Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De eeuwige Naam II.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De eeuwige Naam II.

21 minuten leestijd

Psalm 72 : 17. Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zoolang er de zon is, zal Zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in Hem gezegend worden, alle heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen.

Gods genadeverbond kan niet gebroken worden zooals met het werkverbond is geschied. Neen, dit verbond sluit de belofte in van Gods garantie over de eischen van het verbond: geloof en bekeering. De Heere staat Zelf in voor de vervulling Zijner beloften. In het verbond zien wij de organische werkingswijze des Heeren in het verwezenlijken Zijner verkiezende genade.
Nog steeds wordt Zijn naam voortgeplant, want Zijn verbond blijft en Hij zal te midden van den tijd waarin wij leven zeker nieuw leven doen geboren worden. Het moge schaarsch zijn, te gronde gaan kan de Kerk toch niet. Wel is mogelijk, dat de Heere de Zijnen inzamelt en den kandelaar wegneemt in bepaalde plaatsen en landen zelfs, om haar elders te doen branden, want gebluscht wordt hij niet. De dagen Mijns volks, zegt de Heere, zullen zijn als de dagen eens booms. Zoodra het loof in de lente gevormd is en de bladeren uitbotten kunt ge zeker zijn, dat er weer nieuw loof onder zit voor de volgende lente. Wij moeten van den tak afvallen in ons sterfelijk bestaan. Gods kinderen moeten noch mogen daarover klagen want Hij heeft wat beters over hen voorzien.
De eene ploeg volgt den anderen op zonder mankeeren. Iedere golf vloeit weg, doch wordt gevolgd door eene andere. Beklaag de golf niet, want de zee gaat niet te niet. Uit den eeuwig levenden wortel van dezen naam spruiten nieuwe twijgen. Hier ligt de troost voor Gods Kerk. Ziende op eigen hart en dat van hun zaad zou er geen verwachting zijn ten leven. De belofte des Heeren echter is vast. Nu moeten wij echter niet vergeten, dat het niet geoorloofd is, wanneer wij aldus het volstrekte karakter der genade op den voorgrond stellen en hare alwerkzaamheid bepleiten, te zwijgen van de roeping tot bekeering, te wijzen op de nederbuigende goedheid Gods die laat noodigen, te letten op het teeken des Doops, te bepalen bij de wrake des verbonds, die zeker zal treffen wie het Evangelie des Zoons ongehoorzaam is. Daarom, mijn lezer, hoe staat gij nu tegenover den God des verbonds die Zijne eeden houdt en u roept tot bekeering en geloof?
Verberg u niet achter uw onmacht, want daar zal God u vinden en de schuilplaats van de leugen zal Hij wegvagen als door een onweder. Het is toch waar, dat de Heere Zijne kinderen den ganschen inhoud der openbaring van harte doet aanvaarden en ons hart is van streek wanneer wij gevoelen eenzijdig Gods waarheid naar voren te brengen, want de Heere eischt het bekend maken van Zijn geheele Woord, te verkondigen den vollen Raad Gods.
Zijn naam zal voortgeplant worden van kind tot kind. Hoe doet de Heere dat nu? Lees hetgeen staat geschreven in het 15e vers: Men zal geduriglijk voor Hem bidden. Gods beloften worden vervuld in den weg van het gebed Zijner Kerk. Zoo wordt Gods Kerk betrokken in de vervulling van het verbond. Daarom moet de vraag met klem worden gesteld: hoe gedragen wij ons jegens onzen bonds-God? Leven wij naar Zijn Woord en gebod? Ook hierin? Of behelpen wij orts met Verstandelijke toestemming dezer waarheden zonder ze te beoefenen door het geloof? Daarom mede is de Kerk too onvruchtbaar omdat zij zoo weinig door hét gelóóf leeft. Er wofdt Veel te veel geredeneerd en te Weinig geleefd, waarlijk geleefd. De zekerheid van Gods beloften maken het worstelen der Kerk niet overbodig. Neen, die worstelingen zijn mede opgenomen in Gods raad, daarin wordt Hij verheerlijkt.
Zijn naam zal voortgeplant worden van kind tot kind. Dit zal is even zeker als het eeuwige verbond zelf, het is er een onlosmakelijk deel van.
Wij zien daarom uit of hier en daar geen spruitje uitbot, een spruitje des nieuwen levens. Droefheid naar God, zondesmart en honger naar Jezus, naar verzoening met God; een spruite des nieuwen levens, een vaarwel aan de wereld en haar dienst, een toekeer tot den Heere en Zijn volk. Dit zal des Heeren is volkomen gewis. Gij gelooft Zijn Woord omtrent uw eigen zaligheid, geloof het óók voor Gods huisgezin en zaak. dan zult gij worstelen en voor dezen Koning gedurig bidden. Jezus leeft en heden wandelt Hij temidden der zeven gouden kandelaren, Hij houdt de sterren in Zijne rechterhand.
Hij heeft ze aangestoken en houdt ze brandende met onsterfelijk vuur. Hij zal zaad zien, want zijne ziel heeft zich tot een schuldoffer gesteld. Door Zijne hand zal het welbehagen des Heeren gelukkiglijk voortgaan. De tijden mogen bang zijn... en dat zijn ze, ontstellend bang: het geloof moge schaarsch zijn... en dat is het, verontrustend schaarsch, toch kan Gods belofte, Gods waarheid, niet feilen. Zijn Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen en Zijne heerschappij is van geslachte tot geslacht. Zie héden, als gij deze overdenking leest, eens terug! Ga in den geest de rij uwer voorgeslachten eens na, zoover uw geheugen reikt en u werd meegedeeld in uwe familie. Had de Heere in uw geslacht geen van Zijne kinderen?
Ik hoor u zuchten en ge zegt... maar mij kon de Heere rechtvaardig over slaan! Ja, dat kon de Heere zeker doen, wantdat zijn wij allen zonder onderscheid waardig. Waardig, dat de Heere ons voorbijgaat, ons laat liggen in onzen afval, ons overgeeft aan de verharding, ons rijp maakt voor het oordeel. Wij hebben niets anders verdiend. Met onze gansche ziel belijden wij het: niets anders verdiend! Indien ook ons gekerm zou worden gehoord, daar waar is weening der oogen en knersing der tanden: rechtvaardig verdiend. Zoo leeren toch allen belijden met het hart wanneer de Heere het levende zaad des Woords doet indalen in de voren der ziel getrokken door het kouter zijner heilige wet, bevochtigd door den regen der genade. Zijn naam zal voortgeplant worden van kind tot kind.
Moeten wij dan niet zeggen: ik kan het wonder niet doorgronden, dat Hij Zijne hand op mij heeft gelegd, nu verbonden met geestelijken band aan de voorgeslachten door het verbond vereenigd. Kom, zie eens op uwe geestelijke vaders die u het Woord Gods verkondigd hebben. Wij zijn ook erfgenamen der martelaren. Hoe moest toch Jezus naam in ons branden, hoe moest onze tong Zijn lof vertellen, Zijn bloed roemen, Zijne gerechtigheid prijzen. En ach, hoe dikwijls is de tong stom of wel druk, maar met datgene waarin geen bestand is. De ijdelheden dezes levens en wat niet al. Gij die des Heeren doet gedenken laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen.
Maar, wat kunnen wij doen voor het komende geslacht? Wat wij doen kunnen? Door genade het pand ons toebetrouwd rein bewaren, de erfenis onzer vaderen doorgeven aan het komende geslacht. Men zal gedurig voor Hem bidden, den ganschen dag zal men Hem zegenen. Een gemeente die niet gelooft aan en leeft uit Gods verbond is op weg uit te sterven. Welke erfenis zullen wij onzen kinderen nalaten? Te midden van de armoede der wereld en de verarming der menschheid blijft de rijkdom Gods van geslacht tot geslacht. Is er dan nu geen enkele Hanna die om een Samuël vraagt aan den Heere! Is er dan niemand wien de zaak des Konings ter harte gaat? Het kan niet zijn! Dan waren wij ontrouw aan het geslacht van Gods kinderen. Moeten dan met alle geweld dehuurlingen heerschen over het erfdeel des Heeren en dit vervreemden van de Kerk met een schreiend hart naar bediening? Dan is het onze eigen schuld en krijgen wij ons verdiende loon. Wij hebben arbeiders noodig die in den wijngaard zijn geweest van het eerste uur des daags, deze zijn de ingeborenen des huizes. Denken we wel ook aan onze Zware verantwoordelijkheid in opvoeding en onderwijs, lettende op Gods verbond en roeping? Maken wij Gods inzettingen niet krachteloos door onze ongeloovige theoriën, die verstandelijk wellicht sluiten maar niet zijn uit het geloof?
Ons hart verlangt, verlangt als een hert, dat schreit naar de waterstroomen, naar glorie voor den Koning naar den lof van Zijn naam, naar voortplanting van dien naam van kind tot kind. Wanneer zullen dan eindelijk de tongen loskomen om te vertellen, ik ben daar geboren, in Sions schoot gekoesterd. Neen, Zijn belofte kan niet onvervuld blijven; neen, dat duldt Zijn glorie niet.

De zegeningen door dien naam.
en zij zullen in Hem gezegend worden.

Wie zijn dan die zij? Wel, degenen in wier ziel Zijn naam wordt voortgeplant. Degenen in wier hart het zaad des Woords ontkiemt. Zij, die moeten belijden: wij waren duisternis, maar nu zijn wij licht in den Heere. In Hem gezegend. Konden wij slechts volwaardig spreken over dezen Hem. Deze is de meerdere Salomo, de groote Davidszoon die vrede beschikt door recht.
Ik zal Hem niet kunnen voorstellen zooals Hij is. maar dit mogen wij wel zeggen: Zijne liefde is de banier over ons en al wat aan Hem is is gansch begeerlijk. In Hem worden de gekenden des Heeren gezegend. Gij weet wel, dat we van nature niet gezegend zijn, maar liggen onder den vloek. Door onze ongehoorzaamheid hebben wij den zegen en het goede verbeurd en van ons geweerd. Onze hemel is voor altijd verduisterd. In het zweet onzes aanschijns zullen wij ons brood eten; met smart zal de moeder kinderen baren; het aardrijk zucht onder den vloek. Gij kunt uwe oogen niet openen of ge ziet den vloek; uwe hand niet uitstrekken of gij moet dien wel tasten. Zelfs in hetgeen wij zegeningen noemen is toch nog de vloek, want de Heere is er niet in met Zijne gunst. Wel is Gods goedheid verspreid over alle Zijne werken, maar dat is nog niet: gezegend zijn. Buiten Christus kunnen wij niet gezegend worden maar verteeren onder den vloek. Wij vergaan door Uwen toorn en door Uwe grimmigheid worden wij verschrikt, zoo klaagde Mozes, de man Gods. Wat is het dan anders als wij ons oog laten gaan over het wereldleven ook van onzen tijd dan uitwerking van den vloek die de volkeren verteert in haar zonde schuld. De mensch wordt tot moeite geboren. De mensch van eene vrouw geboren is kort van dagen en zat van onrust. Wie kent de sterkte Uws toorns en Uwer verbolgenheid naar dat Gij te vreezen zijt? Temidden van deze gevloekte wereld en menschheid, verschijnt Immanuël als de levensvorst. Hij verschijnt daar met Zijn zelfofferande om den vloek te dragen en den zegen te verwerven. Verwerven tot duren prijs.
Temidden van de wanorde der aarde staat daar de Banier der volkeren. Rondom dezen standaard worden alle kinderen Abrahams verzameld. In de duisternis schijnt het licht van deze zonne der gerechtigheid. Temidden van het oordeel verschijnt Zijne lichtende gestalte als vloekdrager. Zou er zegen kunnen zijn, dan moest de vloek doordragen. Wij zoeken van nature dien vloek te vergeten óf te ontgaan maar hij is en blijft er. In Hem alleen kunnen wij gezegend worden. Dit is ook de oorzaak, dat de Heilige Geest niet rust met te verontrusten totdat wij vrede vinden in Hem die onze vrede is. Toen was ik als een, die vrede vindt in Zijne oogen. Wij zijn niet slechts gelukkig door Hem maar gezegend in Hem. In Hem worden de bondelingen gezegend.
Aardsch geluk heeft geen diepte, geen wezen, geen eeuwigheid. In Hem alleen kunnen wij leeren kennen de ontheffing van den vloek omdat Hij vloekdrager was. Door het geloof in Zijnen naam kan ik gezegend zijn voor tijd en eeuwigheid. Zalig, als wij het den apostel mogen nazeggen: Ik ken een mensch in Christus.
In Hem gezegend: het verleden is goed gemaakt. Op éénen dag zal de ongerechtigheid des lands worden weggenomen. Ik delg uwe overtredingen uit als een nevel en Ik gedenk uwer zonden niet. Wanneer wij Gods Kerk aanmerken in het verbond, gekend in Hem, dan verschijnt zij zonder vlek en rimpel bemind en gezegend. Maar ook deze waarheid moet worden toegepast, want wij waren van nature vijanden gelijk ook de anderen. Kent gij dan de vernieuwing uws levens, de vergiffenis uwer schuld? Zij zullen in Hem gezegend worden. Door wien en hoe? Gezegend in Hem door den Vader en den Geest en door Hemzelf.
Wanneer de Heilige Geest ons brengt onder Zijne banier daalt zegen op ons neer, mogen wij in het geloof verstaan, wat wij in Christus hebben. Ook de Vader zegent ons in Hem want in Hem zal Hij niet op ons toornen. Hij doet vrede nederdalen zoodat wij in Hem kennen en bezitten onze vrede. Hij is onze vrede!
In Hem ligt des Vaders zegen, ja, Hij is de zegen waarmede de Vader begiftigt. In Hem gezegend. Voor het tegenwoordige. Onder den vloek zijn wij als een hert, dat wordt voortgejaagd door den jager, en smacht naar water. Ja, zijn wij als een hert dat met een pijl is gewond die in het vleesch is blijven steken. Door te vluchten echter bloedt de wonde te sterker en vlucht het dier zich dood, totdat het ineenzijgt en ter aarde neerstort. Buiten Christus zijn wij gevloekt, voortgejaagd door onrust, getroffen door den pijl des Woords. Maar in Hem zijn we nu gezegend. Wij zijn tot rust gekomen.
Uw toorn is afgekeerd en Gij troost mij. Ik ben gerust met hetgeen ik ben in Hem. Gelijk een beest dat afgaat in de valleien alzoo heeft hem de Geest des Heeren rust gegeven.
In Hem gezegend. Ook uit Hem. Zeker óók dat. maar in Hem gezegend brengt rust en vrede: in gemeenschap met Hem, aangezien in Hem, gerekend met Hem. Ook de toekomst is gewaarborgd. Wij weten niet hoelang de pelgrimstocht nog zal duren en dat behoeft ook niet, het zij ons genoeg te weten, dat wij in Hem gezegend zijn en zullen worden. Onze sterkte zal zijn als onze dagen.
Het zal ons aan geen noodzakelijk goed ontbreken voor den tijd en voor de eeuwigheid. Hij zal zorgen eiken morgen en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn. het gebed tot den God mijns levens, want Hij zal zegenen. Zijn belofte is gewis. Hij is de getrouwe en de waarachtige, zou Hij zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken? Zij zullen in Hem gezegend worden. Gezegend met vergeving der zonden, met het kleed der gerechtigheid omhangen, met heiligheid versierd en beweldadigd van dag tot dag. Die Zijnen eigenen Zoon niet gespaard heeft, hoe zou Hij ons met Hem niet alle dingen schenken? Zij zullen in Hem gezegend worden. Dat zijn dus degenen in wier hart zijn naam wordt voortgeplant, herboren tot eene levende hope. Zij, dat zijn de opeenvolgende geslachten, want die naam wordt van kind tot kind voortgeplant. Als Hij zijne ziel tot een schuldoffer zal gesteld hebben, zoo zal Hij zaad zien, door Zijne hand zal het welbehagen des Heeren gelukkiglijk voortgaan.
Hij zal zegenen de kleinen met de grooten
Toen Bileam ontboden was om Israël te vloeken moest hij Israël zegenen en sprak: hoe zal ik vloeken dien God niet vloekt. Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl Hij zegent zoo zal ik het niet keeren. Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob, ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. De Heere zijn God is met hem en het geklank des Konings is bij hem. Al is het dat Balak hem bezweert Israël te vloeken. Hij kan het niet, en straks zegent hij dit wondervolk opnieuw wanneer hij ze ziet gelegerd, van een hoogte, in hunne tenten: Hoe goed zijn uwe tenten, Jacob, uwe woningen, Israël! Ja, zoo moet hij vervolgen: Zoo wie u zegent die zij gezegend en vervloekt zij wie u vervloekt."
In Hem gezegend, voor eeuwig gezegend. Neen, dit wonder kunnen wij niet doorgronden. Voor eeuwig gezegend, deelend in Gods gunst, overwonnen door Zijne liefde. Hij heeft Zijn hart gezet op hen, Hij zorgt voor hen.
Onze text wijst op de breedte van kring en de lengte van tijd waarin en waarover die zegen zal zijn verspreid. Zijne zegeningen waren in vorige geslachten en zij zullen er zijn wanneer wij het hoofd hebben ter ruste gelegd. Alle vleesch zal Zijnen heerlijken naam loven in eeuwigheid en altoos. David spreekt met vaste stem. De zekerheid van Gods beloften toch hangt niet af van den mensch maar ligt vast in den Heere. De ark des Heeren behoeft niet te worden ondersteund. Gods zaak is volkomen zeker in Gods hand. Ook de voorwaarden worden door Hem vervuld. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.
Vele eeuwen zijn verloopen sedert David zijn zwanenzang zong, maar heeft de Heere geen woord gehouden? De Kerk scheen soms uitgeroeid te zullen worden maar het bloed der martelaren bleek het zaad der Kerk. Zij is onuitroeibaar, omdat God haar in stand houdt. Zijn wij nu in Hem gezegend die ons altijd weer verkondigd wordt als de gegevene des Vaders vol van genade en waarheid? Wie tot Hem komt zal Hij geenszins uitwerpen. Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven.
Doch het komen tot Hem is een der zegeningen in Hem door den Heiligen Geest. Anders toch hebben wij geen lust aan de kennis Zijner wegen, dan begeeren wij niet tot Hem te naderen, ons neer te vleien aan Zijne voeten en die nat te maken met onze tranen gelijk de boetvaardige zondares deed. Zij zullen in Hem gezegend worden. Daarin ligt opgesloten de onwederstandelijke genade. God drieëenig heeft het erop gezet een volk zalig te maken en zich te eigenen om Zijn lof te vertellen. Tegen dit zullen is niets bestand. De duivel, noch de wereld, noch eigen hart kan het verhinderen, want de genade is almachtig. En wanneer wij gezegend zijn in Hem dan blijven wij gezegend. Hoeveel arbeid wij den Heere ook maken met onze zonde hoe dikwijls — o schande — wij den Geest bedroeven, toch zullen zij gezegend zijn, omdat Hij het doet om Zijns naams en verbonds wille. Gij nu. o Mijne schapen, gij zijt menschen maar Ik ben de Heere uw God.
Des Konings feestzaal zal gewis gevuld worden met aanzittende gasten. Hij zal Zijne dienstknechten zenden in heggen en stegen. Het resultaat van Jezus' komst zal niet worden beheerscht door de goedwilligheid der menschen maar door de vrijmacht der genade. Zij hebben niet kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. Dat geldt den mensch die in ongehoorzaamheid aan het Evangelie zijn weg vervolgt naar het verderf. Er geloofden zoovelen als er verordineerd waren ten eeuwigen leven. Dat is van kracht voor Gods gekenden. Gij gelooft niet, omdat gij van Zijne schapen niet zijt. Mijne schapen hooren mijne stem en zij volgen Mij. Ja, al wat de Vader Mij geeft zal tot Mij komen en die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen.
Het staat niet aan ons dat Ethiopië en Moorenland de handen naar God zullen uitstrekken, dat Rahab en Babel vermeld staan onder degenen die den Heere zullen kennen. Daarom moet de Kerk voortgaan, voortgaan met verdubbelden ijver. Zijn naam bekend te maken tot aan de einden der aarde. Gaat dan henen predikt het Evangelie allen creaturen en die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn die zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben die zal verdoemd worden. Zijt gij een levend getuige van de waarheid?Zij zullen in Hem gezegend worden. Gij behoeft daartoe geen geleerde te zijn, maar wel van den Heere geleerd, naar Zijne belofte: al Mijne kinderen zullen van den Heere geleerd zijn. Wie in Christus is is een nieuw schepsel, het oude is voorbij gegaan, zie, het is alles nieuw geworden. Hoe diep, hoe rijk, hoe eeuwig zijn wij in Hem gezegend. Wezenlijk, dadelijk en voor eeuwig gezegend! Hij heeft ons gezegend met alle geestelijke zegening van boven in Christus. De vreugde overtreft de droefheid, de zegen het oordeel. Want er is een oogenblik in Zijn toorn maar een leven in Zijne goedgunstigheid.
Onze zorgen en onze smarten, zelfs onze zonden, konden ons niet ongezegend maken, want alle dingen moeten medewerken ten goede. Mijn hart is bereid, o God, ik zal zingen ja, psalmzingen

De lof aan dien naam.
Alle heidenen zullen Hem welgelukzalig roemen.

David kende de heidenen. Dikwijls had hij met hen geoorloogd. Hij had het oude nest der Jebusieten uitgeroeid, de Sionsburcht, die tot zijne dagen door heidenen in bezit werd gehouden. Hij streed met de Syriërs te Soba en met de Filistijnen. Hij had den snoevenden Goliath verslagen. Zijn zwaard droop van bloed. Daarom mocht hij den tempel niet bouwen, maar zou dit geschieden door zijn opvolger Salomo. De heidenen waren de vijanden van den God van Israël en Zijn volk. Doch door den Geest der profetie mag David zien hoe zij in Israël zullen ingelijfd worden. Hij kende de belofte aan Abraham: In uwen zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. Licht gaat op voor zijne ziel over het heil den heidenen beschoren in de volheid des tijds. Daarvan zou Simeon getuigen met het Kindeke Jezus in zijne armen: Een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. Door Jezaia sprak de Heere: Het is te gering, dat Gij Mij een knecht zoudt zijn om op te richten de stammen Jacobs en weder te brengen de bewaarden in Israël, Ik heb U ook gegeven ten lichte der heidenen om Mijn heil te zijn tot aan de einden der aarde. Met een kort woord slechts zullen wij dit punt nu afdoen. Indien hun val de rijkdom is der wereld en hunne vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hunne volheid, merkt Paulus op over de verwerping van Israël en de aanneming der heidenen.
Hij zal staan tot een banier der volkeren en de eilanden zullen op Zijn leer wachten. Hoor naar Jezus' eigen woorden: Ik heb nog andere schapen die van dezen stal niet zijn, dezelve moet Ik ook toebrengen en het zal worden ééne kudde en één herder. Vader, Ik bid niet alleen voor dezen, maar óók voor allen die door hun woord in Mij zullen gelooven. Zoo zal het heidendom het geluk van dezen Koning prijzen die Davids troon beklom. Ook wij deelen in den zegen aan Japhet toegezegd. De Heere had de zaligheid kunnen besluiten binnen Israël maar het heeft Hem goedgedacht alle heidenen te zegenen in Hem. Ik zag eene groote schare, die niemand tellen kon, uit alle geslacht en volk en taal en natie.
Wat zullen zij doen? Hem welgelukzalig roemen. Wat wil dat zeggen? Het beduidt zoowel hun zaligheid in Hem zoeken en vinden als Hem daarvoor verheerlijken. Toen Zilpa, Lea's dienstmaagd, weer een zoon gebaard had zeide Lea: Tot mijn geluk, want de dochters zullen wij gelukkig achten: en zij noemden zijnen naam Aser. Daar staat hetzelfde woord gelukkig achten, gelukkig prijzen.
Job zegt: Als een oor mij hoorde, zoo hield het mij gelukzalig. Dus men achtte Job gelukkig, men begeerde het geluk dat zijn deel was. Want dit kwam uit in het woord dat hij sprak. Als een oog mij zag zoo getuigde het van mij. Het dichtst bij onzen text komt wel hetgeen in Maleachi 3 vers 12 staat. In dit Schriftdeel wordt gehandeld over den Messias en Zijn wegbereider Johannes. En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen, want gijlieden zult een lustig land zijn, zegt de Heere der heirscharen.
In den Koning, is het volk gezegend en Japhet zal wonen in de tenten van Sem. Zoo is het heden ten dage. Deze Koning is gezegend door den Vader. Heeft nu een naam boven allen naam; Hem is gegeven alle macht in den hemel en op aarde. Welgelukzalig is het volk welks Gods de Heere is. Zoo zag Mozes het volk des Heeren toen hij het van den Pisga gade sloeg en uitriep: welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk, een volk verlost door den Heere. Alleen omdat het gezegend is in zijn Koning is het gelukkig te prijzen. De heidenen zullen vragen naar den wortel van Isai en Zijne rust zal heerlijk zijn. De nacht zal plaats maken voor den dag, de duisternis voor het licht.
De heidenen zullen ingelijfd worden in den olijfboom en vruchten dragen. Zij zullen zien op den Koning die ook hun verlosser zal zijn. Daarom zal de lof van Zijn naam op hunne lippen en in hun hart zijn. Zie hen bewonderend staren op Immanuël! Geloofd zij de naam zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid en de gansche aarde worde met Zijne heerlijkheid vervuld. Amen, ja Amen.
Eeuwig zal U 't loflied schallen,
Wanneer Gij eens Uw kind'ren allen
In 't Rijk Uws Vaders zaam'len zult,
Vorst des levens, Eerekoning!
Dan wordt in Uw verheven woning
Uw laatst' beloftewoord vervuld.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 november 1938

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

De eeuwige Naam II.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 november 1938

Gereformeerd Weekblad | 16 Pagina's

PDF Bekijken