Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van den Woorde Gods (6e serie)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van den Woorde Gods (6e serie)

Uit het ongeschreven Woord VII

11 minuten leestijd

Genesis 9 : 4. Doch het vleesch met zijne ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.

De Heere openbaart in en door Zijn Woord Zichzelven. Hij ontsteekt het licht der kennisse Gods weder in eene menschheid, die in den nacht harer zonde, verduisterd in haar verstand, Hem niet meer kent, noch kennen kan. En Hij openbaart Zich, opdat er weder een volk zal geboren worden, dat het eeuwige leven in Zijne kennis zal deelachtig worden. Het Woord is niet alleen maar eene mededeeling van wijsheid, die ons zonder dit niet bekend zou zijn, maar tevens een wederbarende daad. Daarom is het een zaad der wedergeboorte, zonder welke Gods Koninkrijk niet kan worden gezien. Zoo gaat er dus in het geopenbaarde Woord een eeuwig licht op in den nacht onzer zonde, in den afgrond van onzen val. Doch daarom gaat er ook van dat Woord der openbaring eene opvoedende kracht uit. In het licht der Godskennis is een zedelijk ideaal gegrond, waardoor het aan de volkeren tot een gids kan worden in hun levensgang.
En zoo zien wij hier, hoe aan Noach's geslacht voor de toekomst een inzicht wordt gegeven met betrekking tot hunne levensvoorwaarden. Van Godswege wordt geopenbaard, dat vleeschspijze den mensch geoorloofd zal zijn. Zoo is er in Gods Woord ook een cultureele kracht van zeer groote beteekenis, die de eeuwen door aan de volkeren onder Zijn licht een stempel opzet, waardoor zij van de heidenen zich onderscheiden moeten. Waren in het Oosten groote gebieden, waarop millioenen menschen leven, die verstoken van Gods bijzonder openbaringslicht, tengevolge van hunne eigenaardige mensch- en dierbeschouwing zich van vleeschgebruik en het dooden van dieren volstrekt onthielden en tot heden toe nog onthouden, Gods Woord ontsluit een geheel ander inzicht, dat ook een geheel andere levens- en wereldbeschouwing meebrengt, die ook voor de economische ontwikkeling sterke prikkels in zich draagt. Maar toch wordt het ook duidelijk, dat deze andere belichting des levens niet uitsluit de teederheid van gevoelens, die elders op eene ziekelijke wijze op den voorgrond treedt. Immers, dat is het toch waarlijk, wanneer wij vernemen, hoe er menschen zijn, die het water, alvorens te drinken, filteren door een doekje, opdat niet het kleinste insectje zal worden gedood. Zoo leven millioenen onder voorstellingen, die met de werkelijkheid spotten, daar de microskoop leert, hoe in een enkelen regendrop een wereld van leven ligt besloten.
Van al wat ziekelijk en onnatuurlijk is, houdt Gods Woord de menschen verre en het geeft een levensbeschouwing, die opvoert tot hoogere spanning van kracht. Doch daarnaast leert het ook eene teederheid des ontfermens en onthult het een levensroeping in gebondenheid aan een wondere liefde, die zich ook uitstrekt tot het dier, zelfs als dit den mensch tot spijze is gegeven. Daarom als God den mensch tot spijze geeft „al wat zich roert, dat levend is", dan treedt Hij ook tegelijkertijd op tegen de natuurlijke wreedheid, die in den zondeval wortelt. In den grond zijns levens is de mensch der zonde wreed. Zijn voeten zijn snel om bloed te vergieten, vernieling en ellendigheid is in zijn weg. naar de beschrijving des apostels. En de ervaring leert de ontroerende juistheid dier teekening. De menschen zijn wreed voor menschen. Zie slechts, hoe zij de oorlogen voeren met eene niets ontziende wreedheid, hoe alle kunstmiddelen van techniek en wetenschap worden aangewend om op de vreeselijkste wijze hunne medemenschen te verdelgen. De wreedheid van den mensch tegenover zijnen naaste staat voor niets. Er leeft in den mensch een beest, dat losbreekt, zoodra, dank zij revolutie en krijg, de teugels van het recht der zeden los raken. Het verschrikkelijkste aller dingen, heeft Schiller gezegd, in het lied van de Klok, is de mensch in zijnen waan. Wie kan dit ontkennen, die de geschiedenis heeft beleefd der laatste 25 jaren? Indien we het van voorheen en uit Gods Woord niet wisten, dan hebben deze jaren het op de vreeselijkste wijze geleerd. De mensch heeft geen medelijden met den mensch. Van nature is hij zijnen naaste, dien hij naar Gods gebod moest liefhebben als zichzelven, in zijnen val geworden tot een wolf. De geschiedenis van Kaïn en Abel herhaalt zich van dag tot dag.
Doch indien hij dan zoo is tegenover zijnen naaste, hij zou dan tegenover de wereld der dieren anders zijn! En zoo gaat ook maar al te dikwijls een stroom van wreedheid over de dieren in de menschelijke samenleving. Een schromelijk misbruik maakt dikwijls de mensch van de overmacht der rede, waarover hij beschikt, om het redelooze dier aan afschuwelijke marteling prijs te geven. De boosaardigheid van den mensch blijkt misschien nergens duidelijker dan in de verhouding, waarin hij vaak uitkomt tegenover het dier. En nu is het juist zoo opmerkelijk, dat de Heere, als Hij den mensch openbaart, dat ook het dier er is om den mensch met het offer des levens te dienen, wanneer Hij het tot spijze bestemt, doch ook terstond daarbij eene beperking maakt, die de ontferming Gods over het dier ons openbaart. Al wat zich roert, dat levend is, zal tot spijze zijn. „Doch", zoo wordt er aan toegevoegd, ,,het vleesch met zijne ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten."
Hier geeft Gods Woord een licht over de wereld der levende wezens. Er is ons in de Schrift geen boek gegeven om natuurkunde uit te leeren. Zij laat Gods Geesteslicht opgaan over de wereld, zooals zij voor onze oogen van nature verschijnt. En zoo is het ook geheel verkeerd in haar te zoeken naar eene wetenschappelijke zielkunde, zooals men die in onze dagen nastreeft. De Bijbel is geen boek van wijsbegeerte, evenmin als het Gereformeerde Protestantisme eene philosophie is of voortgebracht heeft, of in zijne historische verschijning voortbrengen kan. Zoo verschijnt dan ook in Gods Woord de natuur, zooals zij zich op het eerste gezicht aan ons voorstelt. In dat opzicht is er tusschen de wereldbeschouwing der Heilige Schrift en die b.v. der Grieken een diepgaand onderscheid. De Schrift spreekt van den mensch en van het dier als van vleesch, teekent hem en de dieren als zinlijke eindige wezens, zooals zij in de schepping voor ons staan als behoorende tot den zinlijken levenskring, dus tevens als levende. Het zienlijke, dat zonder leven is, wordt geen vleesch genoemd, doch is stoffelijk of plantaardig van bestaan, al is daarmede niet bedoeld, dat het woord ,,vleesch" in tegenstelling met huid en beenderen, niet gebruikt zou worden om het eetbare of voor het offer bestemde te noemen. Doch in het algemeen noemt het woord „vleesch" hetgeen lichamelijk leeft. Het vleesch wordt dan ook voor het lichaam gebruikt, of ook om de eenheid des levens te noemen. Mensch en dier beide, als wezens, die tot de zinnelijke wereld behooren, zijn vleesch genoemd.
En tot verklaring van het hun inwonend leven wordt nu aan mensch en dier een „geest" toegekend, waarvoor de Schrift een woord bezigt, dat „bewogen lucht" aanduidt. De woorden, die in Oud en Nieuw Testament daarvoor worden gebezigd, noemen ook den wind en den adem als de het leven openbarende beweging van lucht. Dat woord wordt dan ook toegepast op het goddelijke Wezen zelf, als op de in Hem wonende kracht des levens. En deze Geest is dan ook de bron, waaruit door de scheppende daad alle creatuurlijke leven opkomt. De geest des menschen wordt door God hem ingelegd, zooals hij ook tot God wederkeert, wanneer het levenseinde is gekomen.
Zoo is dus eigenlijk dat woord., geest" in zijn oorsprong de natuurlijke tegenstelling van het vleesch. Als onzienlijk leven, als bewegende kracht, staat het begrip, dat er door gedekt wordt, tegenover het stoffelijke, dat zich niet beweegt. En nu leert ons de Schrift, dat zoodra een stoffelijk wezen door den Geest Gods, dank zij de scheppende daad, tot leven is gebracht, dat stoffelijk wezen ook de drager wordt van eene ziel. Het wordt tot eene levende ziel. En daaronder verstaat dan de Schrift, dat het een voelend wezen is geworden, dat begeerten kent, door begeerten en behoeften wordt gedreven. En wanneer nu gesproken wordt van de ziel des menschen, dan wordt daardoor zijne zelfbewustheid, zijne individueel leven, zijne ikheid en persoonlijkheid genoemd. Daarom, wanneer zijne ziel uitgaat, sterft de mensch.
En zoo spreekt ook de Schrift er van, dat Saul Davids ziel zoekt, omdat hij naar Davids leven staat. De ziel is het woord, dat vaak het bewuste leven des menschen noemt. Zoo is dan ook de ziel de zetel van het menschelijk gevoel in den ruimsten zin des woords. Zij begeert en haat, heeft lief en wenscht. De ziel is dus de drager van de gewaarwording, van het willen en streven in den mensch, de uitdrukking zijner persoonlijkheid.
En de mensch heeft niet alleen eene ziel, maar evenals het dier is hij eene levende ziel. En daardoor is hij met de dieren van de niet animale schepping volstrekt onderscheiden. En nu geldt van deze ziel, dat zij gedacht wordt als in het bloed verzinlijkt te zijn. Zooals de geest in den adem, zoo is de ziel in het bloed. Ja, de Schrift gaat zelfs zoo ver, dat zij zegt. „het bloed dat is de ziel". Zoo in dit Schriftwoord. Het bloed is dus drager des levens, drager der levensgevoelens. Zoo staat er ook, Leviticus 17: 11: Want de ziel van het vleesch is het bloed. Aan de geslachten na Noach wordt het nu geopenbaard, dat de mensch wel vleesch mag eten. doch daarbij in acht moet nemen, dat „het vleesch met zijne ziel, dat is zijn bloed", niet zal gegeten worden, want in dat bloed schuilt de zetel des levens en dus ook van alle levengevoeiens. Zoo toont de Heere hier dus Zich een Vader van barmhartigheid voor het redelooze dier, dat Hij door het verbod om het vleesch te eten met zijne ziel verdedigt tegen de wreedheid der menschen. De mensch mag geen dierlijk voedsel tot zich nemen, zonder dat er waarborg is, dat het leven volkomen uit het dier is geweken. Het vleesch, waarvan hij genieten mag, moet eerst volkomen bestorven zijn. Daarom was het dan ook een gruwelijke overtreding tegen den Heere, wanneer in later dagen, nadat het de Philistijnen van Michmas tot Ajalon had geslagen, Israël zich schapen en runderen en kalveren nam en die slachtte tegen de aarde en ze at met het bloed. Dan wordt tot Saul gezegd, dat het volk zich verzondigt aan den Heere, etende met het bloed. En dan maakt de koning daaraan een einde en hij laat het volk slachten in zijne tegenwoordigheid en hij voorkomt alzoo, dat zij zich bezondigen, „etende met het bloed".
Onder dit verbod verschijnt nu het vleeschgebruik in de zoogenaamde Noachietische geboden ook in het Nieuwe Testament. Dit blijkt uit het schrijven, dat van het zoogenaamde Apostelconvent uitging. Hand. 15:23—31. waar onder hetgeen aan de heidenen, die Christen werden, slechts deze noodzakelijke dingen worden opgelegd: „dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is en van bloed en van het verstikte en van hoererij."
Zoo gaat er dus door dit verbod, dat de Heere aan Noach's geslacht openbaart, de teederheid Zijner ontferming over de dieren, die Hij wel den menschen heeft overgegeven, opdat zij hun dienstbaar zullen zijn, maar toch ook door Zijn gebod bewaart tegen de wreedheid, waarvan zij licht een slachtoffer worden zouden. Het dier mag eerst dan gegeten, als er zekerheid is, dat het leven volstrekt er uit geweken is. Dat mag de mensch niet in het belang van het dier, maar ook niet om zichzelfs wil! Dat gebod brengt hem om het in de taal onzes tijds te zeggen: humane gevoelens bij, opdat hij Gods zorg voor de dieren opmerkend, ook tegenover zijn medemenschen zou leeren voorzichtig te zijn met de bloedstorting. Het bloed der dieren kwam alleen den Heere in het offer toe. Hem die eenmaal door het bloed Zijns Zoons de verzoening aanbrengen zou, want zonder bloedstorting kan er geen vergeving zijn. En daarom wordt dan ook gezegd tot Israël, dat het bloed op straffe des doods niet mag worden gegeten, want God heeft het Zijn volk „op het altaar gegeven om over uwe zielen verzoening te doen, want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening doen zal .

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 september 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Van den Woorde Gods (6e serie)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 5 september 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken