Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het dogma in Artikel 36 VIII.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het dogma in Artikel 36 VIII.

De souvereiniteit Gods en de overheid.

9 minuten leestijd

Spreuken 8 : 15, 16. Door mij regeeren de koningen en de vorsten stellen gerechtigheid. Door mij heerschen de heerschers en de prinsen, al de rechters der aarde.

Er is dus geene uitzondering op den oorsprong van het Overheidsgezag. Hoe en waar het ook verschijnt, of de volken onder hunne regeeringen nederzitten als onder den wijnstok en den vijgeboom. dan wel zich krommen onder het juk van den tiran. Of wij in Nederland ons mogen verblijden onder het vredig lommer van den Oranjeboom, dan wel het Russische volk zich zuchtend en kreunend kromt onder het juk zijner overweldigers, steeds hebben wij van doen met regeeringen, die er zijn krachtens de voorzienige Wijsheid Gods. W i e gezegend wordt, roeme in den Heere, wiens verbeurde gunst over ons was, wie lijdt, dat hij zich verootmoedige vanwege de zonde des volks. Doch onder alles moet Hij worden gekend, als de Vader der barmhartigheden, die niet deed met ons naar onze zonden. T e Zijner ijtd zal de Heere over alle afwijking en zonde der volkeren recht doen.
Door mij regeeren de koningen. Zij hebben dus hun souverein gezag door goddelijke Wijsheid. En zij hebben het niet krachtens eene zoogenaamde volkssouvereiniteit. Gods Woord kent slechts een goddelijk recht der Overheid. De erkenning daarvan is voor de volken van het hoogste belang, omdat alleen daarbij de waarborgen berusten voor de rechtszekerheid des volks. Zonder deze belijdenis van Gods Naam is alle rechtsvorm wankel. Immers, wanneer door de goddelijke Wijsheid de koningen regeeren, dan danken zij hun gezag niet alleen aan God, maar zijn zij ook tevens zeiven bij de uitoefening van hun gezag Gode onderworpen, gebonden aan Gods wet. Een regeering krachtens het souvereine volk geroepen tot haar ambt, is aan de willekeur des volks prijsgegeven, heeft te doen wat de massa van haar wil. De stem des volks geldt haar als de stemme Gods, al roept deze ook om hetgeen de volken tot den ondergang brengt. Zulk eene regeering kan alleen onder regeeren verstaan het streven om de massa te behagen, al zal zij er ten laatste bij ondergaan.
Gods Woord kent alleen eene regeering naar Gods recht, eene regeering, die er door Gods wijsheid toe geroepen is en zich nu ook in de volbrenging harer taak naar die wijsheid richt. En nu laat ons hier Gods Woord ook zien. welke de taak van zulk eene door God verordende regeering is.
Het ligt voor de hand, dat hierbij niet de eerste vraag is, of de koningen en vorsten zeiven weten, dat zij door goddelijke Wijsheid geroepen werden. Zij zijn geroepen of zij het weten of niet. Het is met deze koningen en vorsten precies als met eiken zondaar. Of wij het erkennen of niet, het willen weten of niet willen weten, wij zijn Gode rekenschap schuldig. Hij heeft ons geroepen. God heeft het hun geopenbaard, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. En zoo zijn ook de koningen en de vorsten zonder onderscheid dragers van een goddelijk gezag, dat hun door de goddelijke Wijsheid werd bereid. En het volk, waarover zij regeeren, is geroepen dit goddelijk gezag te erkennen. Zooals de Overheid door Gods Wijsheid ingesteld en verordend is, zoo behoort ook hun gezag als goddelijk te worden aanvaard.
Zoo is dus het Overheidsgezag in Gods souvereine daad gegrond en is zij daarom ook bij de volbrenging harer taak aan Gods gezag onderworpen, mag zij niet doen, wat zij wil, mag hare daad geen loutere machtsdaad zijn, doch is de Overheid zelve allereerst tot gehoorzaamheid aan God geroepen. Ook daarbij treedt nu een diepgaand onderscheid aan den dag tusschen de Overheid, zooals zij in de wijsbegeerte der revolutie verschijnt en zooals zij in Gods Woord ons wordt voorgesteld onder Gods openbaringslicht.
Volgens deze moderne wijsbegeerte is er slechts sprake van de macht en gaat het recht der Overheid zoo ver als hare macht gaat. En als hare macht ophoudt, omdat het souvereine volk van hare macht niet langer gediend is, dan houdt daarmede ook haar recht op. Recht en macht zijn in deze moderne wijsbegeerte met elkander congruent, dekken elkaar. Het ligt voor de hand, dat onder zulk een gezagsbeschouwing wij met willekeur van doen hebben, die soms op de vreeselijkste wijze openbaar worden kan. In de geschiedenis van het Bolschewisme zijn daarvan in onzen tijd treffende voorbeelden gegeven. Er zijn dingen gebeurd, die met alle goddelijke en menschelijke wet den spot dreven, het gansche burgerschapsleven vernietigden, zoodat er noch van eigendom, noch van gezin, noch van eenige rechtszekerheid meer sprake kan zijn. Er zijn onder dit vreeselijke regime, dat mij door iemand, die er eenige maanden geleefd had, als een „boevenregeering " omschreven werd, wetten gegeven, die Calvijn noemt „barbaarsche en onredelijke wetten, zooals die geboden dieven met eer te overladen, eene sexueele promiscuiteit veroorloofden en andere dergelijke nog schandelijker en onredelijker, die ik voor geene wetten houden kan". Zulke wetten van de goddelooste en gruwelijkste willekeur zijn er inderdaad gegeven door eene Overheid, die zich de macht had genomen en haar nu toepaste op eene wijze, die het onmenschelijke en dierlijke tot wet maken moest.
Ongetwijfeld niet alle radicalisme behoeft tot zulke uitspattingen te leiden. W a a r het overheidsgezag absoluut geworden is, zich aan Gods souvereiniteit heeft onttrokken, daar staat de weg open tot de gruwelijkste uitspattingen. Daar kan het Bolschewisme onbeperkt woeden, doch ook een Nero Rome laten branden en de Christenen, die gehaat werden door de opgezweepte, domme massa, laten folteren, niet slechts om zelve de beschuldiging dezer brandstichting te ontgaan, maar om zich de gunst van het misleide volk te verwerven. En zoo liet hij de onschuldigen kruisigen, in huiden van wilde dieren genaaid door honden verscheuren of als fakkels branden, om alzoo den nacht te verlichten. Geen wonder, dat men in zulk een keizer, evenals in de bolschewisten, die op zulk een vreeselijke wijze de tiranieke macht misbruiken en kunnen misbruiken, omdat zij aan geen hooger gezag zich onderworpen wanen, in zulke hellemacht den antichrist ontdekte. Zoo diep was de vreeze in het gemoed geslagen, dat men niet gelooven kon, dat Nero gestorven was en — wat ook wel met andere tirannen gebeurd is — het gerucht zich verspreidde, dat de onmensch zich slechts verborgen hield achter den Euphraat, vanwaar hij zou wederkomen om de verwoesting te voltooien, die in zijn eerste komst was begonnen. De antichrist nam gestalte aan in zulke vreeselijke historische figuren. Tacitus noemt dien Nero „incredibilium cupitor", een begeerder van ongelooflijke dingen, waardoor hij in zijn perverse, dierlijke, onnatuurlijke gruwelzucht wordt gekarakteriseerd. Dat is de souvereiniteit van het menschelijk gezag, losgemaakt van de souvereiniteit Gods, onttrokken aan alle zedelijke orde. En zooals ik zeide. al komt zulk een buitengewoon voorbeeld niet alle dagen voor, er zijn er meer in de geschiedenis dan oppervlakkig beschouwd, zou worden verwacht.
Daarom ligt in de belijdenis van Gods souvereiniteit het allereerste grondbeginsel van Gods Woord voor ons, waaraan de souvereiniteit der Overheid volstrekt ondergeschikt behoort te zijn. Groen van Prinsterer legt er dan ook nadruk op, dat wanneer het Staatsgezag aan Gods souvereiniteit onttrokken wordt, zooals dit bij alle vrijzinnige staatsbeschouwing het geval is, omdat deze er een Volkssouvereiniteit voor in de plaats heeft gesteld, een staatsabsolutisme wordt ingeleid. Daardoor staat dan ook de Christelijke staatsleer, met haar goddelijk recht der Overheid, in lijnrechte tegenstelling met alle vrijzinnigheid zonder onderscheid. Het noodzakelijk gevolg van de verwerping der Souvereiniteit Gods is de onbeperkte absolute macht, dat is dus de willekeur van den Staat. Daarmede is rechtszekerheid en ook de vrijheid verdwenen en doet despotisme zijne intrede. In onzen modernen tijd neemt dit beginsel, zoolang de revolutie nog smeulende blijft in de diepte, het karakter aan van het goedvinden der helft plus één. Onder den naam van algemeen belang, algemeen welzijn, wordt dan alles geoorloofd, zoodat recht en vrijheid slechts gegund worden, zoolang de Overheid het goedvindt. Wij leven dan onder „feene parlementaire dictatuur, onder een revolutionair staatsalvermogen in de autocratie van een Vorst of van een Minister geconcentreerd".
Zoo heeft Groen van Prinsterer er voor gewaarschuwd. En aan dat hoogere beginsel, ons in Gods Woord geopenbaard, ontleende hij dan ook „een wettig protest tegen het alvermogen der W e t " . En daarom werd Groen verdacht gemaakt door het liberalisme zijner dagen. „Hoe menigwerf werd ik, om dergelijke stellingen, om lijdelijk verzet gewetenshalve, om de zinspreuk der martelaren „ik kan niet anders, omdat ik niet anders mag: God helpe mij!" ook in de Tweede Kamer, van het voorstaan eener leer van rustverstoring verdacht! En toch ook hierin is de tegenstelling van het Christelijk- historische en het revolutionaire Staatsregt blijkbaar." Dat was het lot van Groen van Prinsterer in zijn opkomen voor het goddelijk recht der Overheid. En daarmede was hij in volkomen overeenstemming met Gods Woord en met de belijdenis onzer Kerk, die beide de Overheid slechts kennen en kennen kunnen als aan Gods souvereiniteit onderworpen. „Door mij regeeren de koningen en de vorsten stellen gerechtigheid."
Zoo is dus het overheidsgezag aan de souvereiniteit Gods onderworpen en dus ook in de uitoefening harer taak aan Gods zedelijke ordinantiën gebonden. En zoo worden dus ook in Gods Woord de grenzen van de Overheidstaak bepaald. Zij heeft daarom niet het recht om al te doen, wat zij zich kan toeëigenen, maar zich rekenschap te geven van hetgeen tot hare bevoegdheid behoort. En ook die grens wordt in Gods Woord met groote klaarheid getrokken als hier gezegd wordt van de goddelijke Wijsheid niet alleen, dat de koningen door haar regeeren, maar ook „de vorsten stellen gerechtigheid". Met deze woorden wordt omschreven, hetgeen ook in onze Belijdenis staat op breedere wijze toegelicht, dat God koningen, prinsen en Overheden verordend heeft, willende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën, opdat de ongebondenheid der menschen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de menschen toega." De Overheid is er, opdat God door haren dienst „gerechtigheid" stellen zal. Het is dus niet de taak der Overheid om het maatschappelijk leven naar willekeur in te richten, het is niet hare taak te doen, alsof staat en maatschappij elkander dekten en in elkander hebben op te gaan. Neen, veeleer is de schriftuurlijke voorstelling deze, dat God de Overheid verordenend, haar laat opkomen uit het maatschappelijk leven, opdat zij in deze maatschappij „gerechtigheid stellen" en alzoo als dienaresse Gods waken zal voor de handhaving der goddelijke Wet, waarvan alleen gezegd kan worden: „De bevelen des Heeren zijn recht, de rechten des Heeren zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig "

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 juni 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het dogma in Artikel 36 VIII.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 juni 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken