Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Opstandingsleven III

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Opstandingsleven III

22 minuten leestijd

1 Petrus 1 vss. 3—9. Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die naar Zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot eene levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. tot eene onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, die gij in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof, tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. In welken gij u verheugt, nu een weinig tijds (zoo het noodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan des gouds, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus; denwelke gij niet gezien hebt en nochtans lief hebt; in denwelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar geloovende, u verheugt met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid uwer zielen.

Een heerlijke erfenis.
tot eene onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis...

De apostel Petrus legt aan de verstrooide vreemdelingen voor hoe de Heere hen heeft wedergeboren tot een levende hope door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. Zij waren eenmaal vijanden gelijk alle menschen van nature zijn. Zonder wedergeboorte kan ook een kind des verbonds het Koninkrijk Gods niet zien. Altijd weer moet ook op die zijde der waarheid nadruk worden gelegd. Maar waartoe wederbaart God nu de Zijnen? Tot eene levende hoop. Dat is het eerste waarop de apostel de aandacht vestigt. Gods kinderen zijn kinderen der hope. Die hope richt zich op het goed. dat zij eenmaal zullen verkrijgen omdat het hun is vermaakt. In vers 3 werd ons geleerd wat God deed en nu zegt ons vers 4 wat hun is bereid. Hun leven strekt zich uit naar eene erfenis, die zij eenmaal zullen ontvangen. Nu zijn zij nog in het tranendal. Wat levert de wereld ook op? In de wereld zult gij verdrukking hebben doch hebt goeden moet, Ik heb de wereld overwonnen.
Laat ik ook u niet vergeten die zegt — die lezen ons Blad toch ook nog wel — dat leven ken ik niet, ik ben nog onbekeerd. Een ontstellende waarheid. Ontsteld gij niet van uw belijdenis met den mond? Maar zeg mij dan eens: geeft het leven u wat gij ervan verwacht? Het stelt toch eigenlijk altijd teleur. Waarom? Omdat gijervan verwacht wat het niet geven kan. Rust voor het hart. Gij zoekt het leven bij den dood. Verwijt niet aan het schepsel dat het u niet gelukkig maakt, want het is uwe zonde dat gij het bij het schepsel zoekt; de geschapen wereld ligt onder den vloek. Ons hart is onrustig in ons totdat het rust in God.
Waarom zal uw leven op eene eeuwige teleurstelling uitloopen. Waarom wilt gij niet dat Christus over u Koning zal zijn? Laat u met God verzoenen! Neen, zegt ge: zóó is het niet met mij. Ik weet wel, dat het geluk in de wereld niet is te vinden, maar ach, ik blijf toch die ik was en vrees te zullen blijven die ik ben, zonder genade, zonder waarachtige hoop, zonder toekomst: Kunt gij daarin leven? Is dit meer dan een koude belijdenis? Dan zal het niet anders kunnen of gij worstelt in het verborgene van uw leven aan den troon der genade. De Geest des Heeren moge u zoo ongelukkig maken, dat gij geen rust noch duur meer hebt en ontdekke a aan uwe verlorenheid in misdaad en zonde, want hoe zult gij om verzoening smeeken als gij den vloek der zonde en het recht des Heeren niet kent?
Als het zóó doorgaat, zegt een ander, zal ik eeuwig God moeten missen! En uw hart schreit, uw ziel is ontroerd? Dat zal wat zijn: eeuwig God moeten missen en dat rechtvaardig, want ik heb het verdiend dat Hij nooit, neen nooit, naar mij zal omzien met een oog van ontfermen. Hoort, er is nog hoop want bij den Heere is veel goedertierenheid in den Zoon Zijner liefde. Leg u maar neder aan den troon Zijner genade, uwe zonde en schuld belijdende, uwe onwaardigheid bekennende met de verzuchting: en toch Heere, hoewel Gij vrij van mij zijt en mij kunt laten liggen, Heere, ik kan U niet vrij laten. Heere, Gij komt er toch niet bij te kort wanneer Gij mijne ziel redt van den dood, mijn oog van tranen. Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten. Ik zal Mij wenden tot het gebed desgenen die gansch ontbloot is en die geenen helper heeft, spreekt de Heere.
Neen, wij weten het wel, gij durft niet zeggen: Heere, hier ben ik met een gebroken hart en een verslagen geest. Gelukkig niet, want dan zouden wij zeggen, kent gij wel uw hart en uw geest? Genade is een vrij geschenk, leven in het midden van onzen dood is niet verdiend. Wacht uwe ziel op den Heere en hoopt gij op Zijn Woord? Hij zal Israël verlossen van alle zijne ongerechtigheden. Gij zegt: hoe zalig is het volk, dat naar Zijn klanken hoort. Het heil is te krijgen om niet, zonder geld en zonder prijs. En nu laten wij u weer voortzwoegen totdat gij uitgewerkt, moegestreden, het eens wordt met den Heere om door genade te worden behouden. Toch verliezen wij u niet uit het oog.
Voor Gods Kerk is een zalig uitzicht geopend in de heerlijkheid die hun wacht. Z o o mogen zij ervaren in voorspoed dat het liefelijk is iedere vreugde te zien bekroond met blijdschap die God zelf legt in het hart. In tegenspoed zijn de liederen Sions vertroostend en hart-verheffend. Zoo mag nu Petrus zingen, ,,voor-zingen", om zijn verstrooide broeders te troosten. Hij zingt een heerlijk lied der vreemdelingschappen. In de rangschikking der weldaden is goddelijke orde. Hij komt op uit de eeuwigheid en keert erin terug. Jezus heeft niet alleen den dood verslonden tot overwinning het leven en onverderfelijkheid aan het licht gebracht, maar ook eene erfenis verworven. Sterven is voor den vreemdeling hier beneden: erven. Op die erfenis richt zich de hoop des christens bovenal wanneer hij door zorgen wordt gedrukt door smarten wordt gekweld en het leven in zijne ziel is als eene fontein. Zij zal springen tot in het eeuwige leven. De hoop voert opwaarts; heft het hart omhoog en het geloof ziet in de verte den eeuwigen morgen gloren waar geen avond meer op volgen zal. Terwijl het levensschip wordt geslingerd op de baren trekt het koord des geloofs aan het anker, dat niet in het hart der zeeën beneden maar achter het binnenste voorhangsel vastligt. Ons levensschip is op sleeptouw genomen naar den hemel. Z e l f s als het koord niet zichtbaar is door de kokende golven voelen wij het trekken en hopen volkomenhjk op de genade die ons toegebracht wordt in Jezus Christus. Onze text spreekt van de erfenis der vromen in het licht. Eene erfenis vermaakt in een eeuwig testament; verzegeld door het bloed des verbonds. In dat testament zijn vermaakt alle goederen des heils in Hem die erfgenaam is van alles op grond Zijner verdiensten. Erfgenamen Gods medeërfgenamen van Christus. God is de erfenis met alles wat Hij is en heeft. Gemeenschap met den volzaligen drieëenigen God.
Daar is voor de wereld weinig aantrekkelijks in, want wat moet ik in mijn onherboren staat met God' aanvangen. Ik begeer Zijne gemeenschap niet noch Zijne tegenwoordigheid. Weet ge hoe het eigenlijk is? Wij hebben reeds geërfd. Wij hebben die erfenis aanvaard en verheugen ons erin. Hoe zegt ge; geërfd? Zijn we dan rijk? Neen, niet rijk maar arm. Als een vader sterft en groote schulden heeft erven de kinderen schuld. Nu is het mogelijk bij onze wetgeving dan a f s t a n d te doen van de erfenis om het aandeel in de schuld te ontgaan. Maar zoo staat het met deze erfenis niet. W e l ke dan, zegt ge? Wij hebben allen gevallen in Adam, erfschuld, omdat hij het hoofd was van het werkverbond. W^ij spreken van erfzonde en door dat woord vatten wij twee dingen samen, namelijk de erfschuld én de erfsmet. Wij staan bij God te boek als schuldenaar, wij liggen onder den vloek der wet en daarom is de erfsmet de straf voor de erfschuld. Wij worden allen gestraft geboren. Deze erfenis hebben wij aanvaard want wij zijn willens wat wij zijn in onzen zonde staat. De verloren zoon zeide; vader; geef mij het goed. En hij is weggereisd in een vergelegen 1'ancT en heeft zijns vaders goed doorgebracht. In Adam zijn wij doorbrengers gerekend en zijn- wij allen in hem gestorven. Zeker, de rede ergert zich hieraan, maar dat verandert aair de waarheid niet. En wij vergaderen onszelven toorn als een schat, dien de Heere, de rechtvaardige rechter, vergelden zal. W a n - neer de Heilige Geest het licht der waarheid doet schijnen over onze ziel dan beginnen wij op te merken hoe verdorven ons binnenste is. Onze daden veroordeelen ons. Maar ook al mogen wij rechtzinnig zijn in de leer van onze bondsbreuk hebben wij geen besef. Z e l f s aanvankelijk niet wanneer wij zondaar worden voor God. Toch is ons noodig te leeren niet door beschouwing maar inlevende genade hoe wij als een pronkjuweel zijn voortgekomen uit de handen van onzen Maker, maar zijn gevallen in Adam. Dit is mede het aanvaarden van Gods scheppingsbestel die den mensch verbondsmatig schiep. Voor het oog onzer ziel ontrolt de Geest de vloekrol, in Adam gevallen. Een onmetelijke schuld staat op onze rekening waardoor wij den eeuwigen dood onderworpen zijn, aan oordeel en doem prijsgegeven.
Onze dadelijke zonden, oilze erfsmet wordt ontdekt bij het licht van Gods heilige wet. Doch door onze ouders heen worden wij teruggebracht tot onzen oorsprong in Adam. Door onze schuld en zonde zijn wij erfgenamen des toorns, Een deel is ons reeds Uitbetaald, zoodat wij midden in den dood liggen. Verbolgenheid en toorn over alle ziel die het kwade werkt. Doch de erfgenaam des toorns ziet eene ont^ zettende eeuwigheid tegemoet. Niemand die zijne schuld kan betalen onder engelen noch menschen, die zijn oordeel kan afwentelen en zijne onreine ziel genezen. Hij kan dien prijs der ziele, dat rantsoen, aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen. Maar hoor nu naar het wondere werk van Christus a l s de tweede Adam, die de schuldovernemende Borg is voor al degenen die de Vader Hem gaf. De straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem. Waarlijk, Hij heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen. Hij is de vloekdrager. Hij is echter meer dan vloekdrager. Hij verwerft eene eeuwige gerechtigheid, en zoo wordt Hij als Borg de erfgenaam van alles.
Niemand komt tot den Vader dan door Mij, zoo kan Hij zeggen. Niemand ook kan vredesleven met God smaken zonder verzoening door het bloed des kruises. In God is al mijn heil mijn eer. Deze blijde uitroep is erfenisvreugde. Voor de vermaking van Gods eeuwige liefde moest de Middelaar van het Testament sterven, want God heeft onsterfelijkheid. En zoo mogen wij nu spreken van den dood des Zoons van God in het vleesch. Het testament is uitvoerbaar geworden door Jezus' dood en bloedstorting, anders kon de Heere niemands God zijn.
Over erfenissen was en is vaak veel te doen. Hoevele twisten zijn eruit geboren. Maar, mijn lezer, zijt gij uw eerste erfenis die wij in Adam hebben als ons hondshoofd al kwijt doordat Jezus uw Borg is geworden? Zonder wederbaring tot eene levende hope door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden kan daarvan geen sprake zijn. Onze oude schuld moet worden betaald en een nieuw goed verworven. Soms noemt de Schrift deze erfenis: de zaligheid, het eeuwige leven, de genade des levens, het Koninkrijk. Maar gij kunt alles samenvatten in het woord God. Erfgenamen Gods, medeërfgenamen van Christus. God is de algenoegzame in zichzelven, de fontein aller goeden. Hij wil nu alle schatkameren der ziel vervullen met zichzelf. Ik ben uw God, zegt Hij en Ik wil, dat gij Mij zult kennen en liefhebben. Niet alleen den hemel schenk ik u maar... met Mij, den God des hemels, zult gij verkeeren Hij zal Zijnen liefhebbers doen beërven wat bestendig is.
Hij zal als de volheerlijke God den glans Zijner deugden in Christus op het luisterrijkst ten toon spreiden en dezen glans op de vreemdelingen laten a f s t r a l en als zij Thuis komen. Bovenal in en na den jongsten dag. Zoo zullen zij in eeuwige glorie blinken en Hij zal bij hen wonen en onder hen wandelen. God als erfenis vernietigt alle schepsel-behagen. Daar mogen wij ons leven wel eens aantoetsen. Staat het waarlijk in het teeken: wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op de aarde, bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo zult Gij zijn de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid. In dit leven mogen zij smaken den verborgen omgang met den Heere. Het is als de eersteling van den oogst die komt. Indien dan de eerstelingen van dieil oogst zoo rijk zijn wat zal de oogst zelf wezen? Nu zien zij nog door een spiegel als in eene duistere rede maar alsdan alsdan, zullen zij zien aangezicht tot aangezicht. Nu kennen' zij ten deele maar alsdan zullen kennen, gelijk ook zij gekend zijn.
En die ons tot ditzelve bereid heeft is God, die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. Erven is deelen in des V a d e r s gunst, gemeenschap hebben met den volzaligen God. Daarop heeft nu Petrus het oog. De Heere laat wel Zijne zon opgaan over boozen en goeden, regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, doet aan alle schepselen wel, maar Zijne goedertierenheid is over Zijn volk. Abraham gaf aan de kinderen van Ketura geschenken en zond ze weg maar de erfenis was voor Izaak en ook Ismaël mocht met hem niet erven.
Z a l i g , dit kinderdeel te ontvangen, want zij zullen verzad i g d worden met Gods beeld. Dit is het blij vooruitzicht dat hen streelt. Hij mat hun erfdeel met ruime snoeren. Geen wonder, dat hun ziel wordt vervoerd als het geloof werkzaam en de hope levendig is. Om deze erfenis nu nader te typeeren voegt de apostel een drietal bepalingen toe. Hij noemt de erfenis: onverderfelijk, onbevlekkelijk en onverwelkelijk. Onmiddellijk springt in het oog het wezensverschil met alle zegeningen en erfenissen der aarde. Het allervoortreffelijkste dezer wereld is vergankelijk. Zelfs van het goud en den rijkdom schrijft de apostel Jacobus: hun rijkdom is verrot.
De erfenis van Gods Kerk gaat alle beschrijving te boven. Broeder Paulus was eenmaal opgetrokken tot in den derden hemel en heeft onuitsprekelijke dingen gehoord. Wanneer de Bruid de voortreffelijkheden van haren Bruidegom wil beschrijven moet zij eindigen met den uitroep: Al wat aan Hem is is gansch begeerlijk. Paulus gewaagt van de erfenis der vromen: wat geen oor heeft gehoord, wat geen oog heeft gezien en in geen menschenhart is opgeklommen heeft God bereid dengenen die Hem liefhebben.
Onverderfelijk is de erfenis. Alle geschapen wezens zijn verderfelijk; alls kan zich oplossen in de geschapen wereld alleen de onderhoudende daad Gods bestendigt het wezen der schepselen anders zonken zij terug in het niet. Door de zonde is bovendien eene verderfelijkheid ingetreden in het creatuurlijk leven die als bediening des doods wordt gekenmerkt. Het schepsel is der ijdelheid onderworpen. Hier beneden is niets bestendig dan de onbestendigheid. Maar, Hij, die de eeuwen acht als uren zal alle eeuwigheid verduren, doch wat uit stof is neemt een einde. Daarom hoopt Gods Kerk, naar de belofte des Heeren, als deel der erfenis de vrijmaking der schepping uit de boeien van den dood en de vergankelijkheid: Op hoop, dat ook het schepsel zelf, zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis tot de vrijheid der heerlijkheid van de kinderen Gods. Het gansche schepsel toch is in barensnood tot nu toe.
Ook de hemelen zullen met een gedruisch voorbijgaan en de aarde met hare werken zullen vergaan. Deze erfenis is onvergankelijk, onverderfelijk. Zij wordt door den tand des tijds niet aangetast, door de zonde niet verontreinigd. Ook wij menschen zijn verderfelijk. Erfenissen spreken daarvan. Want alleen door dat menschen sterven kan er sprake zijn van erven. Het eene geslacht gaat en het andere komt. In de plaats der vaderen zullen de zonen zijn. Onze erfenis is vergaan als wij onze oogen sluiten en wij laten ons goed — ons vergankelijk goed — onzen kinderen achter. Gelukkig wanneer wij hen ook mogen nalaten een onvergankelijken zegen des verbonds door verkeer aan den troon der genade. Wanneer wij gaan sterven bestaat de wereld niet meer voor ons; de dingen van den tijd hebben voor ons afgedaan ook al hebben zij hunne schaduw geworpen in de eeuwigheid. Want een iegelijk zal wegdragen hetgeen in het lichaam geschied is naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
De vreemdelingen hier beneden die gewoonlijk van het goed der aarde maar een bescheiden deel ontvangen, hebben eene zalige toekomst. Met een verheerlijkte ziel zullen zij opvaren en God zien en van eeuwigheid tot eeuwigheid met Hem gemeenschap hebben. En dan met den jongsten dag zullen de zielen hereenigd worden met het lichaam dat in oneer was gezaaid maar zal worden opgewekt in heerlijkheid; gezaaid in verderfelijkheid, opgewekt in onverderfelijkheid. De klemmende vraag is nu echter of onze namen geschreven staan in het boek des levens des Lams; in het Testament, de erflating van Gods liefde. Verheugen wij ons hierover, hebben wij door den Geest geleerd dat onze namen in dat Coek staan geschreven? Dan zullen wij weten hoe wij van den dood zijn overgegaan in het leven, besproeid met het bloed des Lams, aangenomen in de gunst Gods. Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus. Zegt ge: dat is nog al wat! Inderdaad dat is alles, maar met minder kan het toch ook niet om te kunnen roemen in de hope der heerlijkheid Gods: om als vreemdeling getroost onzen weg te vervolgen geleid door den Geest. Want zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden die zijn kinderen Gods.
Eene onverderfelijke erfenis. Het verderf kan haar niet aantasten. Reeds de vreeze Gods draagt de dauw eener eeuwige jeugd en deze vreemdelingen zullen in den grijzen ouderdom nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn om te verkondigen dat de Heere recht is.
Onbevlekkelijk noemt Petrus verder deze erfenis.
Hierbeneden kleeft aan alles vlekken, niets is geheel rein. De zonde knaagt aan den wortel van ons wezen, zij verbittert zoowel de verkrijging als het bezit van en het gebruik der aarde. De melaatschheid der zonde hecht zich aan de wanden onzer huizen, die getuigen zijn onzer zonden. De zonde kleeft aan het gebruikte voedsel en de eenzaamheid zoowel als het gezelschap levert bewijs onzer bevlektheid door de zonde. Hoe bevlekt zijn de genegenheden van ons verdorven hart. Maar als de vreemdelingen gaan sterven om te erven is er geen spoor van eenige smet of vlek. Daar is geen dood meer in huis. Geen rouwdrager gaat door de straat van Jeruzalem. Geen inwoner zal zeggen: ik ben ziek. De liefde verkilt niet; de genieting neemt niet af. Niets kan aan dit erfgoed zijn heiligen glans ontnemen noch het bezoedelen. Onbevlekkelijk is de erfenis evenals de erfgenamen.
En ten slotte zegt Petrus dat de erfenis onverwelkelijk is,

Onverwelkelijke erfenis.
Bloemen verwelken en verflensen; zelfs de schoonste bloem raakt weldra uitgebloeid. Door de bloemen af te snijden van hun wortel verwelken zij niet slechts maar gaan sterven ook al kunnen zij een tijd lang nabloeien. De dichter van psalm 103 zingt van dit verwelken der bloem als beeld van ons leven: De dagen des menschen zijn als gras, gelijk eene bloem des velds alzoo bloeit hij; als de wind daarover gegaan is zoo is zij niet meer en hare plaats kent haar niet meer. En dan verheft de dichter zich als met arendswieken omhoog. Hij zingt als de leeuwerik die van zijn kluitje, op de lage aarde, opstijgt en al hooger klimt tot in diep blauwe luchten het volgeltje nauwelijks meer is te zien. Doch de toon van zijn lied wordt bij het klimmen schooner en voller. Zoo gaat het den dichter. Luister maar naar zijn verheven, hartinnemenden lofzang: Maar de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid en tot in eeuwigheid over degenen die Hem vreezen. Hij is als de nachtegaal die zingt in het donker, in de stilte. De erfenis des Heeren is onverwelkelijk. Bij haar is geen uitgroeien of dood-bloeien. Geen herfst volgt op den zomer. Geen wolkje zal meer den glans der zon onderscheppen, een nevel het uitzicht belemmeren. De verloste schare zingt een nieuw lied dat nooit veroudert. Hunne vreugde, dankbaarheid en liefde nemen niet af gelijk de Heere nooit Zijn aangezicht zal verbergen. Hebt gij, mijn lezer, uw tijd reeds veel te lang verspild aan het vergankelijke? De eeuwigheid wenkt! En hoe groot zal het verschil zijn tusschen deze erfenis en het deel dergenen die geworpen zulen worden in den poel, die brandt van vuur en sulpher, hetwelk is de tweede dood.
De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen eene schoone refenis is mij geworden. De apostel gaat verder met te laten zien hoe deze erfenis noch door slecht beheer of ontrouw verdwijnt alvorens de erfgenamen haar in bezit kunnen nemen.

De bewaarde erfenis.
die in de hemelen bewaard is voor u...
Wedergeboren tot eene levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden tot een onverderfelijke, onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.
Zoo is dan de erfenis welbewaard. Zij wordt niet bewaard maar is bewaard. Daar waar God en Zijne heerlijkheid is, daar is de erfenis. Zij kan van den eeuwigen onveranderlijken God niet worden gescheiden. Het woord bewaren wil zeggen, zorgen dat iets niet wegraakt, niet verloren raakt. Weggelegd, bewaard reeds van voor de grondlegging der wereld in het onveranderlijk raadsbesluit Gods. Want van eeuwigheid nam Hij voor zich weg te schenken aan het volk Zijner keuze. Hij heeft de erfenis weggelegd in de ruime schatkamer van Christus. Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou. De bewaarde erfenis. Het is echter niet zóó, dat zij er nooit iets van te zien of te genieten krijgen. O neen, zij genieten hier reeds de beginselen der zaligheid. Het komt wel voor, dat kinderen ontstemd zijn over hun ouders als zij naar hun gevoelen niet genoeg overleggen. Maar hier is de intrest van het kapitaal zoo groot, dat het zelf nooit afneemt.
Geen der erfgenamen behoeft te denken of te zeggen: Heere, geef mij nu maar niet te veel dan heb ik straks des te meer. Neen, Hij die de schatkamer der algenoegzaamheid Gods is heeft gezegd: Ik ben gekomen opdat zij het leven en overvloed hebben. Het beginsel der eeuwige vreugde kan de aderen des harten doen zwellen, zoodat zij tot barstens toe vervuld zijn met de goedertierenheid des Heeren, terwijl de vrede Gods hun hart en zinnen bewaart in Christus Jezus. Rijke erfenis.
Daarom doet de Heere Christus het waarschuwende en opwekkende woord hooren: vergadert u schatten in den hemel, waar de mot niet verteert noch de roest verderft, waar de dieven niet doorgraven noch stelen. En... waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. Alle aardsche dingen vergaan.
Maar deze erfenis blijft.
Onze tijd leert telkens op ontstellende wijze hoe wanbeheer, advocaten-list, groote fortuinen kan vernietigen om niet te spreken van brand en storm en... oorlog. Doch deze erfenis is volkomen veilig bewaard in den hemel. Ja, in en met den Heere. Die in den hemel woont zal lachen! De poorten der hel zullen Zijne gemeente niet overweldigen. Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Maar hoe groot dan ook de erfenis mag wezen, hoe rijk zij maken moge, wat kan het mij baten indien ik geen deel daaraan heb. De apostel troost de verstrooide vreemdelingen door toe te voegen: bewaard voor u. Immers zij zijn wedergeboren tot een levende hope. Dit is bewijs hunner verkiezing. Zoo is de Schrift altijd recht practisch en laat ons niet toe in te dringen in den verborgen raad Gods maar stelt ons voor den eisch des geloofs en der bekeering, gelijk zij ons teekent hoe de Heere God den raad Zijner aanbiddelijke verkiezing uitwerkt in de harten. De lezers van onzen brief hadden hun nood en moedelooze vlagen. Kom, zegt Petrus: moed houden, het hoofd omhoog! Hoop op God, zoo roept de dichter zichzelf toe in het geloof: hoop op God, want Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God. Hij zal niet begeven noch verlaten. Ik heb u deze dingen gezegd opdat uwe blijdschap vervuld worde.
Bewaard in de hemelen. De zwerver wordt niet moede te luisteren naar het getuigenis van zijn Vaderland. Dan leeft hij op, want... hij zal toch zeker zijn voet eenmaal zetten over de grenzen van den tijd in de eeuwigheid. Dan is Hij Thuis, dan is hij in het Vaderland.
In de hemelen. Dit wijst op heerlijkheid en veiligheid. Daar komt geen verstoorder of verderver binnen. Daar staat de saffieren troon en is de regenboog rondom den troon van smaragd. Daar is de glazen zee en de schare verlosten die Gods aangezicht zien. Daar staat het Lam in het midden van den troon. En de boom des levens geeft zijne vrucht van maand tot maand. Geen schaduw valt er, geen hitte verzengt den hof van het paradijs waar de rivier des leven stroomt

Daarom, o, pelgrims op de aarde,
Weest maar geduldig, sterk uw moed.
De parel die is hoog van waarde
Waar gij den pelgrimstocht om doet.
Schept moed, en troost u onderwegen,
Al schijnt gij nog zoo wijd van Huis,
Het is niet eens zoo vergelegen
Aan 't einde volgt de rust na 't kruis.
Dan valt ge in een vollen zegen
Uit al dit wereldsche gedruisch
Door 't bloed van Jezus u verkregen
Uwen Vader in Zijn armen Thuis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 mei 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

Opstandingsleven III

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 mei 1939

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken