Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het zondoffer I.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het zondoffer I.

Leviticus 4 en 5 vss. 1 — 13.

28 minuten leestijd

Leviticus 4. Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Als eene ziel zal gezondigd hebben door afdwaling van eenige geboden des Heeren, dat niet zoude gedaan worden, en tegen een van die zal gedaan hebben; indien de Priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben tot schuld des volks, zoo zal hij voor zijne zonde die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den Heere ten zondoffer; en hij zal dien var brengen tot de deur van de Tent der samenkomst, voor het aangezicht des Heeren; en hij zal zijne hand op het hoofd van dien var leggen, en hij zal dien var slachten voor het aangezicht des Heeren. Daarna zal de gezalfde Priester van het bloed des varren nemen, en hij zal dat tot de Tent der samenkomst brengen; en de Priester zal zijnen vinger in dat bloed doopen, en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Heeren, vóór den voorhang van het heilige. Ook zal de Priester van dat bloed doen op de hoornen van het reukaltaar der welriekende specerijen, voor het aangezicht des Heeren, die in de Tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed des varren uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is aan de deur van de Tent der samenkomst. Voorts al het vet van den var des zondoffers zal hij daarvan opnemen; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet dat aan het ingewand is; daartoe de twee nieren, en het vet dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, dat zal hij afnemen, gelijk als het van den os des dankoffers opgenomen wordt; en de Priester zal die aansteken op het altaar des brandoffers. Maar de huid van dien var, en al zijn vleesch, met zijn hoofd, en met zijne schenkelen, en zijn ingewand, en zijn mest, en dien geheelen var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan eene reine plaats, waar men de asch uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten asch zal hij verbrand worden. Indien nu de geheele vergadering Israëls afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de oogen der gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen eenige van alle geboden des Heeren dat niet zoude gedaan worden, en zijn schuldig geworden, en die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden: zoo zal de gemeente een var, een jong rund, ten zondoffer offeren, en dien vóór de Tent der samenkomst brengen; en de oudsten der vergadering zullen hunne handen op het hoofd des varren voor het aangezicht des Heeren leggen, en hij zal den var slachten voor het aangezicht des Heeren. Daarna zal de gezalfde Priester van het bloed des varren tot de Tent der samenkomst brengen; en de Priester zal zijnen vinger indoopen, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Heeren, vóór den voorhang. En van dat bloed zal hij doen op de hoornen des altaars dat voor het aangezicht des Heeren is, dat in de Tent des samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is vóór de deur van de Tent der samenkomst. Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen en op het altaar aansteken. En hij zal dezen var doen gelijk hij den var des zondoffers gedaan heeft, alzóó zal hij hem doen; en de Priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hun vergeven worden. Daarna zal hij dien var tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij den eersten var verbrand heeft: het is een zondoffer der gemeente. Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen een van de geboden des Heeren zijns Gods door afdwaling gedaan zal hebben hetgeen niet zoude gedaan worden, zoodat hij schuldig is; of men zijne zonde die hij daartegen gezondigd heeft aan hem zal bekend gemaakt hebben: zoo zal hij tot zijn offer brengen een geitenhok, een volkomen mannetje; en hij zal zijne hand op het hoofd des boks leggen, en zal hem slachten in de plaats waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht des Heeren: het is een zondoffer. Daarna zal de Priester van het bloed des zondoffers met zijnen vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar des brandoffers doen; dan zal hij zijn bloed aan den bodem van het altaar des brandoffers uitgieten; hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, gelijk het vet des dankoffers; zoo zal de Priester voor hem verzoening doen van zijne zonde; en het zal hem vergeven worden. En zoo eenig mensch van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, dewijl hij iets doet tegen een van de geboden des Heeren, dat niet gedaan zoude worden, zoodat hij schuldig is; of men zijne zonde die hij gezondigd heeft aan hem zal bekend gemaakt hebben: zoo zal hij tot zijne offerande brengen eene jonge geit, een volkomen wijfje, voor zijne zonde, die hij gezondigd heeft; en hij zal zijne hand op het hoofd des zondoffers leggen; en men zal dat zondoffer slachten in de plaats des brandoffers. Daarna zal een Priester van haar bloed met zijnen vinger nemen, en doen het op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten. En al haar vet zal hij afnemen, gelijk als het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de Priester zal het aansteken op het altaar, tot een liefelijken reuk den Heere; en de Priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem Vergeven worden. Maar zoo hij een lam voor zijne offerande ten zondoffer brengt, het zal een volkomen wijfje zijn, dat hij brengt. En hij zal zijne hand op het hoofd des zondoffers leggen, en hij zal dat slachten tot een zondoffer, in de plaats waar men het brandoffer slacht. Daarna zal de Priester van het bloed des zondoffers met zijnen vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten. En al het vet daarvan zal hij afnemen, gelijk het vet van het lam des dankoffers afgenomen wordt; en de Priester zal die aansteken op het altaar, op de vuurofferen des Heeren; en de Priester zal voor hem verzoening doen over zijne zonde die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden.

Het brand-, spijs- en dankoffer hebben wij onderzocht en de rijke beteekenis, de diepe Christusprediking in die offers Uiteengezet. Thans komen wij toe aan de zoogenaamde zoenoffers. Een tweetal vraagt onze aandacht, namelijk het zonden het schuldoffer.
Vóór de wetgeving op den Sinai komt het zondoffer in het huis van den Israëliet niet voor. Door de wet wordt de kennis der zonde verdiept en de noodzakelijkheid der verzoening aangebonden op de gewetens. De verdoemelijkheid der zonde wordt gepredikt, steeds luider, opdat het bondsvolk zal dorsten naar den Messias, die de zonden zou verzoenen. Wanneer wij met een enkel woord willen uitdrukken wat de hoofdgedachte is bij het zondoffer, dan kunnen wij zeggen: De zondaar moet in de rechte betrekking tot God worden hersteld.
Evenals in onze vorige overdenkingen bij spijs- en dankoffer geschiedde, gaan wij ook thans bij het zondoffer eerst vergelijken met het brandoffer.

Vergelijking van het zondoffer met het brandoffer.
In brand- en zondoffer bezien wij den Christus van twee zijden, doch het is dezelfde Middelaar. Wat hij moet zijn als brandoffer behoort Hij ook te wezen als zondoffer. Het is één en dezelfde Christus: heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren. Wel vernederde Hij zich in den overvloed Zijner genade om zondedrager te kunnen zijn, maar Hij deed dit als het vlekkelooze lam. Die diepte der vernedering nam in geen enkel opzicht de heerlijkheid van den vernederde weg. In de diepste versmaadheid bleef Hij de reine en de heilige. De moordenaar aan het kruis ziet, door het geloof, in zijne schande heerlijkheid en den, als oproermaker aan het vloekhout geklonkene bewondert hij als den rechtvaardige, die geen misdaad had begaan.
In de dikste duisternis van Gods toorn straalt toch nog Zijne smettelooze reinheid door. Innerlijke voortreffelijkheid, onbezoedelde reinheid en goddelijke heerlijkheid liggen op Hem, steeds en overal. Dat komt nu tot uitdrukking hierin, dat het zondoffer evenals het brandoffer, een rein, onberispelijk drier moet zijn. Een volkomen jong rund.
Verder worden beide op dezelfde plaats geslacht. In de plaats waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht des Heeren geslacht worden; het is een heiligheid der heiligheden. (Lev. 6:25).
Het offer is allerheiligst. De Heere God is er ten nauwste bij betrokken. Het staat in zeer nauw verband met den God des verbonds, die verzoening aanbrengt voor Zijn volk, opdat zij leven en den dood en het oordeel ontgaan.
De Heere zelf draagt zorg voor de verzoening en uitdelging der zonde. De Vader voorziet in het offer door Zijn Eenige af te zonderen en over te geven in de handen der onrechtvaardige zondaren.
In het brandoffer treedt Jezus op als vrijwillige Borg, die zich geheel vrijwillig overgeeft aan den Vader om Hem te behagen tot in den dood. Zie, Ik kom o God om Uwen wil te doen. In het zondoffer komt Hij voor als zondendrager voor den mensch. In het brandoffer staat dus op den voorgrond de dierbaarheid van het offer voor God en in het zondoffer de hatelijkheid en verdoemelijkheid der zonde, opdat Christus dierbaar zij voor den mensch als zondendrager en zondenvernieler.
Bij het brandoffer stond het vrijwillige op den voorgrond. Hij zal dat offeren naar zijn welgevallen; maar, bij het zondoffer treedt het noodzakelijke der verzoening naar voren. Jezus onderzocht niet de bestanddeelen van den beker, dien de Vader Hem te drinken gaf, doch ledigde hem tot den laatsten druppel toe. Zeer bitter was die beker van den toorn Gods, maar Hij dronk hem.
Bij het zondoffer gaat het om de noodzakelijkheid der verzoening, omdat de zonde hatelijk en doodelijk is en het verderf met zich sleept. Hier is Hij lijder en drager, die opgeëischt wordt, die sterven moet naar het recht. Hij is lijder van alle gevolgen der zonde, die over Adams nakroost zijn gekomen en hen eeuwig moeten treffen. Ook de schrikwekkende verberging van Gods aangezicht kan Hem niet worden bespaard. Uit het type van het zondoffer worden twee uitdrukkingen uit Jezus' mond toegelicht: De drinkbeker, dien Mij de Vader te drinken geeft, zou Ik dien niet drinken? en dat andere woord: Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan.
De eerste is gelijk aan: Zie Ik kom; als in het brandoffer. De tweede bepaalt ons bij het zondoffer. Hij moet in al de gevolgen der zonde intreden. Maar naar Zijne menschelijke natuur deinsde Hij terug voor de verlatenheid Gods. Dan kwam er afschuw in Zijne reine Middelaarsziel, maar... het moest. Hij huivert terug; maar het kan niet anders. De schaduw van het kruis met zijn schande en vloek en het derven van het licht van Gods aangezicht viel over zijn lijdensweg en maakte Hem het leven zwaar, bij het vooruitzicht van Zijn leed. Het was een beker, bitterder dan van gal en alsem.
Hoe bitter die beker was, leert ons wel de aangrijpende bede van een volkomen onderworpen hart: Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. Uw wil geschiede. Op deze dingen moet het geloof letten en ervan genieten, want als nu lijden en leed over ons komt is het niets vreemds, dat wij terughuiveren. Zie maar naar den Borg, doch Hij deed het zonder zonde, en betaalde den prijs voor Sions schuld.
Hij is het ware zondoffer, in wien alle schaduwen zijn vervuld. Hij heeft den losprijs betaald en nu gaat Sion vrij uit. Maar daarom hebben wij ook aandeel aan dien Borg noodig. Hij moet de onze zijn als zondoffer.

De handoplegging.
En hij zal dien var brengen tot de deur van de Tent der samenkomst, voor het aangezicht des Heeren en hij zal zijne hand op het hoofd van dien var leggen.
De Heere schrijft dus zelf voor welke handelingen ten opzichte van het offerdier moeten worden verricht. Dat is allerminst een zaak, die de Heere aan den offeraar kan overlaten. Neen, hij moet zich zorgvuldig houden aan de voorschriften des Heeren, wil zijn offer waarde hebben voor God te zijnen behoeve.
Het is zeker aanstonds duidelijk, dat die handoplegging ons weer spreekt van de gemeenschap met Christus; het één worden met Hem als zondoffer. De onderhandeling en handeling met Christus moeten plaats hebben daar waar de Heere zich openbaart, in de tegenwoordigheid Gods. God, het zij met eerbied gezegd, God moet erbij zijn. Menigeen handelt en onderhandelt met Christus naar zijn welgevallen met zijn geloof, maar het geschiedt niet in Gods tegenwoordigheid, niet bij het licht Zijner heiligheid, waardoor alleen het besef onzer verlorenheid opwaakt en waarachtig verzoening onzer zonden noodzakelijk wordt. Wat zal het mij baten, zegt de oprechte ziel, in hare diepe zondenooden, al eigen ik mij, op mijn manier, Christus toe en het is niet Gods manier; ik neem niet in acht de wet des heiligdoms, de rechten des Eeuwigen? Wij moeten in Gods weg zijn om zalig te worden door Christus. Acht gij dit vanzelfsprekend? Dat zou het moeten zijn, zeker, maar is het toch helaas allerminst voor ons als God het ons niet heeft geleerd door Zijn Geest. Dan zoeken wij onzen eigen weg, om met de genade te werken en openbaren, dat wij blind zijn in de wegen des hemels. Het is toch niet voor niets, dat de Heere zóó precies voorschrijft hóé en waar het offer moet worden gebracht? Het offerdier moet gebracht tot de deur van de Tent der samenkomst. Het moet gebracht ter plaatse des gerichts, waar God en menschen elkander ontmoeten in het recht, opdat de genade heersche tot het eeuwige leven. Zie, daar eischen Gods deugden voldoening. Aan de donkere Noorderzijde des tabernakels staat het altaar. Daar moet het offer worden geslacht. Nu zouden wij de handoplegging hier stilzwijgend kunnen voorbij gaan, omdat zij bij het brandoffer reeds ter sprake kwam. Maar hier draagt zij toch weer eene gewijzigde beteekenis. Daarom moeten wij er nog nader bij stilstaan. Daar staat het offerdier bij het altaar. Het kan niet vermoeden wat er gaat gebeuren. Zie, de offeraar legt zijne handen op het hoofd van het rund. Hij moet dat doen. Wie wil offeren, moet één worden met het offer. Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden. Bekeert u en gelooft het Evangelie. Daar buigt hij zich over het offerdier en leunt op den kop.
Hier is nu de beteekenisvolle handeling van den man, die gezondigd had. Eerst had hij het rund moeten kiezen zonder gebrek. Hij had het afgezonderd en gegrepen. Hij kende de noodzakelijkheid van het offer, want waarom zou hij zich anders op weg begeven naar den tabernakel of tempel. Hij begeeft zich dus met het offerdier in Gods weg. Daar is een Israëliet in de weide waar het vee graast. Hij streelt een der runderen en legt zijn handen op den kop. Hij stelt zich voor de beteekenis van het offer en gaat weer zijns weegs. Zouden we dan niet zeggen: man, ge moet ermee naar den tempel. Hier in de weide heeft die handoplegging geen offerwaarde... Het is goed. dat gij u den weg der verzoening voorstelt, maar noodzakelijk, dat gij hem bewandelt ten einde toe. Anders blijft uwe zonde. Mijn lezer, is uw oog al ooit op Jezus gevallen in uw nood en zondeschuld. Als Hij in het gezicht komt, wordt het hart ontroerd; dan zwelt het. In Hem is het ware zondoffer. Genade brenge u ermee bij het altaar aan de donkere Noorderzij. Genade leere u Christus kennen in het recht. Gij hebt toch Gods deugden geschouwd en uwe ziel kromp ineen van angst en weedom; gij weet toch, dat gij met God moet worden verzoend? Welnu, dat juist is, in taal van den schaduwendienst gesproken, het op weg gaan naar het altaar, het bezig zijn met het offer naar God toe...!
Het offer is voorgeschreven, van God den rechtvaardigen God bevolen en geschonken. Wat kan u verontschuldigen, dat gij niet in Hem gelooft? De zaak moet voor het aangezicht Gods worden beslecht.
Hij staat bij het altaar; de priester is hem aanstonds ter wille om het noodige werk te verrichten. Terwijl nu de hand ligt op het hoofd van het rund, doet hij belijdenis van zonden. Het zal dan geschieden als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal waarin hij gezondigd heeft (Lev. 5 : 5 ).
En zij zullen hunne zonden, die zij gedaan hebben, belijden. (Num. 5 : 7).
Psalm 32 leert ons hier, wat noodig is. Ik bekende oprecht mijne zonde. Ik verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden. Wij hebben niet tegen één, maar tegen alle geboden Gods zwaarlijk gezondigd. Ja, wij belijden hier des doods schuldig te zijn; voor den Heere niet te kunnen bestaan. Mijne ongerechtigheid bedekte ik niet; ik maakte U mijne zonde bekend. Maar, zal die belijdenis volkomen oprecht zijn, zoo moet hij de hand leggen op het hoofd van den var. De volle echtheid van onze zondebelijdenis moet blijken uit de vereeniging met het daargestelde offer bij het altaar in Gods tegenwoordigheid. Banden des doods hadden mij omvangen, de angsten der hel verschrikten mij, ik vond benauwdheid en droefenis. Maar ziedaar Christus, het zoenoffer! Evangelische droefheid naar God voert tot Jezus als zondendrager. Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. Rijken heeft Hij ledig weggezonden, maar hongerigen met goederen vervuld. Wie den naam des Heeren zal aanroepen, die zal zalig worden.
Hij doet hier volkomen afstand van zijn eigen werk en belijdt zijn volstrekt onvermogen om den Heere te bevredigen. De zondaar zegt: ik heb Uwe wet geschonden; ik kan haar wel schenden, maar niet in eere herstellen. Zonder offer kan ik Gode niet behagen en durf Ik Hem niet naderen.
Wij zien dus hier tusschen God als Rechter en den zondaar Jezus instaan als zondoffer, terwijl door het geloof de hand op Hem wordt gelegd. De zondaar heeft bedekking noodig en daarom staat hij achter het offerdier bij het altaar. Doch dan alleen kan hem het dier beschermen, als hij er mee vereenigd is; dan kan hij verzoening zijner zonde deelachtig worden. Het werk van Christus is zeer zeker voorwerpelijk voor de gansche Kerk bestemd en als geheel wordt zij in Hem aangemerkt. Maar zoolang wij niet herboren en onze zaligheid buiten onszelven in Christus hebben leeren zoeken, zijn wij vijanden gelijk de anderen. Zijn wij onder de wet en niet onder de genade, ook al zijn wij in het bundeltje der levenden gebonden. Doch dien Hij verkiest, zal Hij ook zeker roepen, met eene krachtdadige roeping, waarin Hij mededeelt wat Hij vraagt. Verwerving en toepassing der zaligheid mogen niet worden gescheiden. En nu valt het ons telkens weer op, dat juist die toepassing in den offerdienst sterk naar voren wordt gebracht in hetgeen de offeraar verricht in die handoplegging. Dat is niet de grond zijner zaligheid, maar wel de weg om haar deelachtig te worden, en de vruchten te genieten, die door het offer tot stand komen. Zonder die onderwerpelijke kennis des heils kan hem de wetenschap niet baten, dat God in Christus de wereld met zichzelven heeft verzoend. Immers het gaat dan om de vraag of dat heil voor hem is aangebracht. Wij kunnen het ook zóó zeggen: zonder het werk van den Heiligen Geest heb ik geen deel in de toepassing van het werk van Christus.
Dit offerdier nu moet sterven.
Daarmede belijdt de offeraar den dood te hebben verdiend. Hij mag zich dien dood toeëigenen, die het offerdier ondergaat. Wij moeten Gods vloek aanvaarden, zullen wij van den vloek worden ontheven. De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Waarlijk, de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen. Als dezelve geëischt werd, wierd Hij verdrukt.
Op deze wijze nu gaat de offeraar in in het werk en den dood van het offer. Hij voor mij, daar ik anders den eeuwigen dood had moeten sterven. Hier is nu wegschenking en toeeigening verbonden in het geloof. Hij aanvaardt Gods plan en middel ter zaligheid, eigen doen en willen nemen een einde. De zonde nam haar oorsprong in den val van Adam, een ander dus dan hijzelf en in dien ander was hij begrepen tot verdoemenis. Onze erfschuld voor God in ons hondshoofd Adam wordt aanvaard gelijk onze dadelijke zonde ons het voorwerp maakt van Gods toorn. Lezer, hebt gij zóó voor God gestaan? Zóó Christus leeren kennen? Zijt gij zóó op Hem neergezonken en is Hij daarom uw Roode Zee, gelijk onze belijdenis het uitdrukt? Dan ligt in dit zondoffer eene levende sprake voor uwe ziel. Hier is Gods weg tot zaligheid. Door een ander! Gij zijt misschien, naar gij meent, ingenomen met het plan der verlossing, maar blijft gij buiten den Verlosser? Hij is de Heere onze gerechtigheid. Ingenomen met het plan der verlossing en... buiten Christus? Het doet ons denken aan dien Arabier, die meende te genezen door het recept van den zendeling op te eten en niet door het medicijn te gebruiken.
De handoplegging brengt eenheid. De zonde gaat zinnebeeldig over op het offerdier. Die 'zelf in Zijn lichaam onze zonden gedragen heeft op het hout. Hij is zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij is met de overtreders gerekend. Straks werpt Hij den last der zonde van zich door ze te verzoenen, hare straf dragende. De Vader heeft Hem tentoongesteld in Zijn bloed.
Bij den godvruchtigen offeraar was er ook vertrouwen, dat God het offer aannam. De verlossing, die in Christus Jezus is, gaat open voor het hart; Jezus wordt omhelsd, en Hij geeft zich aan den zondaar. Een indalende Jezus in de ziel zal vrede brengen. Heere vereenig, vereenzelvig mij met Hem, dan kan ik voor U volkomen bestaan. Neem mij aan om en in Hem. Kruis Hem! Wie een welgevallen kreeg aan de straf zijner ongerechtigheid zal den Verlosser eeren als vrij genadegeschenk. Want wij oordeelen dit, dat indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. In Hem gestorven; in Hem ter slachting geleid. Spreken over het offer is niet genoeg; zelfs met bewondering op Hem staren geeft geen vrede met God.
Een Israëliet vraagt den Priester te spreken. Wilt gij met mij bidden, de zonde ligt mij zwaar. Hij antwoordt: gij weet toch, dat er een zondoffer moet zijn, wil mijn gebed Gode aangenaam zijn? Leg het mij nog eens uit! Gaarne zal ik dat doen, maar het eind van mijn uitlegging zal zijn als het begin van hetgeen ik zei: er moet een offer vallen. Zal deze en gene al pratende over verzoening, niet verloren gaan, omdat er geen vereeniging is met het offer? Daar zie ik een Israëliet, die bitter weent, hij is moedeloos en verslagen. De priester merkt het op en zijn hart gaat uit naar dien man, mc.ar hij zegt: uw tranen en zuchten kan ik niet offeren! Zij moeten gelooven in den Zone Gods. Dus die handoplegging is zeer noodzakelijk.
Die hand, gelegd op het hoofd van het rund, was volkomen ledig. Geen geld was in die hand, ook geen mes om het rund te slachten, want hij mag zijn eigen priester niet zijn. Redding van den dood, verkrijgen van leven en vrede geschiedt zonder geld en zonder prijs. Tot den prijs van Christus' bloed. Want gij zijt duur gekocht. De hand des geloofs is eene ledige hand om vol te zijn van het offer van Christus. Ook moest hij met die hand verder niets doen. Luister maar:
En de Heere zal hem vergeven.
De Heere God krijgt ook Zijn beurt in het werk der zaligheid. Hij neemt een welgevallen in het offer Zijns Zoons. Natuurlijk zal die Israëliet dat gewaar worden in zijne ziel, als hij geloovig op den Verlosser ziet. Hij mocht tozien. Ontvangen en genieten.
Bij het brandoffer was de beteekenis ten deele anders. Daar vereenzelvigt het den offeraar met eene onbevlekte offerande. Hier is de overdracht der zonde hoofdzaak. Hier ziet ge den ontstelden zondaar voor het oordeel, daar de verheugde aanbidder. De gesteldheid der ziel is dus eene andere bij beide offers. Zalig, wanneer wij door alle offers heen de volheid van den Middelaar mogen zien en genieten in al datgene, waartoe de Vader Hem heeft geschonken.
Bij het zondoffer kom ik met mijzelven, want Hij werd zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij moest de verberging van Gods aangezicht verduren, opdat wij in eeuwigdurend licht zouden wandelen. Al wat op ons lag als verloren zondaren werd op Hem gelegd, opdat alles wat Hem toekwam als dengene, die de verlossing teweeg brengt, ons deel zou kunnen worden. Hij werd in dood en oordeel in werkelijkheid met ons vereenzelvigd. Hij dronk den beker der verschrikking, opdat de beker der verlossing aan onze lippen wierd gezet. Zoo werd Hij behandeld naar de verdiensten der Zijnen, opdat wij naar Zijne verdiensten zouden worden gezegend. Zoo is er geen sprake meer van hetgeen de offeraar was, maar van wat de offerande is naar het oordeel des rechtvaardigen Gods. Offeraar en offer worden volkomen één. Daarom kan onze Catechismus zeggen, dat het is als had ik alle straf zelf in eigen persoon gedragen en de wet gehouden. Ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden. Hij de rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen. In Hem velt God het plechtige oordeel over de zonde en verzoent ze volkomen, zoodat Zijn toorn is afgekeerd en de hitte van Zijn gramschap is gebluscht.
Kent gij zóó dien Christus als schuldovernemende Borg, als uw vloekdrager, als dengene, die voor u in het gerichte Gods heeft gestaan? Eerlang moet gij verschijnen voor Zijn rechterstoel, zult gij staan in het gericht. En wat dan? Tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan die der Farizeën en Schriftgeleerden, gij zult in het Koninkrijk Gods geenszins ingaan. Maar hier is een blijde tijding voor den tollenaar, die zijne oogen niet durft op te heffen naar den hemel, doch ze neerslaat en toch zijn ziel verheft tot God, terwijl de vuistslag op eigen borst ons zegt: ik heb berouw en verfoei mij in stof en asch. De blijde tijding is hier voor den uitgeschudden zondaar: Zie het Lam Gods! Zie Hem beladen met vloek en doem, aanschouw Hem... met het oog des geloofs en de Heilige Geest spreke in uw hart: Hij droeg de zonde óók voor u. En dan zinkt ge op Hem neer en geeft Gode de eere, dat Hij Zijnen eenige, dien Hij lief had, overgaf in den dood. Zoo komen we vanzelf weer bij de slachting.

De slachting.
En hij zal dien var slachten voor het aangezicht des Heeren. (vs. 4b).
Aanstonds begrijpt ge, dat de priester slachter is. Niet de offeraar zelf verricht bij het zondoffer deze daad. Hij had bij die slachting den priester noodig. Met nadruk is de slachting geboden door de priesterschap als middelaar in de schaduw. Ook de plaats der slachting is weer uitdrukkelijk voorgeschreven. Wij zullen niet telkens de beteekenis herhalen, maar toch wel nadruk leggen op het feit, dat de Heere God den eisch bij ieder offer weer stelt. Dat heeft natuurlijk beteekenis. Het volk moet op deze wijze leeren, dat het werk der verlossing een rechtshandel is tusschen den eeuwigen God. Rechter van hemel en aarde, en den Middelaar. Tevens moet telkens worden aangedrongen, dat de zaligheid alléén in Gods weg moet worden gezocht.
Waarom zou de Heere herhalen als het niet noodig was? W i j zijn hardleersch en vergeetachtig. Als wij het een geleerd hebben voor het aangezicht Gods, dan hebben wij de neiging het andere thuis af te doen. Neen, niets thuis afdoen, naar de Tent der samenkomst voor het aangezicht des Heeren in het licht van Gods deugden.
Het offerdier moet worden geslacht, want een rund met bloed in de aderen kan den offeraar niet baten. De slachting brengt de gewelddadige uitstorting van het bloed en zoo het verlies van het leven. Zóó alleen'kan de zonde worden verzoend. Hoort gij het, die nog vervreemd zijt van het leven Gods? Zie aan het kruis wat de zonde verdient en neem het ter harte nu de deur der genade nog open is, want Hij, die het woord der verzoening in ons heeft gelegd, heeft geboden dat wij u in Zijnen naam zouden bidden: laat u met God verzoenen. Heden zoo gij Zijne stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden. In Hem is vergeving, altijd bij den Heere geweest. En het zal hem vergeven worden. De Heere Jezus kan alleen met Zijn eigen bloed naderen tot God om verzoening der zonden teweeg te brengen.
Gesteld eens, dat het rund ten zondoffer bestemd, den ploeg had getrokken door het veld om de aarde te bereiden voor den zaaier. Neem aan het rund heeft den wagen getrokken volgeladen met garven en den oogst binnengebracht. Dit alles zou niet baten zonder den dood van het dier. Zoo zou het gansche leven van den Heere Christus geen kracht hebben ten leven, ware Hij niet gestorven. Leven en werk kunnen niet baten zonder den dood. Jezus moest sterven. En dat niet op zijne slaapstede, noch door een ongeval te land of te zee, maar ter slachting geleid, als offer moet Hij vallen.
Slaan wij samen eens op Leviticus 17 vers 11: want de ziel des vleesches is in het bloed; daarom heb ik het u op het altaar gegeven, om voor uwe zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de zielen verzoening zal doen.
En dan voegt de Heere nog toe: daarom heb Ik tot de kinderen Israëls gezegd: Geene ziel van u zal bloed eten... want het is de ziel van alle vleesch, zijn bloed is voor zijne ziel... de ziel van alle vleesch dat is zijn bloed.
Bij de slachting gaat het er dus om het leven te nemen. Dat leven wordt genomen, opdat God het brenge onder de volle macht van Zijn toorn.
Lees nu wat van Immanuël staat geschreven: Hij heeft zijne ziel uitgestort in den dood. Bewonder, mijn ziel, dezen zondedrager en aanbid, aanbid Hem toch ned'rig al uw leven. Mijn ziel, vergeet nooit één van Zijn weldadigheden.
Dat rund staat daar. De offeraar heeft de handen op het hoofd gelegd... de priester neemt het mes en snijdt de halsslagaderen door... het stort ter aarde... het stuiptrekt en sterft. Kom, mijn ziel, leg nu uw oor te luisteren aan den saffieren dorpel van het Vaderhuis en hoor: Zij zingen een nieuw gezang voor den troon; het Lam, dat geslacht is, is waardig dat boek te nemen en zijne zeven zegelen te openen...
Bij het zondoffer treedt naar voren de verschrikking des doods; het oordeel over de zonde. Dit is het bloed des nieuwen Testaments, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.
De dood is de bezoldiging der zonde. De zonde voleindigd zijnde baart den dood. Daarom moet Hij, die de plaats der Zijnen inneemt, sterven, sterven den vervloekten dood. Zie Hem kruipen in den hof, terwijl zijne ziel geheel bedroefd is tot den dood toe. Beken Belials verschrikken Hem, angsten der hel treffen Hem. O, die slachting, die slachting van het zondoffer. Die slachting zóó wreed, zóó meedogenloos? En dat voor mij. Voor mij, die nooit naar Hem zou hebben gevraagd!
Deze slachting nu is noodig om het geweten te stillen. De Heilige Geest werkt in den zondaar het levende besef, dat de hooge majesteit Gods den dood eischt.
Wat nu door de offers niet mogelijk was. is door Jezus tot stand gebracht. Het bloed van stieren en bokken kan de zonde nimmermeer wegnemen. Aan het kruis kon Hij roepen: het is volbracht. Gelijk geschreven is: vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt. Om de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij de schande veracht en het kruis verdragen. In zijn dood nagelde Hij het handschrift der zonde aan het kruis. Hij overwon den geweldhebber des doods, namelijk den duivel. Indien dan één voor allen gestorven is, zoo zijn zij dan allen gestorven en... Hij is voor allen gestorven.
Hier is het bloed des verbonds. Noch het eerste, noch het tweede verbond was ingewijd zonder bloed. Daarom merk op de strenge rechtvaardigheid Gods en de bitterheid der zonde. De zonde moet worden verzoend of de dood is onvermijdelijk ten verderve.
Maar... alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. De Kerk is de kudde Gods, die Hij heeft verkregen met Zijn eigen bloed. Loof den Heere mijne ziel en al wat binnen in mij is Zijnen heiligen naam.
De liefde Gods baant zich een weg in het geslachte offer tot den zondaar, die op dat offer leunde. Het kruis is de plaats onzer geestelijke geboorte, de plaats des vredes. Hier wordt ook onze jeugd vernieuwt als eens arends.
Jezus het ware zondoffer. Ik ben dood geweest en Ik leef tot in alle eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 augustus 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het zondoffer I.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 augustus 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken