Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van Art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis (3e serie) XXI.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van Art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis (3e serie) XXI.

12 minuten leestijd

Het is duidelijk geworden, dat onderscheiding van den rechtstoestand en het daarmede onmiddellijk samenhangend strafrecht en de strafmiddelen voor de toepassing van Calvijn's beginsel van overwegend belang is. De algemeene sociologische factoren zijn voor de waardeering der historische, cultureele verschijnselen uit den aard der zaak van zeer groot belang. En wanneer dus in Calvijn's dagen te Genève het rechtsbewustzijn, zooals het daar destijds bestond, de ketterij, wanneer zij tot excessen dreigde te voeren, die in openbare blasphemie ontaardden, als een halsmisdaad aanvoelde, dan is dit niet het gevolg geweest van Calvijn's beginselen. Dit was een algemeene, in die dagen overal in Europa voorkomende rechtsorde en het ligt voor de hand, dat de strafmiddelen, die in deze rechtsorde lagen besloten, telkenmale in toepassing kwamen, wanneer daarvoor aanleiding was. Doch het bestaan dezer rechtsorde is uit den aard der zaak niet de grond geweest van de beginselen der Reformatoren. De Heere heeft in en na de verwording der Kerk het licht van Zijnen Heiligen Geest over haar doen opgaan, nieuw leven gewekt in de West-Europeesche Kerk, zooals zij in den loop der eeuwen was gedegenereerd, zoodat de Reformatie geboren werd. Daarmede ging een nieuw licht op over den geheelen cultuurstand, zooals deze uit de middeleeuwen was opgekomen. Doch wat van zelf spreekt, bij het doorbreken der Reformatie, brak zij door in het maatschappelijk leven, zooals het toen bestond uit cultureel oogpunt, dus ook met de heerschende rechtsorde. Niemand kan men daarvan een verwijt maken, dat deze rechtsorde niet moderner was, evenmin als men er den menschen dier dagen een verwijt van maken kan, dat hunne wetenschappelijke methoden niet volmaakter, hunne inzichten niet exacter zijn geweest.
Zoo is dus a priori te verwachten, dat Calvijn, Melanchton, Bullinger en wie men verder wil opnoemen, hun tijd zagen onder het licht der Reformatie, dat hun was opgegaan. Maar het was niet de tijd van latere eeuwen, maar dien van hun eigen eeuw en hun eigen volksmilieu, dien zij er door verlicht zagen. Daaronder behoorde ook de rechtsorde en ;het strafsysteem, zooals dit nu eenmaal bestond. En het bestond zóó, dat ketterij, die een gevaar werd voor het behoud van staat en maatschappij, strafbaar was op de wijze als de wetten des lands of der stad aangaven. Het licht der reformatorische beginselen ging over het maatschappelijk leven op. Doch dit maatschappelijk leven was niet te vergelijken met een doode, stilstaande vijver, maar is en was een levensproces. Zoo zien wij dan ook, dat het langzaam maar zeker verandert. Wie met de gave des onderscheids het leven in onze maatschappij gedurende een halve eeuw heeft meegeleefd, heeft die veranderingen in onzen tijd duidelijk kunnen waarnemen. Misschien mag dat veranderingsproces in onzen tijd wat sneller verloopen dan voorheen, ook na de Reformatie zette het zich voort. En het is onbetwistbaar, dat de rechtstoestand in de vereenigde Provinciën, zoodra de reformatorische beweging eenige lucht had gekregen, al aanmerkelijk was gewijzigd, niet het minst door de vreeselijke wijze, waarop Philips II gepoogd heeft dat veranderingsproces tot stilstand te brengen en middeleeuwsche, in werkelijkheid voorbijgegane levensverhoudingen, met geweld te handhaven.
De Vaderen, die de brandstapels hadden zien branden en de afschuwelijke geuren daarvan hadden geroken, walgden van de Spaansche Inquisitie. De hier opkomende rechtsorde kon niet vereenigd blijven met methoden, die in Zuidelijke landen, met name in Spanje en Italië, waren overgebleven uit de Middeleeuwen. En hoe meer de druk van het bloedig geweld werd gevoeld, hoe sterker het verzet werd. Wie zich de geschiedenis van onzen opstand tegen den Spaanschen koning voor den geest stelt, die zal telkens, wanneer er onderhandelingen gevoerd werden over een mogelijke vrede, kunnen vernemen, dat als de eisch gesteld wordt van Inquisitie, deze absoluut wordt afgewezen, even absoluut als die andere, dat wederom de Roomsch-Katholieke religie de eenig geoorloofde zal zijn. Liever verliet men het land, liever gaf men het weer prijs aan de golven, dan dat men eene rechtsorde zou aanvaarden, die onvereenigbaar was met de nieuwe religie. Het nieuwe had den geheelen socialen toestand doorzuurd. Het rechtsbewustzijn was daarmede ook gewijzigd. En het gevolg was, dat van ketterdooding nooit meer sprake was, noch geweest is in de Protestantsch geworden Provinciën. Doch het Gereformeerde beginsel der souvereiniteit Gods en der gehoorzaamheid aan het Woord bleef en gold ook voor de Overheid. Die Overheid had beide tafelen der Wet te gehoorzamen, maar toch was er van ketterdooding geene sprake meer. Er was echter, en daarmede verschilden de Ouden van de latere, onder Spinozisme en revolutie zich ontwikkelende tijden, nog wel eene "roeping overgebleven voor de Overheid ten bate van het geestelijk leven des volks. Zij kon en mocht niet allerlei wind van leer toelaten, waarvan het spreekwoord zeide: „Wie wind zaait, zal storm oogsten." De Overheid had, om hare goddelijke roeping te kunnen volbrengen, eene taak voor het geestelijke leven des volks in het algemeen, voor het religieuse in het bijzonder, al stonden haar niet meer de rechtsmiddelen ten dienste, die men in de middeleeuwen of in Spanje toepaste bij de bestraffing der ketterij. En het ligt voor de hand, dat deze gewijzigde sociale omstandigheden zich ook deden gelden in de dogmatische beschouwingen onzer beste Vaderlandsche theologen. Hunne beschouwingen waren uit de grondbeginselen van het Calvinisme geboren, maar zij leefden onder geheel andere omstandigheden en dus ook onder eene andere rechtsorde. En wie dan ook b.v. opslaat de Synopsis, het werk der Leidsche professoren na de Dordtsche Synode, voor dien is het duidelijk, dat zij met hetzelfde beginsel als Calvijn voordroeg, staan te midden van eene andere maatschappelijke orde en onder een ander rechtsbewustzijn. Zij verkeeren nog in eene betrekkelijker wijze geestelijk uniforme maatschappij. Tusschen de burgerlijke regeering en de Kerk moet „Maxima concordia", dus de hoogst mogelijke eendracht bestaan. In het belang van het gemeenschapsleven hebben zij elkander te steunen, (zie Disputatio L, no. X L I X , L.) doch zij hebben elk eene eigene taak en functie.
Dat is dus geheel overeenkomstig Calvijn. Maar als het toekomt aan de vraag inzake de verhouding der Overheid tegenover „heterodoxe doctoren", kettersche volksverleiders, verderfelijke dwaalleeraars, halsstarrige godslasteraars, dan vinden deze zoo vportreffelijke Godgeleerden die vraag moeilijker uit te leggen (Disp. LV) en komen zij niet met zware eischen, doch geven zij de voorkeur aan zachtheid en voorzichtigheid. Eerst in den uitersten nood mag er gedacht worden aan de „potestas coactiva", aan dwingende maatregelen. Hoewel zij de dagen Constantijn zich herinneren, weten dat er de een strenger over oordeelt dan de ander, willen zij niet, dat tot de belijdenis eener religie zal worden gedwongen. Niets is meer vrijwillig dan geloof. Maar geheel anders komt de vraag te staan, wanneer het Gemeenebest zou gevaar loopen, oproer verwekt of het maatschappelijk leven met ondergang werd bedreigd. Dan had de Overheid haar strafrecht toe te passen.
Het blijkt uit deze beschouwingen, dat het rechtsbewustzijn onder de republiek hier te lande er al anders uitzag dan in de stad Genève in Calvijn's dagen en ook, dat er al eene wijziging was ingetreden, wanneer het vergeleken wordt met de dagen van Alva's inquisitie. Hier te lande kon men die niet verdragen en stond men wezenlijk vrijheid van Religie voor. Men was er zich van bewust, daarin verder te gaan dan in andere Gereformeerde landen het geval was. Om dit aan te toonen herinner ik er aan, dat b.v. Dirck van Bleyswyck in zijne Beschrijvinge der Stadt Delft, 1667 op blz. 459, deze opmerking maakt: „oock is het seecker, dat men in 't aennemen van de Gereformeerde Godts-dienst hier te Lande alleenlijck daer in verscheelde met de Leere die te Genève, in de Palts, en elders meer, in de publijcke Kercken, geleert wierdt, dat in plaets aldaer geen verscheydenheydt van Religie toe-gelaten wierdt, nademaal God (sustineerden se de Burgerschappen ofte Politien en Magistraten niet alleen hadt geordonneert om Lyf en Goet te beschermen, maer oock om (op sulck een wijse als hy selfs had bevolen) in 't algemeen gedient te werden, etc. soo hadt men daer en tegen hier te Lande die maxime, dat men alle wetten of dwang op 't stuck van Religie in sich selve soo verfoeylijck achte, als of 'et Inquisitie waer." Daaruit blijkt, dat men zich er van bewust was, dat onder de Republiek, die toch Art. 36 der Confessie honoreerde, eene andere rechtsorde heerschte dan in andere, overigens ook Gereformeerde landen, het geval was. Dat zulks zoo geweest is, kan niet worden betwijfeld. Bleiswijck's opmerking is volkomen juist. En de verklaring daarvan ligt voor de hand, blijkt ook duidelijk uit de woorden van Bleiswijck „als of 'et Inquisitie waer". Daarvan had men hier te lande tengevolge van Alva's woeden zulk een afschuw, dat al wat maar riekte naar gewelddaden om geloofszaken werd afgewezen als strijdend met het volksbewustzijn. De ervaring had den Vaderen geleerd, dat met geweld verkeerde beschouwingen op godsdienstig gebied niet werden overwonnen. Zelfs de Staten hadden in 1579 bij de onderhandelingen te Keulen, verklaard, dat zij op grond der ervaring aan de consciëntiën geen geweld wilden aandoen. Zelfs spraken zij uit: „dat het oock alsoo niet wel en accordeert met de Wet Godts, dat sy eenigh gewelt doen den Consciëntiën van andere menschen ". Uit dit alles blijkt toch duidelijk, dat dank zij de vreeselijke, bloedige vervolgingen onder Alva's bewind, in de Republiek zich het rechtsbewustzijn op het stuk der Religie had gewijzigd in dien zin, dat wat in Genève en elders, vooral in Roomsche landen, tot de middelen behoorde, waarover het strafrecht beschikte, hier niet meer werd toegepast, niet meer kon worden toegepast, omdat men het geheele vraagstuk anders aanvoelde.
Het is daarom zeer begrijpelijk, dat de beschouwingen, „de Magistratu ", zooals deze in de Synopsis purioris Theologiae, werden voorgedragen, zich bij deze Nederlandsche rechtsorde aansloten. Daarom hebben zij, hoewel zij het beginsel van Calvijn vasthielden, in Art. 36 met name ook de door het Gravamen gewraakte woorden anders gelezen dan de Adviseurs er hebben ingelegd om schrapping te kunnen rechtvaardigen.
En nog duidelijker blijkt dit bij Maresius. die in zijne „Confessionis Ecclesiarum Belgicarum exegesis", Groningen 1652, p. 554, no. 18, er nadruk op legt, dat aan den Magistraat het hoogste oordeel toekomt over hetgeen tot de Magistraatstaak behoort. En zoo moet aan zijn oordeel, wijsheid en conscientie worden overgelaten in hoeverre, op welke wijze en door welke middelen hij moet waken voor de instandhouding van de prediking des Woords en het onderdrukken van afgoderij en valschen godsdienst en de omverwerping van het rijk van den antichrist. Hij wenscht volstrekt niet, zooals op Roomsch standpunt het geval is, dat de Staat eenvoudig de besluiten der kerkelijke Overheid zal uitvoeren, maar wel dat de Overheid zich naar Gods Woord zal richten. Zij heèft uit den aard der zaak de Kerk vrij te laten (rerum sacrarum judicium Ecclesiasticum permittere Ecclesiasticis), maar de Overheid heeft zelve te weten, hoe zij de weegschaal hanteeren zal (p. 555). Merkwaardig echter is, hoe hij beknopt den geheelen inhoud van de woorden, die door het Gravamen worden gewraakt, samenvat, no. 20, en dan verklaart, „dat in onze kerken nooit goedgekeurd zijn „Busirideas Inquisitionis Papisticae et Hispanicae arae", d.i. de afgrijselijke brandstapels der Paapsche en Spaansche inquisitie, doch dat 2e. in onze Kerken altijd geloofd werd, dat geene tyrannie onverdragelijker is dan die over de gewetens heerschen wil. Aan het geweten mag geen geweld worden aangedaan, niemand moet tot het geloof worden gedwongen. Daarvoor zijn woorden noodig, doch geen geeselslagen (Verbis ad id opus est non verberibus, Doctoribus non tortoribus), leeraren maar geen beulen, daarom dat geloof niet moet worden opgelegd, maar door overtuiging bijgebracht, zegt Maresius met een beroep op Bernardus' 66e Serm. op het Hooglied. En dan voegt hij er aan toe: „Afgoderij en valsche godsdienst moet niet met het wereldsche zwaard, maar bovenal met het geestelijke zwaard worden uitgeroeid. En de Godvruchtige magistraat zal voor zijn deel genoeg doen, wanneer hij de Kerk steunt en beschermt, zooveel als hij vermag, voorziet van godzalige, geleerde leeraren, die grondig de waarheid voorstaan, verbreiden en de leugen weerleggen." Zoo verklaart Maresius de woorden van het gravamen. En natuurlijk wanneer er van oproerige daden of opruiing sprake is, dan is wapengeweld niet alleen geoorloofd, maar ook plichtmatig voor de Overheid. Tegen Godslastering heeft de Overheid op te treden, vooral dan, wanneer de Republiek wordt bedreigd, dus wanneer er van staatsgevaarlijke leeringen sprake is. Doch dat wil hij overlaten aan de wijsheid der regeering. Men moet „de ketters met Schriftwoorden steenigen, met geen ander dan alleen met het Evangelische zwaard dooden. Het verdient meer aanbeveling hen te onderwijzen dan te vernietigen, hen liever zachtkens tot de kennis der Waarheid te brengen, dan wreed te dooden. Het is er ver van af, dat de Magistraat met strenge straffen de dwalenden moet dwingen, maar integendeel wanneer ooit zulke tijden komen mochten, dat de welstand van het Gemeenbest, die toch voor de regeering de hoogste wet is, vordert, dat de openbare vrijheid worde toegelaten van verschillende religies, dan verdient het aanbeveling gebruik te maken van de woorden, door keizer Jovianus aan de Vaderen van het Antiocheensche Concilie gericht: „dat hij nooit iemand, welk geloof hij ook omhelsde, moeite zou aandoen, maar hen juist boven de anderen zou vervolgen met welwillendheid en eer, omdat zij de eigenlijke auteurs zijn van de eendracht der Kerk" (p. 556, 557, no. 21).
Zie hier Maresius' verklaring van de door het gravamen gewraakte woorden, die op de klaarste wijze aantoonen, dat de opvatting der Adviseurs, als hadden de Vaderen onder die woorden geweldmaatregelen, de doodstraf incluis, verstaan, geheel onjuist is. De Heeren Adviseurs zijn op zijn oordeel maar niet te diep ingegaan. Toch zou dit meer licht gegeven hebben. Maresius, die het Fransch goed machtig was, heeft de belijdenis gelezen, precies zooals zij alleen gelezen kan worden in den oorspronkelijken tekst. Zoo blijkt telkens opnieuw, dat het Advies, waarop de Synode van 1905 is afgegaan, wetenschappelijk niet door den beugel kan en levert zij, als het nog noodig was, een nieuw bewijs voor de stelling, dat Synoden, zelfs Synoden van gescheiden „Gereformeerde kerken" dwalen kunnen, vooral dan, wanneer de politiek leidsvrouw wordt der theologie. Zij toch leert niet meer te citeeren dan voor het politieke doel noodig is en de rest weg te laten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 februari 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Van Art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis (3e serie) XXI.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 februari 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken