Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wat nu? III.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wat nu? III.

12 minuten leestijd

De vorige maal wezen wij er met nadruk op, dat in de groote bezwaren, maarmede in dezen tijd ons kerkelijk bestaan bedreigd wordt, wij niet moeten meenen, dat er redding en zekerheid is te vinden in concessies op het gebied van beginselen. Zulk een methode als in dit afgewezen ontwerp door de samenstellers gevolgd werd, kan slechts uitloopen op den ondergang der Kerk. De Kerk kan niet gered worden door onze politieke slimmigheid, door compromissen, die immers wel beschouwd slechts een woordenspel zijn, waarbij de woorden dienen om de gedachten te verbergen. Ook bij den grooten nood der Kerk in dezen vreeselijken tijd hebben wij ons allereerst als uitgangspunt voor den geest te stellen het beginsel, waarvan Calvijn uitging, dat de Kerk het lichaam Christi is en als zoodanig geroepen zich te onderwerpen aan Zijn Koninklijk regiment, dat Hij voltrekt door Zijn Woord en Geest.
Bij de vraag: Wat nu? hebben wij alleen daarvan uit te gaan wat de Kerk naar haar wezen is en ons te laten leiden door hare roeping om, gehoorzaam aan den eisch des Woords, dus naar de norm des Woords te leven. Elke kerkelijke organisatie, die zulk een leven der gehoorzaamheid aan de Kerk onmogelijk maakt, is reeds daarom verwerpelijk. Nu is dit met deze organisatie, die aan de Herv. Kerk opgelegd werd, daarom niet mogelijk, omdat zij er van meet af op aangelegd was dit onmogelijk te maken. Allereerst was het beginsel, waarvan deze organisatie uitgaat, eene miskenning van het wezen der Kerk. Deze toch wordt in de Synodale organisatie niet als het lichaam van Christus aanvaard, want zij sluit niet aan bij de Belijdenis, zooals dit met de oude Kerkorden het geval is. Deze vangen aan met de verklaring: „Om goede orde in de gemeente Christi te onderhouden, zijn daarin nodig de Diensten, te Zamenkomsten, opzicht der Leere, Sacramenten en Ceremoniën en Christelijke straffe".
Daarbij wordt dus terstond duidelijk, dat deze orde een levensorde der Kerk van Christus is, zoodat alle levensfuncties der Kerk onmiddellijk worden opgesomd. Zij veronderstellen de Kerk als een levend organisme en bedoelen te zijn een aan Gods Woord ontleende levensnorm, die de functiën van het lichaam der Kerk regelen in overeenstemmet haar leven en levensbehoeften. Zulk eene Kerk is dus niet zonder levenseenheid, bestaat niet en kan niet bestaan zonder den éénen, allen samenbindenden Geest van Christus, die haar Hoofd is.
Deze levenseenheid komt openbaar in hare Belijdenis, die dus geen opgelegd ornament, geen dwangbevel is, waaronder de leden der Kerk hebben te buigen, zooals het soms wordt voorgesteld. Neen, maar zij is de levensexpressie der Kerk, waarin zij zich bewust geworden is van haar geestelijken levensinhoud. Zij is de zelfverklaring van het leven der Kerk, die zij in haren levensstrijd verworven heeft onder de leiding en leering van den Heiligen Geest, die immers aan de Kerk beloofd werd. De oude Kerkorden gaan dus uit van de levenswerkelijkheid der Kerk, want deze is hare vooronderstelling, zonder welke er van geen Kerk sprake kan zijn.
Welnu, met dit primordiale beginsel is in het Synodale Reglement, dat aan de Kerk werd opgelegd, niet gerekend. Het kwam zelfs in de gedachte der samenstellers niet op. Voor hen was de Kerk geen levende grootheid. Bij de formatie van het Synodale Reglement ging men eenvoudig uit van de vraag: hoe kunnen wij naar het model der centraliseering van den Staat aan de Kerk eenen daarmede overeenkomenden levensvorm bereiden? Na de revolutie was de restauratie gekomen. En met die restauratie bleek de oude Republiek, die de revolutie opgeruimd had, voor goed van het tooneel verdwenen. Het spreekt vanzelf, de geschiedenis keert nimmer op hare schreden terug, al schijnt zij soms in groote kronkelingen om te buigen als de rivieren, die door onze vlakten stroomen. Toen in 1813 de Nederlanden bevrijd waren, aan Oranje het oppergezag was toegekend, kon er van herstel der oude vormen geene sprake zijn. Deze waren oud en verouderd en daarom verdwenen.
De onafhankelijkheid der Provinciën had afgedaan en in de plaats van de willekeur eener regenten-aristocratie en een wankelend stadhouderschap trad Oranje op als de Souvereine Vorst, wiens oppergezag in eene Constitutie zou worden omschreven. En in plaats van den Calvinistischen geest der voorgeslachten verscheen de vrijzinnigheid als de modegeest des tijds. Zooals Groen van Prinsterer zegt: „Ook Oranjegezinden waren voorstanders eener vrijzinnigheid, wier toepassing ten gunste van het geliefde Stamhuis begon; ook revolutionairen waren vrienden van Oranje, nu Oranje zelve de beginselen omhelsde, die zij verkondigd hadden met de verzachting, wier gepastheid hun nu duidelijk was geworden. Er bestond geen onderscheid meer; bijkans iedereen was liberaal, gelijk bijkans iedereen Oranjegezind was. In dat licht is de nieuwe Staat te verstaan als een in wezen liberale Staat met eene Grondwet, waarvan Groen zegt, dat zij in „de rei der revolutionaire Constitutiën een proefstuk" was, waarin de betrekking van Uitvoerend Bewind en Wetgevend Ligchaam, van Staat en Kerk, van Staatseenheid en Departementen, met overneming van traditioneele benamingen en vormen, naar vrijzinnige voorschriften, aangewezen en vastgesteld werd".
Het beloop der ontwikkeling van ons volks- en staatsleven is dus sinds liberaal en niet Christelijk geweest. Indien er van een Christelijk Historisch Staatsrecht sprake geweest was, dan zou ook wat onbruikbaar geworden was, verdwenen zijn, dan zou ook het historisch gewordene erkenning hebben verworven, doch „met terzijdelegging der wanbegrippen, die sedert 1795 ook in de practijk den boventoon gevoerd hadden, en naar beginsels, wier echtheid in alle tijden en onder alle omstandigheden proef houdt". Daarvan kon echter niets komen, omdat dezelfde vrijzinnigheid, die in den Staat den boventoon voerde, ook in de Kerk, misschien wel eerst in de Kerk, tot heerschappij waren gekomen.
De revolutiegeest was ook in de Kerk binnengedrongen, hield haar onder eene narcose van levensverdooving. En zoo lag het dus voor de hand, dat de vrijzinnigheid in den Staat aan de vrijzinnigheid in de Kerk tegemoet kwam. De geweldige verwarring, die over het volksleven gekomen was, had ook de positie der Kerk ontwricht. En nu sprak het van zelf, dat in de restauratie van den Staat ook de Kerk betrokken werd en dat het voorbeeld van den Staat bevruchtend werken moest bij de constructie van het patroon, waarnaar de Kerk gerestaureerd moest worden. In dat licht is de Synodale organisatie te begrijpen. Zij werd niet gedacht uit den eisch van de levensbehoeften der Kerk, maar van den tijd, niet geconstrueerd bij het licht van Gods Woord, maar bij dat der idealen van den dag. En die idealen waren in den grond vrijzinnige idealen. En nu zou dit alles zonder groot bezwaar verloopen zijn, evenals dit elders het geval is geweest, indien aan ons volk de belofte niet ware vervuld ge worden: ,,Ik zal in uw midden doen overblijven een arm en ellendig volk, dat op mijn Naam vertrouwen zal." In den loop des tijds wekte Gods Heiligen Geest nieuw leven. En dat leven kon geen vrede vinden in en met den geest der vrijzinnigheid. En daarmede waren gegeven de gronden voor een conflict op het terrein der Kerk.
Hier is de verschijning van het kerkelijk vraagstuk met alle netelige kwesties, die het in zich draagt. En nu zou dit vraagstuk allang opgelost zijn, als het belijdend volk waarlijk in God en in Zijne leiding geloofd had. Maar daaraan juist ontbrak het. Die gelooven, haasten niet. Maar in dit geval hadden velen juist haast. Ik zal niet zeggen, dat daarvoor menschelijker wijze gesproken geen oorzaak was, want het liberalisme was in de Kerk, die het overheerschte, voor de kinderen des huizes een wreede stiefvader, die voor alles consideratie kende, maar voor de fijnen niet. Toch zou de Kerk reeds lang in de handen der alleen rechthebbenden zijn teruggekeerd, indien zij hadden kunnen wachten op de reddende daad Gods. Doch in plaats daarvan zochten zij zichzelven wegen en velen doen dit nog, zoodat de verbloeding steeds doorgaat met de levenskracht te sloopen. Indien er geen scheuring en scheiding ware ingetreden, de Kerk der Vaderen zou reeds lang hersteld zijn. Doch daarvoor heeft blijkbaar het geloof ontbroken en de gevolgen daarvan zijn de versnippering niet alleen, maar ook de verwildering van het Protestantisme, want de ervaring leert, dat scheuring der Kerk ook voor de afgescheurde deelen geen zegen bracht. De profeet Ahia scheurde zijn nieuwe kleed in twaalf stukken en tien daarvan gaf hij aan Jerobeam. Het geschiedde alles ongetwijfeld onder Gods voorzienig bestel, waarin Gods recht voltrokken werd, maar van deze losgescheurde stammen is ten laatste weinig gebleven, totdat zij werden weggevoerd zóó, dat niemand weet, waar zij bleven. De Kerk behoeft eenheid des levens en zij is als door een splijtzwam besmet, zoodat zij steeds meer versnippert. Zeker, de bedroevende toestand onder de opgelegde Synodale organisatie leidt daartoe, dient als verontschuldiging, maar niemand kan ontkennen, dat er ook veel willekeur en eigenwaan een rol speelt in het scheidingsproces.
De historische werkelijkheid stelt ons voor een jammerlijk beeld van chaotische verwarring, want onder de opgedwongen organisatie is de Kerk juist het tegendeel geworden van hetgeen met deze oplegging werd nagestreefd. Het doel was haar te behouden bij de eenheid. De strekking der organisatie was tot saamleving te dwingen, ook dan als het levensproces diepgaande verschillen voortbracht. De revolutie brengt altijd het tegendeel van hetgeen zij in het uitzicht stelt. Zij wilde streven naar het behoud der eenheid, predikte vrijheid van godsdienst en het liberalisme deed deze te niet door deze organisatie eerst op te dwingen en de afgescheidenen werden daarom vervolgd en van hun rechten beroofd. En die niet afscheidden, werden, al bleven zij dan in de Kerk, onderdrukt door Staatsgeweld. Zoo werd de eenheid als het ware vermorzeld onder den mokerslag van den liberalen Staat, die de Kerk in de boeien sloeg, zelfs de vrijheid der ouders om hunne kinderen in overeenstemming met de doopbelofte op te voeden, te niet deed. Zoo werd de Kerk uitgeperst en bij elke persing bleven toch de levenskiemen, die opnieuw ontloken en wederom nieuwe spruiten voortbrachten.
Van den beginne af woelt dan ook de strijd, terwijl onder dit voortdurend bloedverlies en de steeds voortwoekerende verdeeldheid de levenskracht wordt verteerd in onderlingen strijd. Indien het Protestantisme nog iets beteekenen zal, dan moet het kerkelijk vraagstuk worden opgelost. Dan moet, zooals Calvijn door de oplossing van het kerkelijke vraagstuk en de conceptie der Presbyteriale Kerk, het Protestantisme gered heeft, het ook nu gered worden. En dat kan alleen hier te lande door in zijn weg de oplossing andermaal ter hand te nemen. En Calvijn's oplossing is die, welke voltrokken wordt naar de norm van Gods Woord, naar den eisch des Evangelies, dus door herstel eener Presbyteriale kerkorde.
Dat kan dus niet geschieden, zooals in het reorganisatieontwerp getracht werd, door de Belijdenis in de Kerkorde over te brengen, met het doel de historische Belijdenis te vervangen door eene rekbare formule, die absoluut geene expressie is van den levensinhoud der Kerk, zooals zij die verworven heeft in de leiding, die de Voorzienigheid met haar genomen heeft. Het feit, dat op deze wijze beproefd werd de Kerk, zooals men dacht, tot eene belijdende Kerk te kunnen maken, leert duidelijk, dat de ontwerpers geen juist inzicht hadden in het wezen der Kerk als lichaam Christi. Feitelijk behandelden zij de Kerk, als ware zij eene vereeniging met afdeelingen, die gemeenschappelijk een reglement hadden, waarin de doelstelling omschreven werd. Zij meenden door eene trinitarische formule in het reglement te brengen, aan de Kerk eene belijdenis te hergeven, hoewel volgens het bestaande Synodale reglement die Belijdenis er was.
Nu ja, men kan daar wel van zeggen, dat zij dood in de kist ligt, dat niemand zich aan haar stoort, maar daarom is zij nog niet krachteloos. Het is er mede als met den Heiligen Doop, die vele duizenden ontvangen, zonder er ooit mee te rekenen. Zulk een doop is ook dood voor deze massa, maar dat beteekent niet, dat de Doop daarom krachteloos is. Er ligt eene ontroerende verantwoordelijkheid in, waarvan ik jaren geleden eens iemand hoorde zeggen, dat de dag komt, waarop zij, die onbekeerd sterven, dit teeken Gods wel van hun voorhoofd zullen willen wegvagen, hoewel zij het niet zullen kunnen. Zoo ligt de Belijdenis in het midden der Kerk, die wel ongehoorzaam kan zijn, maar den last harer verantwoordelijkheid niet kan afwentelen. En dat geldt van elk lid der Kerk, dat geldt ook van al die richtingen, die meenen met de Belijdenis te hebben afgerekend. Gods werk blijft en met dat werk blijft de verantwoordelijkheid van de gansche Kerk.
En als dus de vraag komt: Wat nu? Dan is het eerste, waarop onze aandacht gevestigd moet worden: de eisch der Belijdenis. Wij behoeven een kerkelijk leven, waarin en waardoor de Belijdenis weer hare rechten verkrijgt. En dit kan alleen, wanneer er weer een Kerk is, die belijdt, voor welke deze Belijdenis weer leeft, weer recht verkregen heeft en die op grond daarvan vraagt naar de mogelijkheid zich aan hare rechten te onderwerpen, omdat daarin de gehoorzaamheid gebracht wordt aan den Koning der Kerk, die haar regeert door en naar Zijn Woord.
Het gaat er dus om in dezen tijd van chaotische verwarring, die Kerk wederom aan de rechten harer Belijdenis te helpen. Naar de orde Gods heeft de Kerk dat recht, want de Heilige Geest leert de leer, die Hij eenmaal aan de Kerk heeft onderwezen. Dat recht op de Belijdenis en op een leven der Kerk in overeenstemming met haar, is een goddelijk recht. Het is alleen door het onrecht, dat aan de Kerk geschied is, onderdrukt, door haar eene organisatie op te leggen, die haar in boeien sloeg, zooals in de geschiedenis der wereld dikwijls Gods Kerk onderdrukt is. Doch onder dien druk blijft de worsteling om haar rechten en vrijheden roeping Gods. Doch daarover de volgende maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 12 November 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Wat nu? III.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 12 November 1938

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken