Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Groote Verzoendag V (Slot)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Groote Verzoendag V (Slot)

17 minuten leestijd

Leviticus 16 en 23 vers 26—32. Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen om u te reinigen: van alle uwe zonden zult gij voor het aangezicht des Heeren gereinigd worden (16:30). En dit zal tot eene eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israëls van alle hunne zonden eenmaal des jaars verzoening te doen (16:34).

Het bijbehoorende offer.

Zooals wij weten, behoorde bij een zondoffer een btanoffer. of wel vuuroffer geheeten omdat het geheel werd verbrand op het altaar in den voorhof van den tabernakel.
Dan zal hij uitgaan en zijn brandoffer en het brandoffer des volks bereiden en voor zich en het volk verzoening doen. (vers 24.)
Na dus van kleeding te hebben verwisseld zet hij zijn werk voort in het brengen van het brandoffer. Hij deed de twee rammen slachten, die gereed stonden, voor zich en zijn huis één en één voor het volk.
Hij handelde hierin naar de wet des brandoffers, met het bloed ter besprenging, terwijl al het andere van de beide dieren na de vereischte wasschingen werd verbrand. (Vroeger schreven wij over het brandoffer uitvoerig, daarnaar mag ik de lezers wel verwijzen.) Het brandoffer beduidde, dat Christus de Heere in zijn verdiensten een liefelijke reuk is; zijn volbrachte werk is den Vader aangenaam en allen, die in hem tot God gaan zijn Gode welbehagelijk in hem. Ook werd de gedachte uitgedrukt in het brandoffer, dat het volk den Heere gewijd werd. Wel wordt gesproken van verzoening ook bij het brandoffer. Maar tot die verzoening in het geheel van Christus' arbeid behoort óók, dat Hij den Vader aangenaam is. Het volk wordt nu den Heere tot dienst gewijd, gaat op in de vlam der liefde. Zalig als die liefdegloed in onze harten is ontvlamd door den Geest des Heeren.
De heiligende genade volgt toch op de verzoenende genade en vormt met haar één geheel. Het één behoort bij het ander. De verzoening werd bezegeld en bekrachtigd tot dienst des Heeren. Want de verzoening is de doorgang tot het Gode welbehagelijk dienen. Hierboven dienen zij eeuwig in lof en aanbidding.

De verbranding van het zondoffer.
Ook zal hij het vet des zondoffers op het altaar aansteken. (vers 25.)
Het is den lezer misschien wel ontgaan door de veelheid van handelingen op grooten Verzoendag, dat wij alleen nog maar gehoord hebben wat gebeurde met het bloed van den geslachten var en bok ten zondoffer. Wat geschiedde met het vet en het vleesch, het heele dier? Zooals dit steeds bij het zondoffer het geval was moeten wij onderscheiden tusschen het vet en het vleesch. Het vet werd op het brandaltaar verbrand, in dit geval tegelijk met het brandoffer of onmiddellijk daarna. Dus het vet van den var en den bok, die als zondoffer waren gevallen, werd verbrand op het altaar naar de wet des zondoffers. (Zie hiervoor hetgeen wij vroeger schreven over het zondoffer.)
In de verbranding van het vet, evenals in het brandoffer wordt beduidt de algeheele toewijding des volks aan den Heere en zijn zaligen dienst. Het hemelsch vuur door den hoogepriester ontstoken deed het in vlammen opgaan en zoo was het Gode tot een liefelijken reuk.
Alleen in Christus kunnen wij Gode behagen ook in ons dienen. Wiens ik ben, moet voorafgaan: dien ik dien, volgen.
Zoo kan dan door tusschenkomst van den Middelaar de dienst worden onderhouden tusschen hemel en aarde. Al het hunne wordt door hem verzoend en het gebrekkige weggenomen.
Ik heilig mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.
Dewijl wij dan een grooten Hoogepriester hebben over het huis Gods, zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten en het lichaam gewasschen zijnde met rein water. (Hebr. 10:21, 22.)
Door het geloof in ziin bloed hebben wij vrede met God; de toeleiding tot den genadetroon om te staan en te roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.
Zeker, dit zijn groote dingen, maar dit alle^ligt toch ook verankerd in Christus.
Gods volk is een rijk volk, in zichzelf arm en ellendig. Maar de rijkdom der genade overtreft al hun armoede. Rijk in God.

De verbranding buiten het leger.
Ten slotte werd voldaan aan het voorschrift der wet, aangaande het zondoffer:
Den var des zondoffers en den bok des zondoffers, welker bloed ingebracht is om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; doch hunne vellen, hun vleesch en hun mest zullen zij met vuur verbranden. (vers 27.)
De bepaling gold alléén zondoffers, welker bloed in het heiligdom werd gebracht. (Lev. 6 : 30 Deze gedoode dieren werden dus van de huid ontdaan en de ingewanden werden uitgenomen, maar verder bleef alles geheel en werd tegelijk buiten het leger verbrand. De toepassing hiervan geeft de Schrift zelve in den brief aan de Hebreen: Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den Hoogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door zijn eigen bloed het volk zou heiligen buiten de poort geleden. (Hebr. 1 3 : 1 1 — 14.)
Zoo wordt ons gewezen op de smaadheid en de schande van het lijden buiten het leger Israëls en toch was het Gode aangenaam. Daarom trekt de apostel deze les eruit: Zoo laat ons dan uitgaan buiten de legerplaats zijne smaadheid dragende.
Indien wij met hem zijn gekruist en begraven, opgestaan tot een nieuw leven, toont de plaats waar Hij werd gekruist ook onze uitwerping van en sterven aan de wereld en de zonde. Zijn dood en opstanding heeft ons eene stad bereid niet op aarde, maar in den hemel. Om Christus' wille moet de wereld worden verzaakt, onze natuur gedood en in een nieuw godzalig leven gewandeld.
Paulus schreef, en zijn levenspractijk toonde er de waarheid van, ik heb alle dingen schade en drek geacht om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijnen Heere; door welken ik der wereld en de wereld mij gekruisigd is.
Indien wij verkeeren onder de bloedroode kruisbanier, zal ons smaad en hoon niet worden bespaard door de wereld, de vrome wereld niet het minst. Jezus is nu met eer en heerlijkheid gekroond, Hij als het Hoofd, maar zijn lichaam blijft onderworpen aan lijden en smaad. Zij zijn een uitvaagsel en afschrapsel. Zijn Woord, zijn volk, wordt nog dagelijks onteerd, niet slechts door beschaafde heidenen en werkheilige Joden, maar zelfs door hen, die in zijn naam zijn gedoopt en naar hem zich noemen.
Ook onder den roep van een ruim Evangelie wordt dit vervalscht en verminkt.
Maar anderen zijn oorzaak, dat Christus om hunnentwil wordt gesmaad door een leven naar de mode der wereld of het niet staan naar heiligmaking des levens, zonder welke toch niemand den Heere zal zien. W i e een vriend der wereld wil zijn, wordt een vijand Gods gesteld. W i e den mensch zoekt te behagen kan geen vriend Gods worden geheeten.
Willen wij door een verworpen Christus worden behouden, zoo kan het niet anders wanneer wij wandelen naar Zijn Woord, of wij zullen in de oogen der wereld een veracht en verworpen volk zijn. Heeft onze Immanuël geleden buiten de poort, zoo kunnen wij niet verwachten, binnen de poort te worden geëerd en gevierd.
Maar naarmate onze smaad dieper samenhangt met de eere van Christus zal het loon groot zijn in de hemelen, binnen onze poort die eenmaal niet meer zal gesloten worden. Ja, de weg tot het hemelsche Heiligdom ligt open. Zoo was het nog niet onder de oude bedeeling. De hoogepriester Jezus liet het voorhangsel gescheurd en verwaardigt de geloovigen met ongedekt aangezicht zijne heerlijkheid te aanschouwen en van gedaante veranderd te worden van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des Heeren Geest. Zoo is er dan weer een weg tot het ware hemelsche Heiligdom. De weg des bloeds.
Zalig dezen toegang met vertrouwen te kennen.

Verschillende reinigingen.
In de verzen 26 en 28 wordt ons nog gesproken van cultische wasschingen, waarvan wij genoegzaam hebben gehandeld bij de roode vaars. Een enkel woord slechts. En die den bok, welke een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch met water baden en daarna zal hij in het leger komen. (vs. 26)
En in vers 28 lezen wij: wie nu dezelve verbrandt, zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch met water baden en daarna zal hij in het leger komen. (vs. 28.)
Het is duidelijk, waarom deze reiniging moet geschieden. Immers de woestijn is de plaats der onreinheid evenals die buiten het leger. Omdat deze dag boven alle anderen als heilig gold, moet er gewaakt worden ook tegen de geringste Levitische verontreiniging. Dit behoort derhalve tot de bijkomstige dingen op dezen dag. Dat wil zeggen: zij hebben geen wezenlijke beteekenis voor den grooten Verzoendag als zoodanig en zien dus niet op Christus.
Hiermede hebben wij den grooten Verzoendag afgehandeld. De viering van dezen dag in de verschillende tijden van Isrels volksbestaan laten wij rusten, evenals de wijze waarop hij wordt doorgebracht door het Jodendom van later eeuw en onzen tijd. W i j bepaalden ons tot. de beteekenis van den grooten Verzoendag zooals de Schrift ons die doet kennen.
Hij heet de dag bij uitnemendheid, maar vanwege het groote werk der verzoening draagt hij niet den naam van feestdag. zooals andere feesten. Het is de groote dag. De groote dag, die de bronnen der eeuwige vertroosting ontsluit en eene vreugde schept, die ons doet zingen: Ik ben zeer vroolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in God mijnen Zaligmaker, want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan.

Het doel van den grooten Verzoendag.
Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen om u te reinigen: van alle uwe zonden zult gij voor het aangezicht des Heeren gereinigd worden, (vs. 30.)
Hij zal het heilige heiligdom verzoenen, en de Tent der samenkomst en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de priesters en voor al het volk der gemeente zal hij verzoening doen.
En dit zal u tot eene eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israëls van alle hunne zonden eenmaal des jaars verzoening te doen. (vs. 33, 34).
Het doel van dezen dag was derhalve de verzoening der zonden voor het bondsvolk des Heeren. Alleen uit het verbond der genade kan het geheel worden verstaan.
De zonde is een vreeselijke werkelijkheid, de onwettigheid zelve en toch een macht die ten verderve voert ons besluit onder het oordeel en onrein maakt.
De zonde is opstand tegen God, vertreding en aanranding zijner deugden en volmaaktheden. Iedere zonde is een aanval op Gods troon, eer, ja, leven.
Zoo werden dan door de verzoening de personen gereinigd, in staat gesteld om te dienen voor een heilig God. Want de verzoening is geen einddoel doch middel tot dienst. Want door de zonde zijn wij gescheiden van den oorsprong onzes levens.
Adam vóór den val smaakte zalige gemeenschap met zijn Maker en wist zich gelegd aan zijn Vaderhart. In den weg der gehoorzaamheid zou hij gekomen zijn tot het bezit van het eeuwige leven, zoodat hij niet meer had kunnen sterven om met zijn God in de eeuwige zaligheid te leven.
Maar het heeft ons niet goed gedacht God in erkentenis te houden en daarom zijn wij gevallen, diep gezonken in den maalstroom des doods.
Nu is het niet slechts om de schuld te betalen, de zonde te verzoenen, dat onze eenige Hoogepriester ging in den dood, maar om ons langs dien weg weer te brengen tot de gemeenschap met en den zaligen dienst van God, als verzoend Vader in Christus.
Het verheerlijken van Gods deugden is einddoel der verlossing en zóó het smaken van de zaligheid zijner gemeenschap als de drieëenige Verbonds-God, Vader, Zoon en Heilige Geest, te prijzen in der eeuwigheid.
Het volk als heilige vergadering kon alléén door verzoening tot God naderen en zoo alleen hem welbehagelijk dienen, want onze God is een verterend vuur.
Gij wilt u scharen onder het volk, maar hebt gij opgehouden met uw werk als werk des doods; zijt gij verootmoedigd geweest en is de overdracht bevindelijk tot stand gekomen van uwe schuld op den Borg. Is uwe conscientie besprengd met zijn bloed? Kent gij den weggezonden bok en den ram des zondoffers? Zijt gij gekomen in de heilige vergadering?
Is Christus uw brandoffer? Dit is toch noodzakelijk.
Dan zijn wij gereinigd van alle zonden en van elke zonde.
De zonde tegen God en menschen, van hoofd, hart en hand.
a, de zonde in de zonde moet worden verzoend.
De zonde toch heeft een bast en een pit. De verdorvenheid onzer natuur is de pit; de daden zijn de bast. De zonde van onze ziel is de ziel van de zonde.
In ons woont een wereld van ongerechtigheid. Gij kunt nooit de volle vuilheid en de vuile volheid der zonde doorgronden.
Mijn naam is legio, zei die booze geest, want wij zijn velen.
Alle heilige dingen werden gereinigd.
Als onvolmaakte menschen offeren begaan zij overal zonde, ook in hun heiligste verrichtingen. Zelfs het verzoendeksel zou hij verontreinigen als het bloed der besprenging deze niet als absorbeerde en wegnam.
Denk daarbij ook aan de onvolmaakte gebeden. Ook als wij op onze knieën liggen, begaan wij zonde genoeg. Ons zingen, ons denken, ons spreken, heeft verzoening noodig. Maar... het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt ons van alle zonde.

Het gebrekkige van den grooten Verzoendag.
De groote Verzoendag leerde ons een veelheid van handelingen kennen, die betrekking hadden op Christus en Zijn offer. Toch bleef ook deze dienst gebrekkig. Het was schaduw en niet het lichaam. Hoe meer de offers werden vermenigvuldigd, hoe sterker uitkwam dat zij de zonde niet konden wegnemen. (Zie de verzen 2, 29, 32 en 34).
Elk jaar geschiedde gedachtenis der zonde.
Ook mocht de Hoogepriester alleen, dien dag ingaan achter het voorhangsel: Spreek tot uwen broeder Aaron, dat hij niet te allen tijde ga in het heilige binnen den voorhang vóór het verzoendeksel, dat op de Ark is, opdat hij niet sterve, want Ik verschijn in eene wolk op het verzoendeksel (vs. 2).
De beteekenis van dit woord is van te meer kracht, wanneer wij het zien in het licht van vers 1: En de Heere sprak tot Mozes, nadat de twee zonen Aarons gestorven waren, als zij genaderd waren voor het aangezicht des Heeren en gestorven waren: de Heere dan zeide tot Mozes... Daarop volgt nu de inzetting van den grooten Verzoendag. Op dien dood van Nadab en Abihu, de zonen van Aaron, moet terdege gelet. Door te herinneren aan hun dood brengt de Heere in herinnering het woord: In degenen, die mij naderen zal Ik geheiligd worden.
ie zonen van Aaron toch waren zonder schroom genaderd tot het altaar. Er moest bij de priesterschap een heilige vreeze en eerbied blijven voor den Heere God. Door het dagelijksch verkeer bij en in den Tabernakel kon het naderen tot God zoo gemakkelijk sleurwerk worden.
De Heere wijst er Mozes op hoe Hij in den Tabernakel verschijnt en dat Mozes daarom zijn broeder Aaron moet waarschuwen niet zoo maar binnen te treden.
In zijn bedekte heerlijkheid openbaarde zich de Heere in het Heiligdom boven de ark en nu mocht niemand dan op Gods uitdrukkelijk bevel daar naderen.
De besprenging in den voorhof was voldoende om van de verzoening getuigenis af te leggen. Deze handeling op grooten Verzoendag hield de gemoederen meer gespannen. En juist dit offer eenmaal per jaar moest hen van he.t eenige offer onderwijzen.
Maar toch moest dit ook weer ieder jaar geschieden. Ook daarin lag iets gebrekkigs om te toonen — hoe beteekenisvol die groote dag ook was — dat hij toch niet afdoende kon worden geacht. Hierop zinspeelt ook de apostel: dat door 't telken jare ingaan van den Hoogepriester de Heilige Geest heeft geleerd, dat zoolang de eerste tabernakel stond, de weg tot het Heiligdom nog niet ontsloten was.
Zoo bleef het bondsvolk als geheel op een afstand en mocht de Hoogepriester slechts eenmaal per jaar ingaan, vertegenwoordigend het volk, dat zelf buiten bleef. En dat alles, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt zijn.
Jezus is eens beteren verbonds-Middelaar. toegang tot het hemelsche Heiligdom.
Vandaar, dat door de volle toepassing der verzoening ook het dienen zonder vreeze wordt geboren, waarvan Zacharias zong.
Wanneer nu alle deze dingen waren geschied op den grooten dag der verzoening was nog het einde niet.
olgens Numeri 29 volgde dan nog het feestoffer. (Num. 29 : 8—11.)
t was een brandoffer ten liefelijken reuk den Heere. een brandoffer dat hem gebracht werd door een volk, dat hoog was begenadigd op dien dag. Het bestond uit een jongen var met zijn spijsoffer. Dus met drie tienden eener efa meelbloem met olie der olijven gekneed. Daarbij kwam nog zijn drankoffer, dit is de helft van een hin wijns.
Na het feestoffer kwam dan het gewone avondoffer.
De kandelaar werd toegericht voor den nacht; de Hoogepriester kon zich terugtrekken; de dienstdoende priesterschap hield de wacht bij het Heiligdom.

De rijkdom der vervulling.
Een groote dag was ten einde, die echter riep om een grooter dag, een gansch eenige dag, die een drie-urige duisternis zou kennen, maar besloten werd met: het is volbracht.
Wanneer, dit merken wij ten slotte nog op, het jubeljaar aanbrak telkens na vijftig jaren, begon dit met het einde van den grooten Verzoendag (Lev. 25:9).
Zoo hebben dan de vromen van den ouden dag het heil des Heeren van verre gezien, in schaduwen gehuld. Zij zijn uit de vruchten zalig geworden, omdat de Vader crediet had op het werk van den Zoon in de volheid des tijds naar zijn van eeuwigheid gemaakt bestek. In het licht der vervulling lezen wij het klare schrift: met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden.
In den grooten Verzoendag van onzen Heere Jezus wordt de vrije genade verheerlijkt. Drijft nu de kracht der genade u gedurig naar dien Borg en Middelaar heen om in zijn bloed te rusten en vrede te vinden in Gods oogen? Want, Hij is onze vrede, omdat Hij de Heere onze gerechtigheid is.
Dan krijgen wij ook de wet lief zonder dienstbaarheid en leeren wij haar ijverig betrachten. Ja, die liefdedienst heeft nog nooit verdroten.
De liefde Gods is uitgestort in het hart door den Heiligen Geest, die ons gegeven is. Ja, de Sabbath der rust is aangebroken; want wij die geloofd hebben, gaan in in de rust. Hier • is de Sabbath des Geestes of de rust der ziel. De Sabbath des lic'haams volgt in de rust in het graf; de Sabbath des eeuwigen levens: de rust van ziel en lichaam, na den jongsten dag.
Alle hoogheid en verheffing des harten is gebroken: laat ons dan ons benaarstigen in die rust in te gaan, want het is eene eeuwige Rijkswet.
Laten wij dezen grooten Rustdag heiligen en vieren. Laat ons niet meer vragen naar het werkhuis der wet, waarin wij verkeerden, maar in de vrijheid der kinderen Gods wandelen in het licht, gelijkerwijs Hij in het licht is.
En men deed gelijk als de Heere Mozes geboden had. Zoo besluit Leviticus 16 de inzetting van den grooten Verzoendag.
Ja, de Heere heeft gedaan, gelijk Hij beloofd had: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt.

Ik zal Uw naam met dankerkentenis
Verheffen, U al mijn geloften brengen;
'k Zal liefd' en lof voor U ten offer mengen,
In 't heiligdom, waar 't volk vergaderd is.

k zal met vreugd' in 't Huis des Heeren gaan.
Om daar met lof Uw grooten Naam te danken.
Jeruzalem, gij hoort die blijde klanken.
Elk heff' met mij den lof des Heeren aan.
Amen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 augustus 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De Groote Verzoendag V (Slot)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 augustus 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken