Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Artikel 36 en het Woord van God (4e serie) I.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Artikel 36 en het Woord van God (4e serie) I.

12 minuten leestijd

Tot nu toe hebben wij de historische beschouwingen van het Advies, dat in 1905 de „Gereformeerde Kerken" tot schrapping der woorden heeft geleid, waartegen het gravamen zich richtte, nauwkeurig aan onze lezers voorgelegd en onder de loupe der critiek genomen. Daarbij bleek, dat de Adviseurs den juisten methodischen regel, waarvan zij beweerden te zullen uitgaan, niet hebben toegepast. Zij hebben wel in den breede allerlei gegevens saamgebracht, die voor de beoordeeling van belang zijn, maar deze zoo gegroepeerd, dat er het vonnis uit volgen moest, dat zij wenschten te verkrijgen. Van objectiviteit, dat bleek ons al te zeer duidelijk bij Maresius' verklaring der confessie, was daarbij geene sprake. De eenvoudige man, die met wetenschappelijke methoden van werken niet bekend is, of wie dit wel is, maar geene gelegenheid heeft de Heeren na te rekenen, moet wel den indruk ontvangen, alsof de conclusie volkomen juist is. Toch is dit allerminst het geval. Bij de opsomming der gegevens zijn de historische toestanden, waarin zij ons verplaatsen, volkomen uit het oog verloren, zoodat deze uit het kader, waarin zij alleen begrijpelijk zijn, werden uitgelicht en zonder meer overgebracht en ons voorgesteld in onze hedendaagsche verhoudingen. En natuurlijk passen zij daarin niet. De Adviseurs hebben de sociologische toestanden, waarin ons die gegevens verplaatsen, geheel voorbijgezien, de eeuwige beginselen, waarvan zij de vertolkers zijn, gelijkgeschakeld met de historische rechtsorde, waarin zij ons verplaatsen. En daar ons moderne maatschappelijke leven heel anders bestaat dan dat van den bloeitijd der Republiek, moest men wel komen tot de conclusie, dat eigenlijk heel het artikel uit den tijd was. Inderdaad dachten sommigen der Adviseurs er ook zoo over, maar zij hadden alleen een politiek belang bij de verwijdering der woorden van het gravamen. Doch deze conclusie was daarom valsch, omdat zij uitging van de geheel verkeerde gelijkschakeling van het beginsel met den rechtstoestand van voorheen. Zij zagen niet in, dat een beginsel eeuwig en onveranderlijk kan zijn, hoewel de historische omstandigheden geheel wijzigen. Zij hebben ook zelfs verzuimd het beginsel om zoo te zeggen uit te pellen als de levende kern. Het was alleen te doen om de wegneming van de tegen Rome gekeerde piek. Daarbij was het voor alles noodig om zulk eene uitlegging aan de woorden van het gravamen te geven, dat men een diepen indruk zou krijgen van de onmogelijkheid hunner handhaving. Geweldmaatregelen der Overheid, tot zelfs ketterdooding toe, werd er ingelegd, ook al werd in de dagen der Republiek nooit een ketter gedood en was er geen Nederlandsch theoloog, hoe Gereformeerd ook, die ketterdooding voorstond. Omdat men het beginsel gelijkschakelde met de voorbijgegane rechtsorde, die uit den aard der zaak, nu wij onder een geheel andere wetgeving leven, op onze toestanden absoluut niet past, moest met de verwerping dier rechtsorde ook het beginsel vallen. Met het badwater moest het kind worden weggeworpen.
Daarbij kwam bovendien, dat men verzuimd heeft ernstig rekening te houden met den wezenlijken zin van den authentieken tekst. Men bleef bij eene oppervlakkige lezing van den vertaalden tekst, die, zooals dit wel meer met vertaling geschiedt, wel woordelijk juist kan zijn, maar toch de fijne nuance van den grondtekst lang niet altijd zuiver weergeeft. Dat is bij de Statenvertaling vaak ook zoo. Vandaar dat wij onzen studenten altijd leeren den grondtekst niet uit het oog te verliezen. Bij de belijdenis heeft men zulks in dit geval echter geheel voorbijgezien, niet omdat men dien grondtekst niet kende, maar omdat die niet bevorderlijk was aan het na te streven doel: eene lezing, die veroordeeld moest worden, woorden, die men schrappen wilde om de Roomschen te behagen. Dat beteekent natuurlijk niet, dat alle Adviseurs zich daarvan bewust waren. Dat zij verre. Maar aan de politieke opzet dezer schrapping doet zulks niet af. W i j weten allen, hoe zulke processen verloopen. En hier werden voorstellingen uit den ouden tijd opgevoerd in een modern licht. En niet waar, wie kan nu in dezen tijd nog praten over „weren en uitroeien van afgoderij en valschen godsdienst", nu er nauwlijks iets anders in deze hedendaagsche wereld te ontdekken valt. Zoo op het eerste gezicht af moet ieder wel zeggen, dat deze woorden uit de belijdenis toch eigenlijk verdwijnen moeten. Dat spreekt toch van zelf, daarmede kunnen wij nu niet meer aankomen. Alleen enkelen waren er, die er anders over dachten, doch deze enkelen zaten niet onder de Adviseurs.
Maar genoeg, het is nu wel duidelijk geworden, dat de historische gronden, waarop dit advies steunt, onhoudbaar zijn, den toets der wetenschappelijke critiek niet kunnen doorstaan. En wij zouden het hierbij nu kunnen laten, indien er in dat Advies ook nog niet eenige aandacht was gewijd aan hetgeen Gods Woord zelf aangaande dit vraagstuk zegt. En nu is het zeer merkwaardig, dat aan dit gedeelte van het onderzoek maar zeer weinig aandacht is besteed. Om te komen tot de conclusie, dat in Art. 36 zou geleerd worden, dat „het roeping en plicht is der Overheid als zoodanig, om, zonder aan de consciëntiën geweld aan te doen of in het verborgen leven in te dringen, op het publieke terrein des levens, dat onder hare hoede staat, met al de haar ten dienste staande middelen (zooals wettelijke bepalingen, verbod van openbare godsdienstoefeningen, straffen tegen weerstrevenden en ketters) al die secten, kerken of personen, die zich volgens haar oordeel schuldig maken aan afgoderij, vervalsching van den dienst Gods of medewerking aan het rijk van den Antichrist, tegen te staan en te onderdrukken" — om tot die conclusie te komen, die dan nog verzacht werd, omdat het dooden van ketters er niet in genoemd wordt, hebben niet minder dan 20 folio's gediend. Het Schriftbewijs komt er slechts met vier folio's af.
Reeds uit deze wanverhouding blijkt, dat de Schriftuurlijke behandeling, die toch voor alles grondig had behooren te zijn, in het geheel niet tot haar recht komt. Er zijn eenvoudig eenige teksten opgesomd, waarop men oudtijds gewoon was zich bij de behandeling ervan te beroepen. Doch dat de Vaderen het vraagstuk in de belijdenis behandelden, het dus in haar licht zagen, hebben de Adviseurs niet opgemerkt. Daarom is er in het Advies van een schriftuurlijke behandeling geene sprake. Er wordt eenvoudig verwezen naar eenige artikelen, die in D e H e r a u t verschenen waren, terwijl het geschrift van Prof. v. Velzen niet gememoreerd wordt.
In plaats van de schriftuurlijke vraag nu in het oog te vatten, stelt het Advies ons voor oogen, hoe de Vaderen gewoon waren een beroep te doen op hetgeen de Heere bevolen heeft in Lev. 24 : 15, 16, waar geschreven staat: „Een ieder als hij zijnen God gevloekt zal hebben, zoo zal hij zijne zonde dragen. En wie den Naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden. De gansche vergadering zal hem zekerlijk steenigen. Alzoo zal de vreemdeling zijn gelijk de inboorling, als hij den Naam zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden." En zoo wordt gewezen op Deut. 13: 1—6 en 18:20, waar gesproken wordt over het dooden van valsche profeten, op Deut. 13 : 6—8 en 17 : 2—7, waar gehandeld wordt over het verleiden tot het dienen van andere goden en de straffen daarover door den Heere bevolen. De Adviseurs wijzen dan dit beroep der Vaderen af met de opmerking, dat in deze en dergelijke teksten geen sprake is van een valschen eeredienst of een kerk, die er afgodische gebruiken op na houdt, maar van godslastering, valsche profetie en afval tot het heidendom" (blz. 294 van de Acta der Gen. Synode der Geref. Kerken in Nederland van 1905). En zoo wordt ook afgewezen het beroep .op Pinehas, Elia, Elisa, die de afgoderij hebben tegengegaan, omdat deze personen geen overheidsambt bekleed hebben en uit hunne handelingen derhalve geen regel voor de Overheid kan worden afgeleid."
Wat nu aangaat plaatsen als Lev. 25 : 15 en 16 en Deut. 13 : 1—6; 17 : 2— 7, hebben niet de Vaderen, maar de Adviseurs zich vergist. Zeer terecht brengt Calvijn Lev. 24 : 15 en 16 deze wetten tot de rechtsorde, waaronder het volk leefde. Hij qualificeert deze dan ook als „Appendices politicae" op het derde gebod. En het doel van het derde gebod is, dat Gods heilige Naam, zooals betaamt, zal moeten worden geeerd door het volk. want „poena capitis", de doodstraf staat er op. W i j hebben hier dus van doen met een goddelijk recht in Israël. En dat gaat niet om buiten de Overheid. Uit den aard der zaak heeft ook dit recht, daar het met de profetische functie van het oude volk samenhangt, beteekenis voor ons. Niet in dien zin alsof wij geroepen waren deze profetische taak van Israël na te doen. want met de verschijning van Christus vervalt de gansche ceremonieele wet. Doch er ligt in deze wetgeving ook een moreel element, dat een onvergankelijke waardij heeft. En dit moreele beginsel der wet heeft wel degelijk voor eene Christelijke Overheid wat te zeggen. Als zoodanig heeft dus Gods Kerk wel terdege te belijden, dat de Overheid, of zij het wil en kan doen. dan wel of zij het niet wil, noch kan doen, van Gods wege geroepen is godslastering, valsche profetie, afval tot het heidendom, valsche godsdienst en afgoderij tegen te gaan. De vraag op welke wijze zij dit kan doen en moet doen, kunnen wij voor het oogenblik daarlaten, doch de roeping als zoodanig is buiten kwestie. Indien God de Heere Zich in Zijne onaantastbare heiligheid in Zijn Woord openbaart aan Zijne Kerk, dan heeft die Kerk de roeping dit te belijden en hare belijdenis ter kennis van de Overheid des lands te brengen. En omgekeerd heeft de Overheid, als regeerende krachtens Gods ordinantie hier eene roeping: „Door Mij", zegt de Wijsheid, Spr. 8:15, „regeeren de koningen en de vorsten stellen gerechtigheid." Maar hoe zou dan eene regeering er zich kunnen afmaken, alsof zij met de heilighouding van Gods Naam niets te maken had. En dat ook Pinehas, Elia en Elisa, die met geweld afgoderij hebben tegengegaan, ons niets zouden leeren, omdat zij geen overheidsambt bekleed hebben, wijs ik weder op Calvijn's verklaring in zake Pinehas. dat deze eene buitengewone roeping had. Toch moet hierbij worden in aanmerking genomen, dat den koning met de regeering de rechterlijke macht werd opgedragen, den Profeet om in Gods Naam te spreken, maar dat in den theocratischen staat ook de priester eene goddelijke volmacht heeft, die vooral doelt op de heiligstelling van het volk als gemeente des Heeren. De priesters hadden echter ook deel in de rechtspraak. Het hooge gericht had zijn zetel in het heiligdom. Maar natuurlijk volgt daaruit niet, dat Pinehas als voorbeeld kan worden aangehaald, wel dat hij als tot de rechtspraak geroepen, voor het vonnis beteekenis had. het buitengewone in zijn optreden beteekent dus niet, dat de rechtsgrond voor zijne daad er niet was. De straf, die hij voltrok, was op zichzelve ongetwijfeld recht. Alleen, dat hij met eigen hand strafte, deed hij, zooals Calvijn opmerkt, onder leiding des Heiligen Geestes en kan dus voor niemand een reden zijn om hem daarin na te volgen. En zoo ook Elia en Elisa, die met geweld afgoderij tegen hebben gestaan, ook daarbij hebben wij niet van doen met een officieele rechterlijke daad, maar wel met een beslechting van het conflict, dat in den boezem van het volk ontstaan was door Achab's overtreding. Des Heeren profeet was in strijd met Achab, die het volk deed zondigen. Was niet Elia de beroerder van Israël, omdat hij opkwam voor de eere des Heeren? En dan toont de Heere, dat Achab zijnen koninklijken plicht niet nakwam door Elia's profetische daad. Maar daaruit volgt dan ook, dat de Heere Achab's roeping in volle klaarheid voor hem stelt. De koning Achab moest weten, welke zijne roeping was. En dus hebben de Ouden zeer terecht in het oordeel over de Baaipriesters gezien teekening van den plicht der Overheid van Godswege opgelegd, om te waken voor den dienst van Israëls God. De leering schuilt dus niet in het optreden dezer profeten als zoodanig, maar in het licht, dat daardoor van Godswege wordt ontstoken over Achab's zonde als een vergrijp aan het koninklijk ambt, dat daardoor verschijnt als aangewezen tot de volbrenging eener taak ten bate van het godsdienstig leven des volks. En daarom, al is hier geene sprake van de handeling van personen, die een overheidsambt bekleeden, er is hier wel duidelijk in het licht gesteld, hoe de Heere wil, dat het koninklijk ambt zal worden volbracht in gehoorzaamheid aan Zijn Woord en Wet.
Meer beteekenis hechten de Adviseurs aan de voorbeelden der godvruchtige koningen, als Asa, Jehu, Hiskia, Josia, e.a., die de hoogten wegnamen, de afgoderij uitroeiden, 1 Kon. 15 : 12; 2 Kon. 10 : 18; 18 : 4; 23 : 1; 2 Chron. 31 : 1; 34 : 33, want daaruit blijkt, dat uitroeien der afgoderij en valsche godsdiensten als een Gode welgevallig werk der koningen werd beschouwd, zoodat niet ontkend kan worden, dat zulks destijds plicht der Overheid was. In plaats van nu het typisch afschaduwend karakter van oud-Israël in het oog te vatten en dus ook het moreele beginsel er in op den voorgrond te stellen, wordt eenvoudig het beginsel, dat erin ligt, voorbijgezien, als had dit deel van Gods Woord ons niets te zeggen. Dit is geen recht gebruik der Heilige Schrift. Het komt ons dan ook juister voor bij dergelijke deelen der Oud-Testamentische Schrift het al beheerschend beginsel als norm te onderscheiden van den ceremonieelen vorm, waarin ons dit geboden wordt. Zoo deed ook de Heere Jezus het ons voor. In dit opzicht is dus de methode van Schriftverklaring, zooals die door de Adviseurs werd toegepast, als onjuist af te wijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 6 March 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Artikel 36 en het Woord van God (4e serie) I.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 6 March 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken