Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Groote Verzoendag IV

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Groote Verzoendag IV

22 minuten leestijd

Leviticus 16 cn 23 vers 26—32. Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen om u te reinigen: van alle uwe zonden zult gij voor het aangezicht des Heeren gereinigd worden (16:30). En dit zal tot eene eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israëls van alle hunne zonden eenmaal des jaars verzoening te doen (16:34).

De twee bokken.
Over de slachting van den eenen bok en de besprenging met zijn bloed, hebben wij reeds gehandeld. Doch nu komt iets anders. Dit is het moeilijkste gedeelte voor de verklaring v a n de gebeurtenissen op grooten V e r z o e n d a g . Eerst laten wij volgen de verschillende verzen, die over deze bokken handelen, (vs. 5, 7—10, 20—22 en 26.)
E n van de v e r g a d e r i n g der kinderen Israëls zal hij nemen twee geitenhokken ten zondoffer, (vs. 5.)
Hij zal ook de beide bokken nemen en hij zal die stellen voor het aangezicht des Heeren aan de deur van de Tent der samenkomst.
E n A a r o n zal de loten over die twee bokken werpen: één lot voor den Heere en één lot voor den w e g g a a n d e n bok.
D a n zal Aaron, op welken het lot voor den Heere zal gekomen zijn, toebrengen en zal hem ten zondoffer maken.
M a a r de bok, op welken het lot zal gekomen zijn om een w e g g a a n d e bok te zijn, zal levend voor het aangezicht des H e e r e n gesteld worden, om door hem verzoening te doen; o p d a t men hem als een w e g g a a n d e bok naar de woestijn uitlate. (vs. 7—10.)
E n als hij nu geëindigd zal hebben van het heilige en de T e n t der samenkomst en het altaar te verzoenen, zoo zal hij dien levenden bok toebrengen:
E n A a r o n zal beide zijne handen op het hoofd des levenden boks leggen en zal daarop alle de ongerechtigheden der kinderen I s r a ë l s en alle hunne overtredingen, naar alle hunne zonden, belijden en hij zal die op het hoofd des boks leggen en zal hem door de hand eens mans die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.
Alzoo zal die bok alle hunne ongerechtigheden in een afgez o n d e r d land w e g d r a g e n ; en hij zal dien bok in de woestijn uitlaten, (vs. 20—22.).
E n die den bok, welke een w e g g a a n d e bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijne kleederen w a s s c h e n en zijn vleesch met water baden, en d a a r n a zal hij in het leger komen. (vs. 26.)
Z i e h i e r hetgeen Leviticus 16 in verschillende verzen van die twee bokken zegt.
Hoewel de verschillende handelingen met die twee bokken niet achter elkaar vallen in tijdsorde, behandelen wij, om het den lezer gemakkelijk te maken, alle g e g e v e n s over deze b e i d e bokken hier bij elkander.
W a t wij reeds bepraken, herinneren wij slechts met een enkel woord. Laten wij nu trachten de beteekenis te vers t a a n van die twee bokken w a a r v a n hier gehandeld wordt. Z i j doen dienst, zooals reeds is opgemerkt, als zondoffer. W e l k e verschil in beteekenis tusschen deze twee geitenhokken ook moge bestaan, zij hebben betrekking op het eene zondo f f e r , en zien als z o o d a n i g op Christus. Met de zonden des v o l k s w a r e n zij beiden beladen. E e r s t ging A a r o n in met het bloed v a n den v a r om voor zichzelf en zijn huis verzoening te doen, d a a r n a met het bloed v a n den éénen bok om verzoening te doen voor het volk.
N o g herinneren wij eraan, dat de Hoogepriester alvorens met het bloed in te g a a n in het Heiligdom om het aldaar te s p r e n g e n op de v o o r g e s c h r e v e n wijze, het gouden wierookvat had gezet tusschen het voorhangsel, zoodat heilige en heilige der heiligen werden doortrokken van den geur van dit r e u k o f f e r.
De beide bokken w a r e n voor het volk gebracht. O o k werd er maar één b r a n d o f f e r gebracht bij dit zondoffer, dat daarmee altijd was verbonden. (Herinnert gij u dit nog, lezer?)
Er was dus wel nauwen samenhang tusschen deze twee bokken ten zondoffer, al waren de handelingen die men ermee verrichtte verschillend; althans na de handoplegging en schuldbelijdenis waardoor zij tot zondendrager werden gemaakt.
Gij weet wat achtereenvolgens geschiedde. De Hoogepriester stelde de beide bokken voor het aangezicht des Heeren, om ze hem te wijden. Zij zijn gekeurd en ten zondoffer bestemd. D a n gaat hij naar de deur van de T e n t der samenkomst, de plaats des gerichts van den God des verbonds. W a n t de Heere kan van zijn recht geen a f s t a n d doen en geen genade bewijzen tenzij verzoening wordt aangebracht. C h r i s t u s is volstrekt noodzakelijk. Meen niet, dat gij G o d kunt naderen buiten het offer zonder verteerd te worden. Daar bij die deur oordeelde de Heere de zonden zijns volks als s t r a f w a a r d i g , maar voorzag ook in het middel om ze weg te nemen. Daarom kon Jezus zeggen: Ik ben de weg. Hij is de Middelaar Gods en der menschen.
Nu werd het lot geworpen over beide bokken, wat ermee gebeuren moest. Op het ééne lot stond: voor den Heere, op het andere: voor Azazel. (Zie het afzonderlijke artikel hierover.)

De zonde verzoend.

De eene bok nu, op wien het lot was gevallen: voor den Heere, werd geslacht en het bloed gesprengd op de voorgeschreven wijze, zooals wij reeds hebben gezien. Zoo werd Christus voorgebeeld als schuldovernemende en zondedragende Borg. Laten wij enkele gedachten uit de lijdensgeschiedenis in herinnering brengen. De hoogepriester Cajaphas nam het door God bepaalde zondoffer aan, toen hij met den Joodschen raad vergaderde in den nacht des verraads. Dien ik kussen zal, zoo zeide de verrader Judas, deze is het, grijpt hem. Zoo stond de Heere Jezus voor de opperste vergadering van Israël, niet als schuldeloos lam, maar als met schuld beladen Borg, zondenbok bij uitnemendheid. Want op hem werd gelegd door den eeuwigen Vader als Rechter, niet alleen de zonde van Israël, maar ook der heidenen. Hij is eene verzoening voor de zonden der geheele wereld, uit Jood en heiden saamvergaderd tot de gemeente des levenden Gods. Hij werd gebonden, bespuwd, in het aangezicht geslagen en door Pilatus gegeeseld en in het midden van booswichten weggeleid om gekruist te worden. De hoogepriester had den vloek over hem uitgesproken en de gansche vergadering verklaarde hem des doods schuldig. Dit was een afgrijselijke en gruwelijke vertooning van de menschen, maar toch naar den bepaalden raad en voorkennis Gods. (Hand. 2 : 23.)
Achter die daad van den hoogepriester lag de daad Gods als rechtvaardige Rechter.
Daarna zal hij den bok des zondoffers, die voor het volk zal zijn, slachten.
Geslacht voor de oogen van gansch Israël, dat getuige moest zijn van het slachten van hun zondoffer. Zij moesten de bloedstorting zien als voor hen geschied, want zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.
De verbonds-God wil het volk met zich verzoenen door dit zondoffer, ziende op zijnen Christus, het Lam geslacht van voor de grondlegging der wereld, geboren in den tijd in Bethlehem en toen zijne ure daar was gekomen, gehangen aan het kruis.
Zooals het volk hier voor den Heere staat is het geheel en al zonde en als zoodanig moet het naar de wet worden gedood. Maar Hij is tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in hem.
De ziel, het bloed, het leven, moet uitgegoten voor de deur der tent waar Gods rechterstoel is; de Hoogepriester moet het bloed opvangen, en daarmede gaan naar het verzoendeksel, waar Gods genadetroon is, die van recht en gerechtigheid zijn vasten steun ontleent en vanwaar genade en waarheid voor zijn aanschijn heengaan.
Zoo moet het volk aan Gods wet voldoen en in dit zondoffer betalen voor zijne zonden. Alles moet worden verstaan naar den eisch van het verbond der genade naar hetwelk God zijn volk toerekent wat de Borg ondergaat als ware het hun in eigen persoon geschied. Zoo is Jezus plaatsbekleedende Borg.
En hij zal met zijn bloed doen gelijk hij met het bloed van den var gedaan heeft en zal sprengen op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel.
Zooals hij dus met het bloed van den var had gedaan, handelt hij nu met het bloed van den geslachten bok ten zondoffer. Naar de zevenvoudige werking des Geestes, volkomen, moet hij zevenmaal sprengen.
Dit bloed is het levenselement van de Kerk des Heeren. Het verzekert de verzoening aan de priesters des Heeren als het huis van den waren Aaron. Het legt voor de gemeente vast, de vergeving der zonden, het ware Israël wordt er door behouden.
et bloed verzekert aan alle hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid, dat in dezen Borg behoudenis is van alleswaarvan zij door de wet van Mozes niet konden gerechtvaardigd worden.
Dit bloed verkondigt de verzoening aan allen, die onder het Evangelie leven en het teeken des verbonds aan hunne voorhoofden dragen en tot wie het woord der verzoening wordt gebracht.
Dit bloed waarborgt de zegepraal van het Koninkrijk Gods en zijn Gezalfde over satan en al zijn instrumenten. (Coll. 2 : 1 5 , Hebr. 2 : 14.) Dit is het bloed, dat de overwinning belooft aan allen, die met dat bloed en het Woord tegen den duivel en zijn gansche rijk strijden, (p. 12 : 1.)
Hier is het bloed, dat de zaligheid waarborgt aan allen, die daarmede zijn besprengd. Zoo zal hij voor het heilige vanwege de onreinheden van de kinderen Israëls en vanwege hunne overtredingen over al hunne zonden verzoening doen.
De hoogste Rechter kan alleen op grond van dat bloed der verzoening gevolg geven aan zijn eeuwig voornemen van genade en barmhartigheid. Hij kan op grond van dat bloed de zijnen verlossen, zaligmaken, en in weerwil van alle aanklachten van satan zijne gemeente vrijspreken, rechtvaardigen en heiligen en opheffen tot heerlijkheid.
Hij kan dat doen en zal dat doen, want het bloed; dat op de gewetens der geloovigen is gesprengd is ook zevenmaal gesprengd voor den troon van Jehova.
Geen geschapen verstand kon ooit een middel vinden om ook maar een eenig zondaar met God te verzoenen en een weg te bereiden tot Gods troon. Voor eeuwig waren wij afgesneden van de oorden des levens en onderworpen aan vloek en doem. Maar Christus heeft door het bloed van zijn eenige offerande de zonde verzoend, de schuld betaald, het handschrift uitgewischt, genageld aan het kruis, Gods toorn gebluscht, de wet volbracht, de vijanden beschaamd, de machten ten toon gesteld, den dood overwonnen, de hel verwonnen, des duivels kop vermorzeld. Dat bloed maakt het middelpunt uit van den ganschen evangelischen dienst. Zijne sprake wordt vernomen op aarde in het lied der geredde zondaren; is opgelost in den zang der zaligen voor den troon. Gij hebt ons Gode gekocht met uw bloed, uit alle geslacht en taal en tong en volk en natie en hebt ons Gode gemaakt tot koningen en priesters in alle eeuwigheid.
Neem dat bloed weg en wij zinken terug in onzen dood, besloten onder het oordeel; de hemel wordt ontvolkt, want alleen door het bloed kwamen zij binnen en kunnen zij daar blijven om het lied des Lams te zingen en Vader en Geest mede te verheerlijken. Neem dat bloed weg en geen zondaar vindt een veilige wijk, geen verloren zoon of dochter een geopend vaderhuis en hart bij zijn wederkeer, geen stervende troost in het aangezicht van den dood. Alles komt op dit bloed aan. Het gansche Woord vertoont de lijn des bloeds van Genesis tot Openbaringen. Patriarchen en profeten schaarden zich onder deze bloedvaan. De vromen van den ouden dag legden zich hierop vertrouwend neer en zijn in het geloof gestorven, hoewel de belofte niet verkregen hebbende. De apostelen roemden in het kruis van Christus en plantten dit roode vaandel onder de volkeren der aarde.
Wat vermag dit bloed al niet? Hetgeen bergen van goede werken, rookzuilen van gebeden, stroomen van tranen nooit of te nimmer vermogen, vermag dit bloed. Kent gij het?
Wat dunkt u van den Christus en diens bloed? Dit is het aloude Evangelie van vrije genade, den Jood een ergernis en den Griek een dwaasheid. U dan die gelooft, is Hij dierbaar, Ja, alles wat aan hem is, is gansch begeerlijk.
Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden. Het helpt niet reinigen met iets anders verbonden, neen gansch alleen en volkomen reinigt het.
Geheel zijt gij schoon, mijne duive, mijne volmaakte, en daar is geen gebrek in u. Ik ken een mensch... in Adam was hij verdoemelijk. Ik ken een mensch... in Christus rechtvaardig voor God.
De Hoogepriester keert terug tot het volk, want het zondoffer is aangenomen in den voorhof niet alleen maar in het heilige der heiligen.
Ik schaam mij des Evangelies van Christus niet, want het is eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft.

De zonde weggedaan; satan overwonnen.

Gaan wij thans na wat toch die andere bok beduidt in het geheel van den ritus op grooten Verzoendag. Hij behoorde tot het ééne zondoffer, maar andere handelingen worden er mee verricht, omdat het werk van Christus van eene andere zijde moest worden belicht, opdat het volk de volle rijke Christus zou worden geopenbaard in de schaduw. In Christus is alles één volkomen werk. Maar Hij is zóó rijk en zijn werk zóó veelzijdig en volkomen, dat de gansche schaduwendienst hem nog slechts in schemerlicht kon voorstellen.
Trouwens, wie zal den ganschen rijkdom overzien die in Christus is ook bij het licht van den uitgestorten Geest in den nieuwen dag? Een eeuwigheid is noodig om... zich eeuwig te verwonderen over hetgeen God heeft gewrocht in zijnen Zoon, om er stooreloos van te zingen en met alle de heiligen te verstaan welke de lengte en breedte en hoogte en diepte zij van de liefde Gods in Christus, die de kennis te boven gaat.
Die ééne bok dan, zoo staat er, was door het lot aangewezen voor Azazel. Wellicht wordt hiermede gedoeld op den duivel, die wordt overwonnen. Doch daarmee is de zaak volstrekt niet uitgeput, want óók het wegzenden, het niet meer gevonden worden der zonde is ongetwijfeld mede bedoeld in hetgeen met dezen levenden bok geschiedde.
Als Aaron nu zal geëindigd hebben van het heilige en de Tent der Samenkomst en het altaar te verzoenen, zoo zal hij dien levenden bok toebrengen.
En Aaron zal beide zijne handen op het hoofd van den levenden bok leggen en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israëls en al hunne overtredingen, naar al hunne zonden belijden; en hij zal die op het hoofd des boks leggen en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitleiden. Alzoo zal die bok op zich al hunne ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen, en hij zal dien bok in de woestijn uitlaten, (vs. 20—22.)

De verschillende handelingen zijn sprekend, die moeten worden verricht met den bok.
Eerst wordt hij toegebracht, dat wil zeggen: afgezonderd voor het doe! om den Heere te zijn tot een zondoffer. Dan volgt de handoplegging door Aaron als vertegenwoordiger van het volk des verbonds. In Aaron leggen zij de handen op dien bok, zoodat wat geschiedt hun ten behoeve gebeurt. Dan volgt de schuldbelijdenis bij monde van Aaron, want zonder belijdenis geen vergeving. Ik bekende mijne zonden en Gij vergaaft mijne ongerechtigheid. En belijden van zonde kan er niet in waarheid zijn zonder onze zonde en ongerechtigheid, die overtreding is voor God, te kennen in onze ziel.
Het is niet alleen dit kwaad dat roept om straf, maar ik ben in zonde geboren en in ongerechtigheid heeft mij mijne moeder ontvangen.
Zoo kent Israël zich als vloekwaardig in zichzelven.
Maar alles wordt gelegd op het hoofd van dien levenden bok, ten zondoffer gewijd. Nu wordt de zonde dus zinnebeeldig overgedragen. Niet slechts voorwerpelijk, maar door handoplegging en schuldbelijdenis ook onderwerpelijk, zoodat in het geloof wordt verstaan, dat die bok zondendrager is voor het volk.
De groote Verzoendag laat ons niet alleen zien het werk dat God voor den mensch doet zonder hem, maar óók het werk Gods zooals Hij het verricht in den mensch. De toepassing des heils wordt ons hier gepredikt in die handoplegging en schuldbelijdenis, in het meemaken van de handelingen met het zondoffer.
Doch nu komt iets, wat in den ganschen dienst der schaduwen gansch eenig is.
Het slachten van het offer buiten de legerplaats kwam meer voor. W i j zagen het bij de roode vaars, maar hier blijft de bok levend. Want wat moet gebeuren?
Een gereed staand man neemt nu den bok van den Hoogepriester over en leidt hem weg uit de vergadering Israëls naar de woestijn. Ver weg in een onherbergzaam oord.
n . . . men hoort nooit meer van het dier...! Zóó zijn de ongerechtigheden weggedragen in een afgezonderd land. lezen wij immers.
Dit punt mogen wij niet laten ontglippen aan onze aandacht, want hier ligt in ieder geval het hoofdpunt van hetgeen de Heere wil leeren in het wegvoeren van dien bok. T e vaak heeft men dit voorbijgezien en deed alsof het Woord geen richting aangaf voor de verklaring. Het verdwenen zijn der zonde is hoofdzaak.
De overlevering (zie het afzonderlijke artikel) weet nog meer te vertellen van de bijzonderheden. Zij spreekt van een scharlaken snoer, dat tusschen de hoornen werd gebonden. In de woestijn zou het wit worden. En ook weet de overlevering te vertellen dat 40 jaar vóór de verwoesting van Jeruzalem, dus ten tijde van Jezus openbaar optreden, de draad niet meer wit werd en de avondlamp in den Tempel niet wilde branden. Ook zou een tempelpoort vanzelf zijn open gegaan.
W i j kunnen dit alles laten voor hetgeen het is en ons bepalen tot hetgeen Gods Woord hier zegt. Dan hebben wij leering genoeg zonder opsiering van menschen.
Mogelijk dus, dat Azazel inderdaad een eigennaam is en wij moeten denken niet alleen aan het weggeleid worden van den bok, het wegdragen der zonden in een afgezonderd land, het verdwijnen uit het gezicht, zoodat zij niet meer zijn te vinden, doch ook dat ons tegelijk wordt gepredikt de nederlaag van satan.
Zeker is, dat ons een blik in de verzoening wordt getoond. Beide bokken zien op Christus. De geslachte toont ons de verzoening, de weggeleide het verbannen zijn uit Gods gezicht. De weggaande bok toont ons de verguizing, maar dan zóó, dat in dien weg de zonden worden weggedaan. De bok is niet meer te vinden.
W i e zal de verzoende zonde, den weggenomen vloek, vinden?
Zoover het W e s t verwijderd is van 't Oosten, zoover heeft Hij om onze ziel te troosten, van ons de schuld en zonde weggedaan.
Deze verklaring voldoet aan alle eischen, die de text stelt en past volkomen in het kader van het geheele gebeuren op grooten Verzoendag.
De Schrift spreekt van het geworpen worden der zonden achter Gods rug.
Zoo is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn.
Kent gij het zuchten onder den last uwer zonden? Mijne ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden.
Maar nu hebben wij met een God te doen, die de zonden werpt in de diepten der zee.
Nathan zeide tot David: de Heere heeft uwe zonden weggenomen, gij zult niet sterven. En als de Heere ze wegneemt, wie zal ze dan vinden? De bok is weggezonden, wij kunnen hem nergens meer vinden. Hij is verdwenen in een onbewoond land.
Satan, de verklager der broederen moet verstommen. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?
Van nature is de zonde overal en altijd te vinden, maar geborgen in het offer nergens. In eeuwige vergetenis gesteld is zij. W a a r zijn mijne zonden? En ik zie naar den geslachten bok: verzoend. Maar ook staart mijn oog in de verte naar de andere zijde en ik zeg bewonderend: weggedaan', ze zijn nergens meer te vinden.
Ze zijn uitgedelgd, begraven, vergeten.
Het gaat er dus niet om, wat verder met dien bok gebeurde of daarvan terecht kwam. De Joodsche overlevering wil, dat hij van de steilte werd afgeworpen en zoo verpletterd. Neen, daarvan zegt de Schrift niets. Het zwijgen moet ons juist leeren, dat het gaat om het verdwenen zijn der zonden.
Ik, Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg als een nevel en Ik gedenk uwer zonden niet.

De Hoogepriester verwisselt zijn kleederen
Daarna zal Aaron komen in de Tent der Samenkomst en zal de linnen kleederen uitdoen, die hij aangedaan had als hij in het heilige ging en hij zal ze daar laten.
En hij zal zijn vleesch in de heilige plaats met water baden, en zijne kleederen aandoen... (vs. 23 en 24a.)

Wanneer dus de bok is weggeleid zal Aaron en na hem de opvolgende hoogepriester, zijn kleederen uittrekken, te weten de heilige kleederen, die hij moest dragen juist bij het werk op dezen dag. In het heilige werden deze linnen kleederen bewaard om eens in het jaar op grooten Verzoendag dienst te doen. Dan moet Aaron en zijn opvolgers hun lichamen baden met water in de heilige plaats, dus blijkbaar met water uit het koperen waschvat dat in den voorhof stond.
Zoo komen wij terug op o f f e r en priester als twee onderscheiden zaken. De gevallen mensch heeft een offer maar ook een priester noodig, want hij kan zelf niet tot God naderen, noch een offer bezorgen. Wij weten, dat in den Heere Christus offer en priester één is, het altaar en hij die het bedient, zijn één!
Aan elk werk, dat Hij verricht deelt Hij de waardigheid van zijn persoon mee.
Als offer is Hij waarlijk een schulduitdelgend verzoenend offer en als priester vervult Hij alle deelen van den dienst.
Zoodra nu de Hoogepriester den bok had laten wegleiden door een man, die voorhanden was, ging hij in het heilige — onttrokken aan het oog des volks -— om zijn dienstkleed uit te trekken, dat rein-wit, zeker wel met bloed bespat zal zijn geweest.
Hij trekt het kleed der dienstbaarheid uit, waarin Hij het werk der verzoening had volbracht.
De Hoogepriester moet zich baden, als ondergaan in den dood en dan opkomen in reinheid om zijn ambtsgewaad, zijn groot ornaat aan te trekken. Zie hem daar staan in zijn hemelsch blauwen mantel, met gouden granaatappels en gouden schelletjes aan den zoom om en om. Hij draagt weer den met goud doorweven lijfrok en fijn geborduurden gordel. De ephod hangt weer op zijn borst en de edele steenen, waarin de namen van de stammen Israëls prijken op zijn schouders en borst. Een koninklijke hoed staat op zijn hoofd met de gouden plaat: heiligheid den Heere. Den hoed der vrijheid, der gerechtigheid en der heerlijkheid. Welk een verschil tusschen den staat der vernedering waarin hij het werk der verzoening voltrok en der eere waarin hij nu weer voor ons treedt. Hij vertoont zich aan het volk, dat nog steeds in den voorhof staat geschaard, hun plaatsbekleeder het verlangen verbeidend.
Zij zien hem na korte afwezigheid, maar in andere gedaante, in zijn groot ornaat. Hij is nog dezelfde persoon als tevoren, maar zijn voorkomen is toch anders dan toen hij verzoening deed en inging met het bloed achter het voorhangsel, terwijl het volk niet zonder huivering alles gade sloeg wat hij deed.
Hij verschijnt nu als overwinnaar van vloek en dood, van satan en verderf.
In Christus is dat alles volle werkelijkheid en geen schaduwbeeld. Hij heeft het kleed der dienstbaarheid wel niet afgelegd, want Hij bleef onze natuur behouden, nam de gestaltenis van een dienstknecht aan, doch wel trad Hij verheerlijkt uit met Paschen als verwinnaar van dood en graf. Hij is verheerlijkt met de heerlijkheid die Hij bij den Vader had eer de wereld was, toen Hij ten hemel voer en plaats nam aan de rechterhand Gods, waar Hij nu op dit oogenblik nog is, terwijl Hij altijd leeft om voor de zijnen te bidden. Jezus heeft zijn vernederd lichaam, zijn werkkleed, afgelegd in het graf en — dit kon bij den aardschen Hoogepriester niet — en het graf werd als de vestibule des hemelsch om het ten derden dage weer met zijn ziel te hereenigen onverderfelijk en onsterfelijk, overgoten met den glans des onvergankelijken levens, de vrede liggend op zijn gelaat, dat was verwond en bebloed geweest.
Vrede zij ulieden!
Mijn vrede geef Ik u, mijn vrede laat Ik u, niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem ulieden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 17 augustus 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De Groote Verzoendag IV

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 17 augustus 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken