Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het roepingsvisioen van Ezechiël I

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het roepingsvisioen van Ezechiël I

20 minuten leestijd

Ezechicl 1 : 4 —14a. Toen zag ik en zie, een stormwind kwam uit het Noorden af, een groote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk: en uit het midden daarvan was als de kleur van Hasmal, uit het midden des vuurs. E n uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren: en dit was hunne gedaante, zij hadden de gelijkenis van een mensch, en elkeen had vier aangezichten, insgelijks had elkeen van hen vier vleugelen: en hunne voeten waren rechte voeten, en hunne voetplanten waren gelijk de voetplanten eens kalfs en glinsterden gelijk de kleur van glad koper: en menschenhanden waren onder hunne vleugelen, aan hunne vier zijden; en die vier hadden hunne aangezichten en hunne vleugelen. Hunne vleugelen waren samengevoegd, de eene aan den anderen; zij keerden zich niet om als zij gingen; zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht henen. De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens menschen, en het aangezicht eens leeuws hadden die vier aan de rechterzijde, en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht, ook hadden die vier eens arends aangezicht. Ook waren hunne aangezichten en hunne vleugelen opwaarts verdeeld; elkeen had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hunne lichamen. En zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht henen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om als zij gingen. Aangaande de gelijkenis der dieren, hunne gedaante was als brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen; dat vuur ging steeds tusschen die dieren, en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort. De dieren nu liepen en keerden weder als de gedaante van een weerlicht.

Het vorige jaar mochten wij, in een zestal Schriftoverdenkingen, u het roepingsvisioen van den profeet Jezaia toelichten. Er waren bijzondere moeilijkheden te overwinnen om verklaring en toepassing op de juiste wijze te vereenigen Bovendien stelde de verklaring ons voor zware vragen, die wij echter bij het licht der Schrift zochten op te lossen. Ook die gedeelten van des Heeren Woord mogen niet terzijde worden gelegd in de bediening des Woords.
Thans willen we samen het roepingsvisioen van Ezechiël overdenken. De moeilijkheden zijn zeker niet minder dan in dat van Jezaia. Dit mag ons echter niet verhinderen ook aan dit gedeelte der Schrift onze aandacht te wijden en de gemeente te onderwijzen. Maar bij een stof als deze moet ge niet aanstonds een breede toepassing verwachten. Ge moet geduld met ons hebben, omdat de verklaring, de toelichting nog maar van hetgeen er nu eigenlijk wel in den text staat, meer dan gewone aandacht vraagt. De stof vereischt, dat wij langer dan gewoonlijk bij de verklaring der woorden en beelden moeten stilstaan dan gewoonlijk. Maar, dat is toch zeker de waarheid nog wel waard? Daarom willen we rustig dit Schriftgedeelte met u onderzoeken. Het zal blijken, dat het rijke leering bevat ook in zijn toepassing voor onzen verwarden en bewogen tijd, waar het schijnt, dat de ontbinding steeds sneller voortgang vindt.
Toch verhelen wij ons niet, dat dit Schriftgedeelte voor groote moeilijkheden stelt bij de verklaring. Slechts hoofdzaken zullen ons bezig houden, terwijl er wellicht ook dingen in voorkomen, die onverklaard zullen blijven. Het is en blijft een mysterieus visioen in nog sterker mate dan dat van Jezaia. De Joden zeiden, dat de verklaring van dit visioen niet mocht worden beproefd, vanwege het mysterieuze. Maar het geopenbaarde Woord ligt voor ons, zoodat de Kerk zich moet bezinnen op den inhoud en de beteekenis daarvan. W a t te voren geschreven is, is tot onze leering geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop zouden hebben:
Het profetische Woord is zeer vast en wij zullen wel doen daarop acht te hebben als op een licht, schijnende in eene duistere plaats.
Laten we nu beginnen met u te schetsen de omstandigheden, waarin Ezechiël verkeerde, toen dit roepingsvisioen tot hem kwam. W a a r vertoefde toen de profeet? Hij hield verblijf in Babel, het oord der ballingschap voor het volk van Juda. Maar zegt ge, de tempel was toch nog niet verwoest en het volk van Juda nog niet gevankelijk weggevoerd? Hoe kwam dan Ezechiël in Babel te wonen? Dit is zoo. In het jaar 597 v. Chr. was Ezechiël gevankelijk weggevoerd onder koning Jechonia, door Nebukadnezar den koning van Babel. Dit was dus een vóór-wegvoering. W e spraken enkele malen van den profeet, doch dat was Ezechiël bij zijn wegvoering nog niet. Hij was een zoon van den priester Buzi, dus uit het geslacht van Zadok en zelf dus priester en geen profeet Zijn naam Ezechiël beduidt: God maakt sterk. Die naam zou in dezen man zijn bijzondere vervulling vinden. Immers de Heere zal hem juist als menschenkind, als nietig, broos sterveling, toespreken telkens weer, maar Hij zal Zijn kracht aan hem betoonen. Isrels God maakt sterk. Van Hem heeft het volk zijne sterkte. En die sterkte komt hun toe, uit dien sterken Held. bij wien de Heere hulpe heeft beschoren.
Een priester, weggevoerd ver van Gods altaren. Nu kan hij geen morgen- en avondoffer meer brengen in de beurt zijner dagorde. Hij is balling. Hij woont niet meer in het land der belofte. Hij moet mede het oordeel dragen, dat zijn volk treft wegens afval van den God des verbonds, wegens schending van Gods wetten. Want, al mag het zijn, dat Gods kinderen, ook zijn priesters, de volkszonden, de kerkvolkzonden van schending des verbonds niet in die mate begaan als de massa, dat neemt niet weg, dat zij niet buiten het volk staan. W i j hebben aandeel aan de schuld der Kerk, aan de zonde van land en volk, ook al mogen wij weten, dat het bloed van Christus reinigt van alle zonden. Het was dus voor den profeet waarlijk ballingschap; weggevoerd uit zijn land door een vreemden vorst, naar een land, waar de afgoderij bloeide en de God van Israël niet werd gedacht. Zeker, de Heere maakt het goed met hetgeen Hij wil en Hij doet ervaren, dat Hij ook in Babel ons kan zegenen.
Ezechiël woonde dan in Babel te Tel-Abib, bij de rivier Chebar. Dit was waarschijnlijk een kanaal, gegraven voor de bevloeiing van het land. Daar bevond zich een nederzetting der ballingen, die hun eigen huizen bewoonden en onder hun eigen oudsten stonden. Zoo had ook Ezechiël een eigen huis te Tel-Abib aan den Chebar.
Reeds vijf jaren waren vorbijgegaan in dit vreemde oord. zonder dat deze man, die overigens een persoon van beteekenis was onder de weggevoerden, tot een bijzondere taak werd geroepen.
Het oogenblik nu, dat over het leven van Ezechiël besliste, viel in de vierde maand op den vijfden dier maand, in het vijfde jaar der wegvoering. Het was dus in den zomer van 592 v. Chr., dat hij werd geroepen door een aangrijpend visioen tot profeet, om te vertolken den raad Gods. Dat is toch het werk van den profeet: den raad Gods bekend maken.
Jeremia, óók uit priesterlijk geslacht, was toen al lang profeet en verrichtte zijn werk te Jeruzalem. Gij kent wel zijn benauwd leven en den tegenstand van zijn volk, dat hij de oordeelen moet aanzeggen.
Ezechiël wordt geroepen tot profeet van den God van Israël, die in den toorn des ontfermens gedenkt ook aan de ballingen, om hun zonde weggevoerd. Hij gedenkt aan Zijn verbond; Hij kan niet vergeten het Woord Zijner lippen, noch Zijne verkiezende genade teniet doen. Onveranderlijk in Zijne trouw, kan Hij echter de roede niet sparen.
Meer dan 22 jaar is Ezechiël werkzaam geweest onder de weggevoerde ballingen. (Ez. 29: 17).
We wezen er op, dat de ballingen zich eigen huizen hadden gebouwd. Dit zal wel overeenkomstig den raad van Jeremia zijn geweest: Zoo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: Bouwt huizen en woont daarin en plant hoven en eet de vrucht daarvan, neemt vrouwen en gewint zonen en dochteren en neemt vrouwen voor uwe zonen, en geeft uwe dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd en wordt niet verminderd, en zoekt den vrede der stad waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den Heere; want in haren vrede zult gij vrede hebben.
Zoo moeten zij dus rekenen op eene langdurige ballingschap. Zeventig jaren zullen vervuld moeten worden, zoo profeteerde Jeremia. M a a r . . . zij geloofden hem niet.
Ezechiël had zijn volk lief, daarin gelijkt hij veel op zijn landgenoot Jeremia, wien het zoo dikwijls uiterst pijnlijk is geweest om zijn volk den ondergang aan te zeggen. De Heere moest zijn tegenzin telkens breken om Zijn Raad te dienen, ook in de aankondiging der oordeelen. Profeteer dan, menschenkind, zoo moest de Heere spreken. (Jeremia was in 628 tot profeet geroepen en was dus reeds 35 jaar profeet toen Ezechiël werd geroepen tot dit ambt. Dit merken we terloops even op.)
Zijn roeping viel dan in de vierde maand op den vijfden dag dier maand. Dat was de maand Tammoez, zoo genoemd naar den god der vruchtbaarheid, in geheel West-Azië vereerd. Van de vereering van dien Tammoez spreekt ook Ezechiël ( 8 : 4 ) . Deze maand staat gelijk met onze maand Juni/Juli. In het vijfde jaar der wegvoering van koning Jojachin (vs. 2). Zooals we reeds opmerkten, was dit dus in 592 voor Christus.
Welnu, het oogenblik is gekomen door den Heere in Zijn raad vastgesteld, dat deze priester Ezechiël tot profeet zal worden geroepen. De hemel ontsluit zich boven zijn hoofd en hij schouwt gezichten Gods. Dat wil zeggen, zijn oog wordt geopend voor hetgeen de natuur niet kan zien. De onzichtbare hemelwereld wordt zichtbaar voor hem. zoodat hij ziet, wat daarin is en gebeurt.
Zoo stelt des Heeren Woord ons nu voor dit roepingsvisioen, dat Hij heeft laten opschrijven en bewaren in Zijn Woord.
Enkele lessen mogen hier al aanstonds worden geleerd. De Heere is niet gebonden aan tijd noch plaats. In dit land van Mardoek, Sin en Ea, in dit land van honderden goden en godinnen, in dit land van afgodische gebruiken en schandelijke zeden, openbaart zich de Heere in Zijn luister, in de schittering Zijner ontzagwekkende majesteit aan hem, die uit den tempel is verbannen en van zijn voorvaderlijken priesterdienst is beroofd. De verbannen priesterzoon en priester Ezechiël. De Heere is niet gebonden aan den tempel te Sion, maar Hij vervult de gansche aarde met Zijne heerlijkheid. Zoo had Jezaia de serafs hooren zingen. Zoo leert het Ezechiël aan Babels stroomen. Geen plaats zóó verdorven, of de Heere kan er Zijne dienstknechten roepen om te getuigen van Zijn raad en welbehagen, van Zijne oordeelen en gerichten. O zalig zoo door het leven te mogen gaan: altijd op Vaders grond, nergens aan Zijn macht onttrokken. Hij kan zich openbaren in den kerker, op het veld en in de schuur. Temidden van stokebranden en kinderen der hel. Menig kind des Heeren toch moet zijn werk verrichten onder menschen, die wars zijn van God en Zijn gebod. Temidden van het rumoer der aarde kan vrede het gemoed doorstroomen en kan de Heere ons isoleeren, afzonderen, om tot onze ziel te spreken, opgevoerd boven het aardsch gedruisch. Is dit geen bron van troost, dat de Heere nergens kan buitengesloten worden?
Nog een andere les kan hier worden geleerd. Gods kinderen lijden met de boozen. Ezechiël is in het vreemde land en deelt in de oordeelen, ook al is het hem geen oordeel, want we mogen zeker aannemen, dat hij een getrouw priester is geweest en dat het volk uit zijnen mond de wet kon hooren. Maar óók hij verliest zijn vaderland, vrienden, vrijheden en wetten en komt onder de heerschappij van den heidenschen koning Nebukadnezar. De godvreezende koning Josia is zoowel in den oorlog gedood als de goddelooze Achab. Naboth is zoowel gesteenigd als Achan. Ook Rachel sterft bij het baren. Eenerlei wedervaart den rechtvaardige en den goddelooze. En toch overkomt het hun niet op dezelfde wijze. Daar is een louterend gericht en een vernietigend oordeel. Ja, de tegenspoeden des rechtvaardigen zijn vaak meer en dieper ingrijpend dan die der wereldlingen. Ook al hierdoor, dat Gods kinderen fijner voelen. Een Israëliet in Babel kwijnt, maar de afgoderij doet hem alleen pijn, wanneer hij den God van Israël waarlijk vreest. Lot had nooit in Sodom moeten wonen, maar toch verblijdt het ons, dat van hem geschreven staat, dat hij zijne rechtvaardige ziel kwelde over den ontuchtigen wandel der Sodomieten. W e e mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon.
De Heere laat schrijven aan de gemeente: Ik weet, waar gijlieden woont, namelijk waar de troon des satans is. De Kerk is en blijft een lelie onder de doornen. Doch: hetzij zij in of uit mogen gaan, de Heere zal hen eeuwig behoeden.
Overal draagt de Heere zorg voor Zijne Kerk en kinderen. Zelfs in het oord der ballingschap beschikt Hij hun een profeet en roept tot deze bediening een uitgeworpen priester. Zoo wordt voor Ezechiël verlies winst. Want, als profeet nadert hij dichter den Eeuwige dan als priester bij het altaar. Als profeet komt hij in het heiligdom des hemels. Ja, zelfs verlies is winst en achteruitgang is vooruitgang, gemeten met de maat van des Heeren liefdesvoornemen.
Wat zullen wij nu van dat roepingsvisioen zeggen? Geven wij eerst een savenvattende omschrijving van hetgeen de profeet zag en hoorde. (De lezer weet zeker wel, dat de groote Rafaël dit visioen heeft vastgelegd op een doek in het paleis Pitti te Florence.) De profeet laat ons gevoelen door de keuze zijner woorden, dat hij het eigenlijk niet precies kan uitdrukken wat hij hoorde en zag. Het was zooiets als: ze hadden iets a l s . . . hij vergelijkt, gelijkheid is er echter niet Dat zullen we goed moeten bedenken, willen we ook in de verklaring niet mistasten.
Hoemeer we deze verzen lezen, zoo is terecht opgemerkt, hoe meer onze ooren vervuld worden van een gedruisch van raderen en een gedruisch van vleugelen. Die vier bovenaardsche wezens, die de profeet ziet, zijn gevleugeld, met vier aangezichten. Die aangezichten hebben veel gemeen met dat van een mensch en toch ook weer anders zijn ze. Ze vertoonen eigenschappen van den leeuw, den stier, die in ongebroken kracht staat, en den zich in de hoogte verheffenden arend. Het zijn wezens, maar dan bovenaardsche wezens, die eigenlijk niet tot deze schepping gerekend kunnen worden. Eerst bij het tweede visioen (10:15, 20) herkent Ezechiël ze als cherubs, dragers en bewakers der goddelijke heerlijkheid. Levende wezens zijn het. Eigenlijk: levenden, in wie het leven van den levenden en levenwekkenden God bruischt gelijk de zee. Vier zijn het er, met vier aangezichten. Vier vleugels hebben ze en vier armen. Dit getal vier wijst op de alzijdigheid. Nooit wenden zij zich om. Geen kniegewricht is er in hun been, dat weer vierhoekig uitloopt op een stierenhoef. Daarbij komt, dat zij zich vrij bewegen in alle richtingen op vleugelparen, die onderling weer eene eenheid vormen.
En alsof deze vleugels nog niet voldoende waren, vergezellen hen nog wielen van geweldigen omvang. Die wielen kunnen zich zonder draaien, in onverschillig welke richting voortbewegen. Is er dan toeval in die bewegingen? Volstrekt niet. Want oogen in grooten getale zijn op de velgen der wielen. Die wielen zijn als het ware bezield met een groot aantal waakzame geestelijke krachten.
Dit alles vormt nu weer een afgesloten vierhoek, waarbij men van alle zijden op de voorzijde stuit. De vierhoek, zonder ooit iets den rug toe te keeren, beweegt zich volkomen vrij naar alle richtingen, snel als de bliksem (vs. 14).
Doch nog meer is op te merken. Binnen in den vierhoek straalt en glanst het, precies als metaal (vs. 4). Neen, daar vlamt het zooals fakkels vlammen, ja, nog sterker, daar straalt het als de bliksem (vs. 13). Alles vuur van binnen, reinigend en heiligend, maar ook verterend. Zoo geweldig is deze gloed, dat deze ook buiten den vierhoek treedt en alles doet fonkelen van vuur.
Doch de profeet ziet nog meer. Zie, die wezens, die vierhoek, dat vuur er in, vliegt en ijlt voort. En wat ziet de profeet daarboven, daar boven dien vierhoek? Het lijkt een uitspansel en het glanst als bergkristal. En boven dat uitspansel ziet hij zoo iets gelijkend op een troon. En op dien troon ziet hij eene gedaante. Het lijkt wel een mensch. En verder? Alles vuur, schittering, uitschietende vlammen. Dit is de troonzetel van den God van Israël. Zijn troonzetel kan in visioen worden geschouwd, maar Isrels God zelve niet. Zie. de profeet richt zijn bijzondere aandacht op dien troonzetel. Het geheel is als een vlammende wolk, die daar uit het Noorden komt aansuizen als een waterstroom (vs. 24). Nu heeft zijn geestesspanning haar hoogtepunt bereikt. De boven zoovele duizenden begenadigde priesterzoon in ballingschap valt op zijn aangezicht in bezwijming. Doch telkens weer spreekt hij over dat gezicht, waarmede verbonden was zijne profetische roeping. De heerlijkheid des Heeren is aan hem verschenen, aan hem, aan den Chebar in Babel.
Thans gaan we nader de bijzonderheden bezien, nadat we een algemeenen indruk hebben gegeven van dit visioen.
We kunnen gevoeglijk het visioen in drie gedeelten behandelen. En wel eerst de verzen 4 — 14a, die handelen over de wolk en de vier dieren

Toen zag ik en zie, een stormwind kwam uit het Noorden af, een groote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was de kleur van Hasmal, uit het midden des vuurs.
En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren... Daar is dus het middelpunt van de wolk, waar de vier wezens zijn. Het is een bekend verschijnsel in de Godsopenbaring, dat God vaak onder de teekenen van storm, vuur, onweder en bliksem zich openbaart. Laat ons op dit algemeene verschijnsel de aandacht vestigen. Dit is van beteekenis voor de verklaring van het visioen in zijn geheel.
Wijzen we eerst op het vuur. Als de Heere een verbond maakt met Abraham en hem de toekomst van zijn geslacht ontsluit, ziet Abraham, toen de zon onderging en het duister werd, een rookende oven en een vurige fakkel, die tusschen de stukken van het offer doorging. Abraham neemt bij het licht der ondergaande zon de dieren waar, die hij op Gods bevel had moeten slachten. En tusschen die offerdieren gaat een rookende oven en vurige fakkel. Duidelijk is hier de zinnebeeldige aanduiding der goddelijke tegenwoordigheid. Rook stijgt uit dien oven op, die van boven open is en een vuurvlam slaat er doorheen. Zoo ook hooren wij bij de verbondssluiting bij den Sinai van dezelfde verschijnselen. „En de gansche berg Sinai rookte, omdat de Heere op denzelven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op als de rook van een smeltoven en de gansche berg beefde zeer. Zelfs de ovenvorm in hetgeen Abraham ziet, wijst heen naar den Sinai, waar het verbond een nieuwen vorm zal ontvangen en verder worden ontplooid. Ook bij den Sinai hooren we van een wolk met stormwind, donder en bliksem. En het geschiedde op den derden dag toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en eene zware wolk, en het geluid eener zeer sterke bazuin, zoodat al het volk verschrikte, dat in het leger was (Ex. 19: 16).
Ook Elia hoorde bij den Sinai donder en zag vuur. En de Heere zeide: Ga uit en sta op dezen berg voor het aangezicht des Heeren. En zie: de Heere ging voorbij en een groote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen voor den Heere heen... en dan komt een aardbeving en dan vuur...! Tot Job sprak de Heere uit een onweder (Job 38: 1). Ook de dichter van Psalm 18 gewaagt van deze verschijnselen. Rook ging op van Zijnen neus en een vuur uit zijnen mond verteerde: kolen werden daarvan aangestoken. En Hij boog den hemel en daalde neder en donkerheid was onder zijne voeten. En Hij voer op eenen cherub en vloog, ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds...
De nederdaling Gods gaat gepaard met aardbeving en storm. Bij de majesteit zijner verschijning schudt de aarde. De wolken vergaderen zich als rook en als een vlammend vuur verteert de bliksem en zet de wereld in vlam. Onder Gods voetstap boog het gewelf des hemels. Van uit de duisternis richtte Hij het scherpe zwaard Zijner wrake op het hart Zijner vijanden. Da Costa vertaalt een passage uit Miltons Verloren Paradijs:
Op de vleugelen van Zijn cherubs hoog gedragen,
Zet Hij Zijn gangen voort, in al Zijn heerlijkheid,
Den chaos naderend...
Het geschut des hemels wordt gelost ...God verschijnt blinkende... Wat zal het schelden van Jehova vermogen? Hij licht de poorten der aarde uit hare hengselen. IJdel is de hoop op tegenstand, de Heere regeert met mogendheden. In Deuteronomium 4 : 24 wordt de Heere geteekend als een verterend vuur en in Nahum 1 : 3 wordt gezegd, dat zijn weg is in wervelwind en storm.
En in Hebreën 12 zegt de apostel: Onze God is een verterend vuur. Geen wonder, dat, als de Heere verschijnt in majesteit, het volk te Sion zegt: wie is er onder ons, die kan wonen bij een verterend vuur, vernachten bij een eeuwigen gloed?
In al deze begeleidende verschijnselen en teekenen van Gods tegenwoordigheid schittert de vlekkelooze majesteit des Heeren. Zijn ongenaakbare heiligheid. Maar aan Abraham deed de Heere verstaan, dat Hij wandelend temidden van de stukken der offerdieren als een God des vredes in het verbond zich doet kennen.
Het vuur is verder beeld van den ijver Gods. Zijne heilige jaloerschheid kan geen afgoderij gedoogen. Maar ook wijst het op den ijver Zijner liefde over de Zijnen. Die liefde is als een brandende gloed, om de Zijnen te redden, in Zijn boezem. En tevens wijst het op de machtige bescherming, die echter de vijanden verslindt.
Alle natuurkrachten staan Hem ten dienste bij het uitvoeren van Zijn raad, die bestaat tot in eeuwigheid. Hij is de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont. Kent gij die ongenaakbaarheid Gods voor den onreinen zondaar? Hebt gij ooit gestaan bij den rookenden Sinai?
Kent gij den Heere in den gloed van Zijn toorn? Maar ook: de hitte van Zijn gramschap is gebluscht. De schuld Zijns volks heeft Hij uit Zijn Boek gedaan.
Het algemeene doel van dit visioen is om ons te laten zien de glorie Gods in het wereldbestuur. De profeet moet diep onder den indruk komen van de heerlijkheid en het alvermogen van den God van Israël, dien het bondsvolk had gehoond en getergd. Hij ziet een grootsch geheel, en onderscheidt dan de onderdeelen. Het is geen mechanisme, niet iets machinaals, maar het is een organisme, alles maakt deel uit van eenzelfde levensbeweging. Wind, vuur. levende wezens. En naast elk dier wezens, vier in getal, ziet hij een rad. Op de hoeken van het vierkant zijn raderen. Ze zijn gemaakt van kristal en zoo worden de stralenbundels van de vlammende fakkels en van de bliksemschichten en van het glanzende koper vertienvoudigd.
Een stormwind kwam uit het Noorden, een groote wolk en vuur slingerde er zich door heen en een glans was rondom die wolk en uit het midden daarvan was als de kleur van Hasmal, uit het midden des vuurs...!
Over die wolk gaan we nu spreken, over het vuur en de levende wezens in het midden der wolk, over de raderen, die waren op de vier hoeken daarvan. Lees den text nog eens na, om alvast de beelden u eigen te maken. Zie ook heden in het wereldbestuur Zijne majesteit en oppermacht. En... kust den Zoon, door W i e n de Vader alle dingen regeert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 oktober 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

Het roepingsvisioen van Ezechiël I

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 oktober 1936

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken