Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het sterfbed van Olevianus

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het sterfbed van Olevianus

16 minuten leestijd

Het is u bekend, dat Caspar Olevianus samen met Urzinus onzen Heidelberger Catechismus heeft opgesteld. W e willen iets mededeelen van het einde van dezen godvruchtigen theoloog; een dergenen, die een blijvend spoor nalieten van hun arbeid voor de Kerk des Heeren. Met een enkel woord slechts deelen wij iets mee van zijn veelbewogen leven. Hij is geboren in 1536 te Trier. Als student in de rechten werd hij gewonnen voor de leer der reformatie en veranderde God zijn hart om het met den inzet zijner gansche persoonlijkheid te stellen in den dienst der waarheid.
Hij studeerde nu te Genève onder leiding van Calvijn en arbeidde in zijn vaderstad voor de reformatie, daartoe aangespoord door Farel. In 1560 werd hij hoogleeraar te Heidelberg en stelde daar met Zacharias Urzinus den Catechismus op. Toen Frederik III stierf, verloor hij zijn ambt. In 1583 ging hij naar Herborn, waar hij medewerkte aan de oprichting der hoogeschool. Slechts kort heeft hij daar kunnen werken, want reeds in 1587 stierf hij, ruim 50 jaar oud.
Wij haalden reeds meermalen iets aan uit zijn werk over het verbond der genade. Een moeilijk leven lag achter hem, gevangenschap voor den naam en zaak des Heeren had hij doorstaan. Zijn gezondheid was totaal ondergraven en in Februari 1587 was hij niet meer in staat zijn ambt te vervullen voor de Kerk en de Hoogeschool en zijn zwakte nam met den dag toe. Een ongeneeslijke waterzucht zou hem ten grave sleepen.
Gewoon als de vaderen waren orde op zaken te stellen, maakte hij het volgende testament den elfden Maart. Dit moge hier vertaald volgen:
„In den naam van God, des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes heb ik Caspar Olevianus, dienaar des goddelijken Woords, terwijl God de Heere mij mijn zinnen liet, mijn uitersten wil in het kort willen maken. Eerst dank ik mijn lieven God, Vader, Zoon en Heilige Geest, dat Hij mij tot een redelijk schepsel op deze wereld heeft geschapen; hiervoor echter in het bijzonder, dat Hij mij krachtdadig heeft geroepen en met het geloof begiftigd en mij in den eenigen Middelaar en Zaligmaker Jezus Christus heeft levend gemaakt, daar ik dood was in de zonden en misdaden en in Hem mij heeft geschonken de gerechtigheid Gods in het heilige offer van mijn Heiland, Jezus Christus, benevens de toekomende heerlijkheid en mij heeft geopenbaard den rijkdom Zijner genade, dat Hij mij uitverkoren heeft tot het kindschap in Christus uit genade. Daaruit toch vloeien alle deze genaden en heeft mij dezelve deelachtig gemaakt door den Geest der aanneming, die daar roept Abba, lieve Vader! Ik bid Hem, dat Hij Zijne genadige belofte naar Zijn almachtige en genadige hand over mij, over mij uitgebreid wil houden tot het einde, gelijk Hij mij beloofd heeft: Niemand zal mijne schaapkens uit Mijne handen rukken; die ze Mij gegeven heeft, is sterker dan allen. Ik en de Vader zijn één. Ëvenzoo in den Psalm: Raak mijne gezalfden niet aan.
Ik dank ook uit den grond mijns harten voor alle andere weldaden, die Hij mij in ontelbaren getale van den moederschoot af tot deze stonde zoowel geestelijke als lichamelijke, geschonken heeft, zonder eenige verdienste mijnerzijds, als Zijn kind. Dat Hij mij ook eene vrouw en kinderen heeft geschonken, die ik Hem dan hiermede (gelijk mijn lieve moeder) in Zijne bescherming en regeering van Zijn goeden Geest van harte aanbeveel, en berust tenslotte in het kindschap, dat Hij mij uit genade en den mijnen beloofd heeft.
Verder wil ik nu in Godes genade aanbevelen de Paltz, de grafelijke hoven Wittgenstein, Solms, Braunsel en Nassau- Dillenburg met de onderdanigste bede, dat zij het begonnen werk der scholen en der drukkerij niet in den steek zullen laten, als eene groote genade Gods, die tot troost van vele menschen dient, en in het bijzonder tot Gods eere, om het licht der waarheid te behouden en voort te planten. Ik bid ook, dat zij zich bij een goede zaak, die Godes is, niet zullen schuwen haar te dienen. Verder, dat zij ook de synoden handhaven en met het betrekkelijke nut derzelven tevreden zijn, gelijk ook de visitaties op zekere tijden; dat men ook met den verkoop der kerkelijke goederen met de grootste voorzichtigheil zal handelen, want anders zullen de arme predikanten zich niet staande kunnen houden in hun levensonderhoud. Men moet ook van de dienaren, die teveel hebben, aan de anderen wat mededeelen, die weinig hebben.
Wat nu aangaat de grafelijke kinderen van den Welgeboren Heer, den Heere Johann, graaf van Nassau, die mij in mijn ziekte hebben bezocht, bid ik God, dat de opwekking, die zij mij door diezelfde genade ook gegeven hebben, Gods eere en hun welstand betreffende, steeds door Gods Geest en regeering van kracht mogen zijn, zoo zal Gods zegen met hen zijn.
Wat mijne lieve huisvrouw Philippina betreft, danke ik in diepe onderdanigheid mijn genadigen Heer, dat hun gunst haar, gelijk onze kinderen, zoo genadiglijk heeft bedacht. In het bijzonder echter dank ik voor Uw gunst, dat gij de weldaden, die zij aan mijn zoon Paul hebben bewezen, geheel vrijwillig hebt bewezen zonder band van verplichting voor hem, zooals uw genadige Heer van meet af mij uitdrukkelijk heeft verklaard (omdat men door zulke verplichtingen van vrije geesten meer slaven maakt, dan dat men oprechte lieden trekt). Zoo vat ik het ook op voor de toekomst van mijn zoon Lodewijk. Deze mijne beide zonen wil ik hiermede tot kinderlijke dankbaarheid en trouw vermaand hebben, gelijk ook mijne lieve huisvrouw daartoe geen moeite sparen zal door Gods genade.
Wat nu mijn lieve moeder aangaat, zoo is mijn wil, gelijk ook Dr. Rivius heeft toegestemd, dat de verafgelegen goederen in de Olevia (bij Trier) met winst verkocht zullen worden en moeder daarvan haar levensonderhoud ontvange. Maar, gelijk zij zelf heeft bewilligd, aan mijn huisvrouw zal zooveel van de opbrengst der verkochte vaste goederen aan gereed geld ter hand worden gesteld, dat mijn vrouw des te beter de kinderen ter school kan laten gaan. Ik bid ook onderdanig, mijn genadige Heer, dat gij uwe hand steeds beschermend over mijne moeder zult uitstrekken, evenals over mijn lieven broeder Matthes Olevianus, aan wiens trouw ik niet twijfel. Met betrekking tot hem is dit mijn laatste wil, dat wanneer het tot scheiding van den boedel komt, hij honderd gulden zal nemen als bewijs van mijn broederliefde. Wanneer Dr. Rivius zijn derde deel daartoe niet wil afstaan (wat ik niet hoop van mijn lieven zwager) dan moet het van mijn deel af, opdat de honderd gulden vol worden, gelijk ik hiermede als zwager hem bid als getuigenis van onze christelijke liefde.
Daar het nu zou kunnen gebeuren, dat mijn kinderen vóór mijne moeder door God uit dit aardsche tranendal werden opgeroepen, zoo zal het genot van de bloemen op ons erfgoed in de Olevia, zooals boven vermeld, voor mijn lieve moeder blijven, het eigendom echter zal mijn lieve huisvrouw erven.
Ik heb nog allerlei geschreven dingen liggen, die mijn huisvrouw zorgvuldig bewaren moet en moet toezien, dat niets lichtvaardig gedrukt worde. In het bijzonder zijn nog aanwezig mijn preeken, die ik gehouden heb in de Paltz over de brieven aan de Corinthiërs.
Hiermede wil ik dan nog mijn lieven God, Vader, Zoon en Heilige Geest, door den eenigen en eeuwigen Hoogepriester lichaam en ziel bevolen hebben, rustend op Zijn genadeverbond en belofte, dat Hij mijn God en mijns zaads in eeuwigheid zijn wil en nooit in toorn tegen mij zal handelen, gelijk Hij mij Zijn eed heeft gezworen, Jezaia 54: Dit zal mij zijn als de wateren Noachs, toen Ik zwoer, dat de wateren de aarde niet meer zouden bedekken, alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen noch u schelden zal. Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer. Amen."

Olevianus heeft een eigenhandig onderschrift gesteld onder dit testament in het Latijn, luidend als volgt:
„Ik, Caspar Olevianus, heb met eigen hand onderschreven en betuig openlijk voor de heilige Drievuldigheid, dat ik het onvervalschte christelijke geloof door den Geest en de genade Gods zoowel met woord als geschrift, heb geleerd, dat ik in datzelfde geloof en die leer door de genade Gods tot eeuwige zaligheid door de verzegeling des Heiligen Geestes volhard, mij op Zijne genade verlatend, gelijk Hij mij in Zijn Woord heeft geopenbaard. Amen door Jezus Christus."

T e r toelichting zij opgemerkt, dat Olevianus niet alleen Doctor was in de theologie, maar reeds in 1557 was gepromoveerd tot Dr. in het Civiele recht. Daarom kon hij blijkbaar zelf zeer goed zijn testament maken. Hij huwde in 1561 met eene weduwe, die hem twee zoons en eene dochter schonk. Olevianus was vriend van de groote mannen der reformatie, als Calvijn, Farel, Beza en anderen.
Zijn moeder overleefde hem nog 9 jaren en is naast haar zoon begraven in de kerk te Herborn, waar Olevianus dienaar des Woords en hoogleeraar was.
Hij liet dus na drie kinderen en zijne beminde weduwe, benevens zijn lieve moeder, Anna, dochter van den rijken Anton Sinzig uit Metz.
Den 11 den Maart dan maakte Olevianus zijn testament en den 15den Maart stierf hij. Daartusschen schreef hij nog een brief aan zijn zoon Paulus te Kirchloch in het bischdom Spiers. Deze lag daar ziek en Olevianus vreesde voor zijn verscheiden hem niet te zullen zien.

Den 12den Maart schreef hij den volgenden afscheidsbrief: „Innig geliefde zoon Paulus. Ik zeg met vader Jacob: Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere. Want mijne zaken staan er zóó voor, dat ik met den apostel mag zeggen: Ik heb begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn, aan wien ik ook u geheel en al, gelijk in den heiligen Doop, alzoo ook nu bij mijn opvaart naar het Vaderhuis, benevens je lieve moeder, je broeder en je zuster beveel en overgeef, gelijk ook aan het Woord Zijner genade.
Het zou mij wel aangenaam zijn geweest, als ik je nog had mogen zien, maar bij deze koude mag ik je niet aan gevaar bloot stellen, vooral omdat je scheenbeen nog niet heelemaal genezen is en gesterkt. Ik heb echter alle dingen in orde gebracht gelijk het een godvreezenden huisvader betaamt. Ook onze genadige Heer graaf Johann, heeft zijn milde vrijgevigheid jegens jullie — zonder jullie te bekorten in de vrijheid — in een acte met zijn zegel bekrachtigd. Ik verwacht elk uur mijn afreis naar het Huis mijns Vaders. Ga niet te vroeg uit en wees voorzichtig. Krachtens het genadeverbond Gods zullen wij elkander in het eeuwige leven wederzien. Ik beveel aan je zorg je godzalige moeder, die gij, zooals ik weet, lief hebt. Behandel je kleine broer Lodewijk als mijn eigen hart. Leid hem vriendelijk tot de wijsheid, die God u heeft verleend. Sta niet naar hooge dingen, maar voeg u tot de nederige. Richt uw ijver in de studie daarheen, dat gij velen tot nut moogt zijn. De Heere zegene je uitgang en ingang. Amen. Je geest ruste in het genaderijke kindschap Gods, en verwachte met mij de hemelsche erfenis door den Zone Gods en om Zijnentwille. Amen. Gegeven te Herborn den 12den Maart tusschen 4 en 5 uur op mijn bed gedicteerd 1587.'
Met eigen hand schreef de vader hieronder aan zijn zoon: ,,Ik, je vader Caspar Olevianus van Trier, bedienaar des goddelijken Woords, heb' met eigen hand dit onderschrift geplaatst. O Heere Jezus, neem mijnen geest op, Handl. 7."
Laat ik nu nog een en ander van die twee laatste dagen vermelden, waarin de Heere hem zooveel ontfermingen schonk en liet inblikken in de zalen des eeuwigen lichts, terwijl hij nog in het lichaam verkeerde.
Die laatste dagen bezochten hem ook nog de grafelijke Heeren, in wier kerkgebied hij zich een zegenrijk hervormer had betoond. Zij toonen hem hun liefde en vereering. Olevianus bond hun het lichamelijk en geestelijk welzijn hunner onderdanen op het hart. Hij gewaagde van de blijdschap zijns geloofs en het vurige verlangen om heen te gaan uit dit leven en Jezus te zien van aangezicht tot aangezicht. Zoo sprak hij tot den graaf van Nassau, dat hij in zijn ziekte recht had leeren kennen, wat zonde is, hoe hoog de majesteit Gods moet worden gehouden, en hoe het totaal niet helpt, dat wij God tot een gezel willen hebben. Zoo stelde hij zich tegen de gewaande eigen kracht des menschen en den vrijen wil.
Wonderbaar werd hij door den Heere verkwikt. Zoo vertelde hij aan zijn ambtsbroeder en familielid Piscator (deze was getrouwd met Ottilie Sinzig, die hem 12 kinderen schonk); benevens een student: „Gisteren, toen de beide jonge Heeren van mij waren weggegaan, heb ik meer dan vier uren lang eene onuitsprekelijke vreugde in mijne ziel gevoeld, zoodat het mij verwonderde, dat mijn vrouw en mijne moeder mij daarna vroegen of het beter met mij was geworden. Ik dacht namelijk, dat het niet beter met mij had kunnen zijn. Ik wil jullie dit wondervolle gebeuren vertellen: Ik bevond mij op een zeer schoone weide en terwijl ik daarover wandelde, werd ik als met hemelschen dauw overgoten, en dat niet druppelsgewijze, maar als met volle schalen en heb daardoor in lichaam en ziel onuitsprekelijke verkwikking en vreugde gesmaakt."
Daarop antwoordde Piscator: ,,De goede Herder, onze Heere Christus, heeft u, zijn schaapke, op Zijne grazige weide gevoerd." Dan zegt de stervende: ,,Ja, Hij heeft mij gevoerd aan de fonteinen der levende wateren."
Later kwam Piscator op dit gezicht terug en zeide: ,,God heeft u een voorbeeld des eeuwigen levens laten zien." „Neen", zegt Olevianus, „het is niet slechts een beeld geweest, maar een werkelijke ervaring."
Zijn ziel was vol verlangen naar de hemelsche zaligheid en de zwerver verlangde sterk naar huis. Hij had nog wel niet zoo lang gezworven, maar zijn taak was af en zijn overblijfsel zou tot zegening zijn. Hij had zijne zaken geregeld en voor het overige zou de Heere wel zorgen. Hoor hem zuchten: "Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo verlangt mijn ziel naar U, o God. Ik wenschte dat mijne reis naar den Heere niet lang meer zal duren; ik begeer ontbonden te worden, om bij mijnen Heere Christus te zijn." Zoo riep de stervende telkens weer met zwakke stem.
15 Maart was de sterfdag. Des morgens om 6 uur kwam Piscator aan zijn bed en vernam de klacht over uitputting en zwakte. Ik ben op weg naar Christus, zeide hij. Wel, gij zijt op een goede weg, antwoordde Piscator; de Heere sterke u met Zijne genade. Dat heeft Hij mij beloofd, vervolgt de stervende. Dan weer Piscator: Hij zal het ook doen! Amen, laat Olevianus volgen.
Men moet zulk een sterfbed hebben meegemaakt om deze korte en zakelijke samenspraken te grijpen in hun innerlijke diepte. Zulk een Amen, een hoofdbuiging, een handgebaar, een fluisteren van het heil bereid... eeuwig zingen... Amen.
Kort daarop herhaalde hij den uitroep: Ik begeer ontbonden te zijn en met Christus te wezen. Komt tot Mij, gij die vermoeid en belast zijt en ik zal u verkwikken.
Er staat in den Psalm: Tast mijne gezalfden niet aan en dat is voornamelijk van de leeraren te verstaan. Zulk eene uitlegging brengt de text mee, vervolgde hij met ontroerd gemoed, want er volgt immers in hetzelfde vers: en doet mijnen profeten geen kwaad.
Vergeet niet. lezer, dat hij om den naam des Heeren veel had geleden als dienaar des Woords.
Na eenigen tijd moest Piscator hem de verzen 2— 7 van Jezaia 9 voorlezen, waar van Christus staat geschreven: Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven en men noemt zijn naam wonderlijk, raad, sterke God, vader der eeuwigheid, vredevorst. Nu wilde hij ook nog hooren voorlezen het begin van Jezaia 11 Dan weer verlangde hij, dat Psalm 103 zou worden gelezen. En daarop Hebreën 6 van het 13de vers tot het einde. Met woorden en gebaren toonde hij welk een hemelsche troost er in zijn ziel was.
Ook zijn collega Jacob Alsted kwam aan zijn sterfbed en las hem Jezaia 53. Vlak vóór zijn sterven verzocht hij, dat de derde ambtsbroeder. Bernhard Textor, de godsdienstoefening wat vroeger zou beginnen en eindigen, opdat de gemeente voor hem zou kunnen bidden. Natuurlijk voldeed men aanstonds aan zijn verlangen.
Als hij dan nog een en ander van zijn geschriften heeft gezegd, vraagt hij aller gebed, terwijl hij zelf vurig smeekte, dat nu de tijd zijner ontbinding daar mocht zijn. Nog eenmaal wilde hij een lievelingslied zingen met degenen, die aan zijn sterfbed stonden (Nu bidden wij den Heiligen Geest...). Met zwakke stem zong hij mee. Zichtbaar namen nu zijn laatste krachten af. Maar nog in het aangezicht des doods gedacht hij zijne gemeente en liet den raad van de stad Herborn opdragen toch de armen niet zoo spaarzamelijk te helpen, want het is de wil van onzen genadigen God en Heere mild te zijn. Hij kon het ook niet nalaten nog éénmaal zijn lieve moeder de somma van ons christelijk geloof voor te stellen: Onze Heere Christus is, zoo sprak hij, onze Zaligmaker op tweeërlei wijze, eerstens met Zijne verdiensten aan het kruis, waar Hijons vergeving der zonden en het eeuwige leven met zijn dood verdiend heeft. Ten andere, hoewel wij van nature zóó verdorven waren, dat wij dit van ons zelf niet konden gelooven, maar zulke genade door ons ongeloof afgeslagen hebben (net"zooals ik zou doen als men mij nu een geneesmiddel wilde ingeven, dat ik zeker van de hand zou wijzen) zoo heeft Christus door Zijn Geest het geloof in onze harten gewerkt, waardoor wij Zijne verdiensten aannemen en alzoo zalig worden."
Hij was reeds stervende, toen Alsted nog op hem toetrad en zei: Lieve broeder, gij zijt zonder twijfel uwer zaligheid gewis, zooals gij die anderen geleerd hebt? Toen legde Olevianus zijn hand op zijn hart en sprak met gebroken stem: Volkomen zeker (certissimus). Dat waren zijn laatste woorden. Hij zonk weg in een zachten slaap, werd nog één keer wakker en gaf dan in vrede den geest, terwijl de omstanders met gevouwen handen en biddende harten hem als begeleidden tot de paarlen poorten.
Olevianus was thuis. De zwerftocht was niet zoo lang. maar zwaar geweest. De arbeid veel; de vrucht blijft tot op dezen dag. Een man van naam en teere vreeze Gods was heengegaan. Hij volgde Urzinus, die hem reeds enkele jaren was voorgegaan (op 49-jarigen leeftijd; 1584).
Zijn lichaam werd ter aarde besteld in de kerk te Herborn. „Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven", zoo besluit Piscator zijn bericht over het zalig einde van Olevianus. Beza schreef aan Ludwig von Wittgenstein den 12den Maart 1588: De Kerk heeft in den geleerden en met ware vroomheid vervulden theoloog Dr. Olevianus — zaliger gedachtenis — een groot verlies geleden en vooral in deze tijden, waarin wat den naam aangaat vele, wat de zaak betreft en in waarheid slechts zeer weinige theologen zijn. (in quibus permulti sunt nomine re vera perpauci theologi).
De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn.

— Zoowel het testament van Olevianus als zijn brief aan zijn zoon, benevens de gegevens van Piscator over zijn sterfbed en de brief van Beza, zijn opgenomen in: K. Sudhoff, C. Olevianus und Z. Urzinus: Leben und ausgewählte Schriften, S. 465—471. —

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 augustus 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het sterfbed van Olevianus

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 augustus 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken