niet gemaakt". En dus de oude toestanden kunnen zoo niet worden hersteld. Er is geen grond meer in het leven dezes tijds voor een staatskerk, waarin het volk als geheel is opgenomen. De oude toestand was ook niet in overeenstemming met het Woord. De vrijheid der Kerk is onder het regime van de Republiek geknot. De Kerk had geene vrijheid meer van levensuiting. Herstel van het oude heb ik afgewezen, omdat dit onmogelijk is, nu de Republiek der Vereenigde Provinciën is vergroeid in den gecentraliseerden Staat der Nederlanden en de vroegere Generaliteitslanden Provinciën zijn geworden.
Wij hebben Gods voorzienige leiding in de geschiedenis van ons land en volk te eerbiedigen. Dus zeide ik. dat ook bij art. 36 moest worden bedacht, „dat het heil niet ligt in het absolutisme van den Staat, noch in de indifferentie van een bandeloos individualisme, het heil ligt in de synthese van Staatsmacht en individueele vrijheid." De Kerk heeft recht op vrijheid. Onder haar schild is zij veilig. En naar die synthese leert het Calvinisme streven. Het eischt recht op vrijheid voor Gods Kerk. Alzoo schreef ik 30 jaren geleden en voor die beginselen sta ik nog heden ten dage. Doch die zijn niet te vergelijken met eene staatsleer, die den Staat het orgaan ontzegt voor alle onderscheid op religieus gebied en hem ontheft van de normen der Wet van God en van de grenzen van Christus' Koningschap.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 maart 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis XI

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 maart 1936

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken