Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het dogma in Artikel 36 (2e stuk) X.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het dogma in Artikel 36 (2e stuk) X.

De overheid en het geestelijk leven des volks.

13 minuten leestijd

Johannes 18:36 en 37. Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware. zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd. Maar nu is mijn Koninkrijk van hier niet. Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort mijne stem.

Het is ons nu duidelijk geworden, hoe Gods Woord leert, dat de machtsbevoegdheid der Overheid ook gaat over het geestelijk leven des volks. Zonder die machtsbevoegdheid zou zij hare functie in het menschelijk leven, waartoe zij van God verordend is, niet kunneji volbrengen. Zonder deze machtsbtvoegdheid kan zij haar eigen bestaan niet handhaven, noch ook de taak volbrengen, die zij in het historische proces heeft te volbrengen, indien de wereld zelve en in haar Gods Kerk de eindbestemming zal bereiken. Zoo is het dus naar den Woorde Gods, als de Belijdenis zegt: ,,En hun ambt is niet alleen acht te nemen en te waken over de politie, maar ook de hand te houden aan den heiligen kerkedienst." Ik wees er tot nu toe op, dat als de Overheid deze taak volbrengen zal, allereerst moet vast staan, dat zij in het algemeen eene taak heeft voor het geestelijk leven des volks, want eerst als dit vast staat, komt de vraag naar hetgeen zij voor Gods Kerk doen zal naar den Woorde Gods.
Om dit vraagstuk nu te belichten, moeten wij allereerst klaarheid verkrijgen over de machtsmiddelen, waarvan zij zich bedienen zal, als het gaat om de leiding van het geestelijk leven des volks. Het is van groot belang daaraan aandacht te wijden, omdat de dringende eisch tot de schrapping der woorden uit de Belijdenis, waartegen op de Synode der ,,Geref. kerken" in 1905 het gravamen was ingediend, vooral gesteund werd door eene uitlegging aan de Belijdenis te geven, waardoor deze eene beteekenis moest krijgen, die haar in strijd bracht met de duidelijke uitspraken van Gods Woord. Wij hebben de uitlegging der H.H. Adviseurs in extenso aan critiek onderworpen en er op gewezen, dat het op een geheel verkeerde lezing van het artikel berust, als zou bedoeld zijn, dat in de afgewezen zinsnede o.m. geleerd wordt, dat „aan de wereldlijke Overheid het den plicht oplegt, om afgoderij en valschen godsdienst des noods met het zwaard uit te roeien en dat het den Kerken is opgelegd, der Overheid haren plicht te prediken." Ik kan dus hier naar de vroeger in deze artikelen-reeks geoefende critiek op die stelling verwijzen en mij in dit dogmatisch onderzoek bepalen tot de vraag naar hetgeen Gods Woord leert met betrekking tot de middelen, waarvan en de wijze, waarop de Overheid zich bij de uitoefening van hare taak aangaande het geestelijk leven des volks, dat zij te leiden heeft, zal hebben te bedienen en te gedragen.
De Heere Jezus zelve verkondigt het ons. Door Pilatus ondervraagd aangaande Zijn Koninkrijk, tracht Hij het oog van den stadhouder te ontsluiten voor de twee groote levensspheren des menschen, voor de eeuwige en voor de tijdelijke, voor de hemelsche en de aardsche, voor het Koninkrijk Gods en de wereldsche orde. Calvijn sluit zich in zijne leer der politieke regeering bij dat uitgangspunt aan (Inst. IV, 20, 1).
Van belang is het, vooral in dezen tijd er de aandacht op te vestigen, dat de Heere Jezus een geheel ander standpunt blijkt in te nemen dan velen, die door een valsch idealisme geleid, het doen voorkomen, alsof Hij die wereldsche orde eigenlijk niet telde en eenzijdig alleen aan het Koninkrijk Gods aandacht wilde geschonken zien. Er zijn er vooral nu, die in anti-militaristische uitspattingen opgaan en den Heere Jezus als een anti-militarist den volke voorstellen. Zij willen slechts de hemelsche orde kennen, daarin opgaan, hoewel zij op deze gevloekte aarde leven en meenen den hemel reeds te kunnen doen komen, ook al kan deze alleen van God, en dus niet van beneden naar boven, maar slechts van boven naar beneden afdalen. Er zijn heden ten dage heel wat idealistische dwepers, in wezen anarchistisch van aard, die deze wereldsche orde verachten en daarom aan de Overheid het zwaard ontnemen willen. Doch, dat leert hier dit tekstwoord, de Heere Jezus gaat voor Pilatus uit van het bestaan dezer tweeërlei orde. Hij toch onderscheidt tusschen Zijn Koninkrijk, dat niet van deze wereld is en een Koninkrijk, dat wel van deze wereld is. En aan dat Koninkrijk van deze wereld ontzegt Hij niet het bestaansrecht. Integendeel. Hij erkent het en verwerpt het niet. Z i jn Koninkrijk is niet van hier, behoort tot de hemelsche orde, is het geestelijk Rijk der waarheid. En Hij is gekomen om daarvan in deze wereld, die in het booze ligt, getuigenis te geven.
En Hij verklaart, dat er in deze verleugende wereld een volk is „uit de waarheid", dus van boven geboren, dat de stem van Zijn getuigenis hoort en hooren zal. Hiertoe is Hij geboren en hiertoe in de wereld gekomen, is de goedertierenheid van God onzen Zaligmaker en Zijn liefde tot de menschen verschenen, opdat het getuigenis der waarheid zal uitgaan in deze wereld van leugen, opdat het Koninkrijk der waarheid zal worden gebouwd in hen, die uit de waarheid zijn.
Zoo laat dus Christus voor Pilatus, den stadhouder des keizers, zijn eeuwig licht opgaan in den nacht dezer gevallen wereld, opdat Pilatus op zijn rechterstoel zal verstaan, dat Jezus geen revolutionair is, die een aardsch koninkrijk wil stichten. Pilatus moet weten, dat de beschuldiging der Joden een valsche is, dat Jezus nimmer sprak van de wederoprichting van Israëls politieke heerschappij en macht, maar van een Koninkrijk van andere orde. En Pilatus heeft dat ook wel begrepen, want hij gaat na het verhoor over deze politieke beschuldiging uit en zegt tot de Joden: ,,Ik vind geene schuld in Hem." Hij was ervan overtuigd, dat Jezus geen verzet tegen de Romeinsche overheersching had gepredikt en geen opstandeling was, maar dat de Joden Hem uit godsdienstigen haat hadden overgeleverd en Zijnen dood begeerden.
Pilatus heeft dus begrepen, dat Jezus niet sprak van een aardsch Koninkrijk, maar van een geestelijk Rijk. Alleen maar, wat dit geestelijke Rijk was, ontging hem. Blijkbaar bracht hij Jezus' woorden in verband met philosophische leeringen, voorgedragen in onderscheidene scholen, waarvan hij zelve wel geen aanhanger zich wist. Hij was als menigeen te midden van deze wereld met hare vele richtingen het spoor bijster. Hij wist er Qeen weg mede. had gehoord, dat zij zich alle aandienden als bezittende de waarheid, hoewel zij onderling alle verschilden en het eigenlijk in niets met elkander eens waren. En daarom antwoordde hij minachtend: ,,Wat is waarheid!" Pilatus stond onverschillig tegenover de wijsbegeerte zijner dagen, doch dit had hij wel begrepen, dat. Jezus geen politieke oproerling was. En de Heere Jezus verscheen voor Pilatus als die geboren en gekomen was om der waarheid getuigenis te geven met de zekerheid, dat Hij ook gehoor zou vinden bij hen, die uit de waarheid zijn.
Doch Hij wijst er ook op, dat er benevens dit Koninkrijk, dat niet van deze wereld is, er ook Koninkrijken dezer wereld zijn. De Heere Jezus veroordeelt dit feit niet, maar aanvaardt het en laat zien, hoe deze Koninkrijken niet bestaan zonder machtsmiddelen en ook niet kunnen bestaan. Immers, er is geen twijfel aan, dat de wijze, waarop Jezus Zijn antwoord inkleedt, het karakter van die Koninkrijken dezer wereld als vanzelf sprekend veronderstelt. Indien Zijn Koninkrijk van dezelfde orde ware als de Koninkrijken der wereld, dan zou ook Hij machtsmiddelen hebben bezeten en Zijne dienaren gestreden hebben. Daaruit wordt het wel zeer duidelijk, dat de Heere Jezus de Koninkrijken der wereld natuurlijker wijze geroepen acht met machtsmiddelen te dwingen. In Zijn Koninkrijk is daarvoor geene plaats, in de Koninkrijken der wereld wel. Deze bestaan niet en kunnen niet bestaan zonder machtsmiddelen en gewelddadige maatregelen, zonder militaire macht.
En de Heere Jezus geeft daarover geen afkeurend oordeel. Hij wijst alleen op de bijzondere karakter-eigenschappen van Zijn Koninkrijk in vergelijking met de Koninkrijken der wereld met de strijdende dienstknechten, die zich aan hunne koningen wijden met de wapens in de hand.
Zoo is het dus duidelijk, dat de uitbreiding van Gods Koninkrijk slechts het getuigenis der waarheid tot hare beschikking heeft en alleen hebben kan. En de Koninkrijken der wereld beschikken over het geweld der wapenen, om zich staande te houden en de taak te kunnen verrichten, die hun is opgelegd ten bate des volks. Er is dus principieel onderscheid tusschen Christus' Koninkrijk en de Koninkrijken dezer wereld. Beide hebben een bestaan en bestaansrecht, elk op eigen wijze, elk met eigen machtsmiddelen.
Christus' Koninkrijk verschijnt met het machtsmiddel, dat in Zijn getuigenis der waarheid is gegeven en dus van rein geestelijken aard is. De Koninkrijken der wereld daarentegen zijn uitgerust met wapengeweld. Christus' Koninkrijk handhaaft zich door de macht der waarheid over de menschenziel en omdat het Zijn Koninkrijk is, strekt het zich uit over alle volken, talen en natiën. De Heere, de Allerhoogste, is vreeselijk, een groot Koning over de gansche aarde. En de gansche aarde zal van Zijne kennis vol worden. Daarom kent dat geestelijk Koninkrijk geene grenzen, geene rassen. ,,Laat af", zegt de Heere, ,,en weet, dat Ik God ben. Ik zal verhoogd worden onder de heidenen. Ik zal verhoogd worden op de aarde." Doch niet door wapengeweld. „Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er, want Zijn raad bestaat in eeuwigheid." Hij ziet uit Zijne vaste woonplaats op alle inwoners der aarde. Hij formeert hun aller hart. En dat alles doet Hij door Zijn Woord en Geest. Zijn Koninkrijk is één en strekt zich uit over alle creatuur. En Hij regeert het al door Zijnen Geest. In Zijn geestelijk Koninkrijk regeert Hij ook door Zijnen Geest, die dan arbeidt als de Geest der wederbaring ten leven. Daaraan dankt Gods Rijk zijne ontwikkeling en zijn eindelijken triumph. Doch gewelddadige middelen zijn daarbij volkomen uitgesloten.
Daaruit volgt dus, dat van den Staat niet mag worden geëischt, dat hij met zijne machtsmiddelen het Koninkrijk Gods zal uitbreiden. De Heere Jezus heeft dat uitgesloten, want de aard van Zijn Koninkrijk verdraagt zich daarmede niet. Het kan daardoor niet worden uitgebreid en niet komen, want het is geestelijk van karakter. De zielen der menschen kunnen niet veranderd worden door lichaamsdwang of door welke maatregelen ook, die met geweld worden opgelegd. De innerlijke vrijheid der menschenziel wordt niet vernietigd door de boeiing van het lichaam. En dat hebben de Vaderen dan ook nooit geleerd, nooit geëischt van de Overheid.
De Adviseurs der Synode van 1905 hebben wel beweerd, dat ,.oprechte en eerlijke uitlegging (van Art. 36) aan de wereldlijke Overheid den plicht oplegt, om afgoderij en valschen godsdienst desnoods met het zwaard uit te roeien, en dat het aan de Kerken is opgelegd, der Overheid dit als haren plicht te prediken". Maar het is absoluut niet waar, dat dit in onze Belijdenis staat en het is ook niet waar, dat de Gereformeerde Kerken dit ooit van de Overheid hebben geëischt. De Adviseurs hebben het met alle geweld in de Belijdenis willen lezen om de woorden, waartegen zij het gravamen indienden, te kunnen schrappen. Maar noch de belijdenis zelve, noch de houding der Vaderen heeft deze opvatting ooit gepredikt.
Calvijn zegt dan ook in zijne verklaring op deze zelfde woorden, die Jezus tot Pilatus sprak, dat zijne dienstknechten voor hem zouden gestreden hebben, ,,als Jezus voor zich een aardsch rijk had willen verwerven, dat hij dan noodzakelijk door partijgangers zich invloed zou verworven hebben, doch in Christus blijkt daarvan niets. Daaruit volgt dus, dat Hij geen aardsch koning is. Maar bij deze plaats rijst de vraag, of het niet geoorloofd is met de wapenen Zijn Rijk te verdedigen. Want wanneer den vorsten (Psalm 2) bevolen wordt den Zoon Gods te kussen, dan wordt daarmede hun niet slechts bevolen zichzelven aan Zijne heerschappij te onderwerpen, maar ook, dat zij de macht, die zij hebben, aanwenden om de Kerk te beschermen en de godsvrucht te waarborgen. Op het eerste antwoord ik, dat zij geheel verkeerd en ongeschikt doen, die deze gevolgtrekking maken, dat de leer des Evangelies en de zuivere dienst Gods niet met de wapenen verdedigd mogen worden, omdat Christus in Zijn persoon zich hier niet verdedigt, want Christus beredeneert hier, hoe beuzelachtig de aanklacht der Joden is. Verder ook wanneer vrome koningen Christus' rijk met het zwaard verdedigen, dan gebeurt dit toch nog op eene andere wijze dan wanneer zij aardsche rijken verdedigen. Het Rijk van Christus toch moet, daar het geestelijk is, gefundeerd worden in de leer en de kracht des Geestes. Op deze wijze toch wordt het gesticht, terwijl wetten en edicten der menschen, noch straffen aan de consciëntiën raken. Doch dit sluit niet uit, dat in ,,per accidens", in sommige gevallen vorsten Christus' Rijk beschermen, of doordat zij de uitwendige orde vaststellen of hunne bescherming aan de Kerk verleenen tegenover de goddeloozen. Maar, zoo voegt Calvijn er aan toe, overigens maakt de verdorvenheid der wereld, dat het bloed der martelaren Christus' Rijk meer bevestigt dan bescherming met de wapenen." (Schipper ed. T. VI. fol. 164b. Comment. in Euang. sec Joannem).
Deze eigen woorden van Calvijn, hoewel hij uit den aard der zaak leefde onder de rechtsorde zijner dagen, leeren iets heel anders dan de Adviseurs in de Belijdenis lezen. Calvijn leert precies hetzelfde, dat ook in den oorspronkelijken tekst der Belijdenis staat. De Overheid bescherme de Kerk des Heeren, maar allerminst, dat het Evangelie met geweld kan worden uitgebreid. Ja, hij ontkent ten eenenmaje, dat dit mogelijk zou zijn. Welnu, dit is de sprake onzer Confessie in Art. 36. En men kan deze leer niet verwerpen zonder, om een voorbeeld te noemen, een afkeurend oordeel uit te spreken over de politiek als die van Willem III, koning van Engeland. Fagel, zijn vriend en medewerker, wees er op, dat het zwaard gebruikt moest worden ook tot bescherming van den godsdienst, waarop de ctaat gegrond was. En van Willem III zegt Groen van Prinsterer, dat hij geen anderen roem begeerde ,,dan uit het beschermen van godsdienst, Waarheid, regt." De politiek van zulke mannen was geleid in overeenstemming met de norm der Confessie. Doch dit was dan ook geheel iets anders dan wat de Adviseurs in 1905 op de Utrechtsche Synode der „Gereformeerde kerken" in de belijdenis met alle geweld wilden lezen, hoewel het met geen woord in de Belijdenis werd genoemd.
Dat met geweld het geloof niet kon en mocht worden opgedrongen hebben Calvijn en de Vaderen allen erkend, al ontzegden zij daarmede niet, wat het neo-Calvinisme aan den Staat wil ontzeggen: alle bemoeienis met het geestelijk leven des volks. Op grond van Gods Woord eischten zij, dat de Overheid bij de volbrenging harer taak zich naar den Woorde Gods zou reguleeren. En dit vorderde van de regeering handhaving van beide Tafelen van Gods Wet voor zoover deze handhaving als een eisch was gesteld door het karakter van den Staat en zijne taak. En daarmede was a priori uitgesloten, dat de Staat zou doen wat der Kerk is. Taak van den Staat was tot behoud van maatschappij en Kerk beide de bescherming van den waren godsdienst. En het prijsgeven van dit beginsel bracht de revolutie, zooals de prijsgeving dezer prediking revolutionair is. Dit revolutionaire karakter heeft het neo-Calvinisme dus met het liberalisme gemeen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 november 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Het dogma in Artikel 36 (2e stuk) X.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 november 1937

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken