Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De eenige Troost III

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De eenige Troost III

Zondag 1

15 minuten leestijd

Vr. 1. W a t is uw eenige troost, beide in leven en sterven?
Antw. Dat ik met lichaam en ziel. beide in leven en ster- Christus eigen ben, die met zijn dierbaar bloed voor alle mijne zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft, en alzoo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelschen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door zijnen Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
Zoo rust Gods kind alleen op Christus en zijn werk, volkomen buiten hem verwezenlijkt, door het geloof inwendig ermee verbonden. Deze verbinding nu is iets anders dan een verstandsconclusie, dat nu alles goed is voor tijd en eeuwigheid, maar het is een beleefde werkelijkheid. Daarom geeft zij sterkte aan het hart; zoete overdenking in het verstand, een zich volkomen verlaten in het geloof op hem, die voor alle zijne zonden volkomen heeft betaald. Deze Christus is den Vader dierbaar. Aan zijn offer heeft deze genoeg en daarom mogen wij vrede smaken en toegang met een waarachtig hart in volle verzekerdheid des geloofs, niet twijfelende.
Bestaat er geen gevaar, dat de duivel hen weer berooft van dien troost en hen ongelukkig maakt opnieuw? Zijn zij niet meer in zijn macht, ook al moeten zij zijn aanvallen en plagerijen verduren? Luister naar hetgeen de leerling zegt van den inhoud van dien eenigen troost beide in leven en sterven.
En mij uit alle geweld des duivels verlost heeft.
De onderwijzer laat dus niet na er op te wijzen, dat tot zijn eenigen troost óók behoort de verlossing uit alle geweld des duivels.
De apostel Johannes wijst er op, dat Jezus gekomen is om de werken des duivels te verbreken. Van meet af is op deze waarheid het licht geworpen in de beloften des Evangelies. Aanstonds na den val komt de Heere met de sprake: Ik zal vijandschap zetten tusschen u en deze vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.
Bij de voortgaande ontplooiing der Godsopenbaring wordt de beteekenis van de moederbelofte naar alle zijden nader belicht en verklaard.
Door de zonde zijn wij door een oordeel Gods onder de macht van satan gekomen, de menschenmoorder van den beginne. Hij heeft geen recht op den mensch zonder meer, want hij is zelf creatuur, maar hij is dienstbaar aan het oordeel Gods over den mensch. Hij is de vorst der duisternis, de overste dezer wereld. Van nature gevoelen wij zijne tyrannie niet, omdat wij aan zijn zijde staan in onzen opstand tegen God en zijnen Gezalfde. Toch is hij een wreede meester, want.als hij ons in het verderf heeft gestort zal hij ons bespotten. Dat doet hij reeds in dit leven als gewetenswroeging den mensch voortdrijft in zijn wanhoop.
De ontdekte zondaar leert ook kennen die geweldenarij. Evenmin als hij Gode het rantsoen kan betalen, evenmin het geweld des duivels breken, ontkomen aan zijn heerschappij. Maar luister nu naar den onderwijzer als hij spreekt van zijn eenigen troost. Hij zegt niet, dat in hem thans het vermogen is om den duivel te verslaan, maar roemt in de weldaad, die Christus schonk. Deze heeft door zijn dood teniet gedaan dengene, die het geweld des doods had. namelijk den duivel.
Door list en bedrog houdt satan den mensch in zijn macht. Maar voor Gods kind is hij een verslagen vijand. Die mij uit alle geweld des duivels verlost heeft.
Hij heeft de macht, het geweld, des doods (Hebr. 2). Dat wil zeggen: hij kan met den dood werken, heeft de beschikking over den dood om daardoor den mensch aan zich te onderwerpen. Dus deze macht bestaat in den dood zelf. Maar Christus komt den dood te boven en overwint satan, en mij uit alle geweld des duivels verlost heeft...
De catechismus leert ons dus hier, dat de ware christen zich mag vertroosten, mag bedenken en weten, dat de duivel is overwonnen door hem, die ook door bloed het rantsoen bracht aan den Vader, hun Gode heeft gekocht. Hij ziet op het geheel der overwinning. Satan is hen voor eeuwig kwijt. Zij zijn van onder zijn heerschappij en tyrannie gebracht onder het zachte juk van Christus den Heere. Satan heeft geen macht om hen langer te regeeren; Jezus is hun Koning en Vorst.
Het is waar: zij hebben nog vele aanvallen te verduren van het rijk der duisternis, maar de poorten der hel zullen Gods gemeente geenszins overweldigen.
En zij mogen ervaren hetgeen de dichter zong als waarheid voor henzelven:

Nooddruftigen zal Hij verschoonen;
Aan armen uit gena
Zijn hulpe ter verlossing toonen;
Hij slaat hun zielen ga;
Als hen geweld en list bestrijden,
Al gaat het nog zoo hoog,
Hun bloed, hun tranen en hun lijden
Zijn dierbaar in zijn oog.

De duivel heerscht niet meer over hen als hun machthebber, doch keert zich tegen hen als vijand. Want toen zij kwamen in het verbond hebben zij Jezus trouw, den duivel tegenstand gezworen. Het is waar: hij zoekt de verzenen, de hielen van het vrouwenzaad te vermorzelen, maar hen verderven kan hij niet meer. Hij is zijn buit kwijt.
De duivel met al zijn geweld is overwonnen door den Leeuw uit Juda's stam. Hij moge blaffen als een hond, brommen als een beer, sissen als een slang. Hij is de hond van Jezus aan de ketting, gebruikt om de schapen naar den herder te drijven, keer op keer. Al verkeeren zij soms op de bergen der luipaarden, in de woning der draken, alle dingen moeten medewerken ten goede, die naar Gods voornemen geroepen zijn.
Soms mag hij hen ziften als de tarwe, gelijk Petrus in den nacht des verraads, maar het: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude, trekt de lijn, die hij niet mag overschrijden. Hij zal den satan haast onder uwe voeten verpletteren, zoo leert het Woord. Hebt gij wel eens aanschouwd in het geloof hoe hij een geslagen en verslagen vijand is? Zoo mogen zij door de vertroosting der Schriften hope hebben.
Vele zijn de aanvechtingen, gelijk al Gods kinderen weten, maar Jezus redt uit alle nooden. Hij haast zich ter hulpe. Soms is het als zullen zij worden verslonden wanneer zij in het donker wandelen, gelijk Christen, die niet kon zien, dat de duivel aan een ketting lag en daarom zeer bevreesd werd toen hij in den nacht een duister dal moest doortrekken. Dan weer gaat het met den duivel als met Saul, toen hij David hittig vervolgde en deze niet anders dacht dan een der dagen door Sauls hand te zuilen omkomen. Geheel onverwacht wordt hij weer bevrijd, want een ijlbode kwam tot Saul om hem te zeggen, dat de Filistijnen in het land waren gevallen. Zoodoende moest hij zijn vervolging van David tijdelijk weer opgeven. De duivel wordt vaak geroepen zoodat de Heere vraagt: waar is nu de grimmigheid des benauwers?
Satan is wel veel-wetend, maar niet al-wetend; beweegt zich wel zeer snel als geest, maar is toch niet alomtegenwoordig. Dit is Jezus wel. Naar zijn majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van hen. Ik ben bij u en Ik zal u aanzien, zoo beloofde Hij. In den eenigen troost in leven en sterven is dus ook opgesloten, dat satan hen niet kan verderven, omdat Jezus overwon en zij overwinnen in en met hem. Ja, wij zijn meer dan overwinnaars door hem, die ons heeft lief gehad. Paulus wist van de macht van satan te spreken uit ervaring. Een engel des satans sloeg hem met vuisten. Hij worstelde vaak met hem als man tegen man. Zijne diepten waren hem niet onbekend, maar zóó juist leerde hij te beter wat het zegt: Jezus overwon hem, die de macht des doods had. Zij mogen zich vergewissen van Gods genadige hulp en bevrijding. Is satan hun wederpartijder, de engelen zijn hunne dienaren. Want Hij zal zijnen engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in alle uwe wegen; zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet aan geen steen stoot. Op den feilen leeuw en den adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.
Ja, de Heere heeft beloofd: Hij zal mij aanroepen en Ik zal hem verhooren, in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn, Ik zal er hem uittrekken en zal hem verheerlijken.
Zoo komen wij vanzelf aan de volgende zinsnede van ons antwoord:
En alzoo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelschen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle dingen tot mijne zaligheid dienen moeten.
Hunne bewaring is verzekerd. Dat gij in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.
De dichter wist wel wat hij bad: bewaar mij als de appel van het oog, wil mij met uwe vleugelen dekken. Zij weten zich in gevaar aldoor. Soms schijnt hun ondergang nabij, maar de Heere laat hen nooit verzocht worden boven vermogen en met de beproeving geeft Hij ook de uitkomst.
Zij worden zeker bewaard. Hij die gezegd heeft: Ik geef hun het eeuwige leven, heeft ook beloofd: niemand zal hen uit mijne handen rukken, noch uit de handen mijns Vaders. De onderwijzer laat zijn leerling spreken zooals het verzekerde ge'oof getuigt onder inwerking des Geestes. Want gij weet wel, dat ook de verst gevorderde christen kan schrikken voor een schaduw, op de loop gaan voor een vijand, die er niet eens is.
Denk vooral niet, dat zij den troost dezer zekere bewaring kunnen genieten, tenzij het geloof werkzaam is. Zeker, zij weten altijd wel hoe de Heere beloofd heeft niet te zullen begeven noch verlaten, maar zij gevoelen zich toch dikwijls zeer eenzaam, soms zelfs verlaten. Sion zegt: de Heere heeft mij verlaten. En wat is het antwoord: al zou een vrouw haren zuigeling vergeten, zoo zal Ik toch u niet vergeten. Hij heeft zijne beloften vermenigvuldigd, met een eed bevestigd, opdat wij eene sterke vertroosting zouden hebben. Een bewaard Christen, als de oogappel; bewaard in het bundelke der levenden. Verborgen in het verborgene van Gods tent. Verhoogd op een rots uit de ellende. Het konijn is een zwak dier, maar veilig onder de rots. Heere, bij U schuil ik, begeef mij niet en verlaat mij niet. Bewaard en bewaakt, want de wachter Israëls zal niet sluimeren noch slapen. Deze bewaring strekt zich uit over hun gansche leven en bestaan.
Geen haar van hun hoofd kan vallen zonder den wil des hemelschen Vaders. Wat is nu een haar van een mensch? W i e slaat er acht op een haar te verliezen. En toch ook de haren des hoofds zijn alle geteld. Zijn vaderlijke voorzienigheid gaat over het kleinste in hun leven. Hun is lichamelijke en geestelijke bewaring toegezegd.
Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt mijn. W i j weten maar al te goed, dat zij dit geloof niet altijd beoefenen. Toch is het goed, dat de catechismus op voorgang der Schrift niet naar het ongeloof, maar naar het geloof Gods bewaring aanwijst. Het ongeloof toch houdt God verdacht in zijn liefde, trouw en macht. Ja, deze bewaring gaat soms zoover, dat, als zij iets doodelijks drinken, het hun niet kan schaden. De beet van een slang zal hen niet vergiftigen. Daniël kan in den leeuwenkuil zonder vreeze zijn en de jongelingen in den oven verkeeren zonder te verbranden. Maar ook als het hun vergaat als elk ander menschenkind, worden zij toch door de kracht Gods bewaard tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.
De leerling kan spreken van: den wil zijns hemelschen Vaders.
Zalig voorrecht voorwaar, want wat is grooter weldaad dan dezen God zijn Vader te mogen heeten? Als alles ons begeeft, een Vader te hebben in den levenden God om Christus' wille. Weten wij ons aangenomen tot kind, aanvaard als huisgenooten Gods? Dan zullen wij den Geest der aanneming kennen, die doet roepen: Abba, Vader. Gelegd aan het Vaderharte Gods mogen wij ervaren in het geloof, dat zijne eeuwige liefde over ons de wacht houdt, gelijk Hij die heeft geopenbaard in de schenking zijns Zoons. Zou Hij dan met hem ons niet alle dingen schenken? Gods wil is een liefdeswil. die altijd het beste over hen beschikt. Hij moge al raadselachtig handelen, in tegenheden zelfs met hen wandelen, toch is zijn wil een liefdeswil over hen. Zalig, als het mag zijn: wat Vader doet is goed. Hij legt hun nooit teveel op en daarom: mijne ziel is stil tot God, van hem is mijn heil. De dichter van psalm 131 spreekt van het gespeende kind. dat stil zich bij zijne moeder bevindt. Daarom maant de dichter: Israël hope op den Heere, van nu aan tot in eeuwigheid. En zeker van des Heeren bewaring bidden wij samen:

Leer mij naar uw wil te handelen,
'k Zal dan in uw waarheid wandelen.
Neig mijn hart, en voeg het saam
Tot de vreez' van uwen naam.
Heer' mijn God, ik zal U loven,
Heffen 't gansche hart naar boven,
k Zal uw naam en majesteit
Eeren tot in eeuwigheid.

Deze troost doet de verdrukking lijdzaam dragen, bedenkende, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waardeeren bij de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.
Deze troost wordt alleen genoten in Gods weg, als Gods kind in zijne paden wandelt.
Geen haar kan van zijn hoofd vallen zonder den wil zijns hemelschen Vaders.
Daarin ligt ook opgesloten, dat, wat de menschen hem aandoen, hem toekomt uit Gods hand. Zoo kunnen wij verstaan hoe David, toen Simei' hem vloekte, kon zeggen: laat hem vloeken, want God zegt: vloek David.
Niet de vraag wat de menschen doen, maar wat de Heere, als hemelsche Vader, ermee bedoelt moet ons hoofdzaak worden in het leven.
In dit: hemelsche Vader ligt verankerd, dat Hij alles ten beste zal keeren; alleen ons wezenlijk nut en de eere zijns naams bedoelen kan.
Gelijk een vader zich ontfermt over de kinderen, alzoo ontfermt zich de Heere over degenen, die hem vreezen. Alle ramp en lijden leert hij ontvangen als uit zijne hand, eene hand in welker palm zijn naam staat geschreven.
De Heere bedoelt niets kwaads, zoo wil de leerling antwoorden, over degenen die hem vreezen. Is er een kwaad in de stad, hetwelk de Heere niet doet? Elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad. Als dan alles uit vaderlijke hand toekomt, waarom dan zoo bezorgd voor de toekomst vaak? Hij zal zorgen; geen kwaad zal hen genaken, de Heere zal hen bewaken.
Geen haar kan van hun hoofd vallen zonder den wil huns hemelschen Vaders. En welk een Vader is dit! Niet het aardsche vaderschap is het oorspronkelijke, maar het goddelijke vaderschap. Aangenomen kind, van God bemind. Kind ook niet alleen door aanneming om Christus' wille als Borg, doch óók kind door ondertrouw met den Bruidegom der ziel.
In dit kindschap zijn aanneming door recht en in liefde verbonden. Ik heb u lief gehad met eene eeuwige liefde. Niet, dat wij God lief gehad hebben, maar Hij heeft ons eerst lief gehad. Met een enkel woord slechts wijzen wij op dit Vaderzijn Gods; ons leerboekje behandelt dit alles later uitvoerig.
In den weg van lijden en druk leeren zij eenerzijds dieper eigen bederf, natuurlijke onmacht ten goede. Maar aan de andere zijde leeren zij den Heere kennen als verrassend God en liefhebbend Vader in Christus. Hij kan troosten meer dan een moeder troost. Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God, want het onderwerpt zich der wet Gods niet, het kan ook niet. En dat nu aan zulk een afkeerig schepsel de Heere God zich als genadig Vader bewijst.
Het is vaak meer dan zij kunnen dragen. In dezen weg wordt ook de Heere Jezus steeds dierbaarder tot alles waartoe Hij van den Vader is geschonken. En de Geest in zijn onmisbaarheid voor het gansche leven des geloofs, wordt steeds noodzakelijker om ons te leiden in den weg van Gods geboden. Zoo worden zij bewaard tot de zaligheid, die hun is bereid.
Deze bewaring is gegrond in de onveranderlijke liefde Gods, die zijn wezen zelve is. Ik de Heere worde niet veranderd, daarom zijt gij, o kinderen Jacobs, niet verteerd. Wat moest er anders van hen worden? Want wie zijn zij en wie blijven zij in zichzelven.
Deze bewaring is gewaarborgd ook door de zekerheid van het verbond der genade. Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal niet wijken en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere. Het is een zoutverbond, bezegeld met bloed, bevestigd door een eed. W e r k dit nu maar uit, lezer, dan hebt gij geen tijd voor ijdele beuzelingen. Hoe kostelijk zijn mij, o God, uwe gedachten. Deze bewaring is ook verzekerd door den onverbrekelijken band met Christus. God is getrouw, door welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap zijns Zoons, onzen Heere Jezus Christus. Hij houdt ze met beide handen omvat, niemand zal ze hem ontrukken.
En als Voorspraak bij den Vader vertegenwoordigt Hij niet alleen hunne personen, maar ook hunne belangen. En Hij bereidt hun plaats in het Vaderhuis met zijn vele woningen. Hij zal hen geen weezen laten. Deze bewaring wordt gekend door het werk des Geestes, die in onze harten woont, ons troost en in eeuwigheid bij hen zal blijven. De zalving, die gij van hem ontvangen hebt, blijft ir> u.
De genadegift en de roeping Gods toch zijn onberouwelijk. Ja, die Geest wijkt nimmermeer van ons.
Zoo is dan God-drieëenig de bewaarder Israëls. En wanneer wij nu mogen bekennen, door het geloof, dat wij bewaard zijn, zoo zijn wij niet bezwaard, maar wandelen voort op den weg, die voert naar de stad. welke fundamenten heeft. Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 november 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

De eenige Troost III

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 2 november 1940

Gereformeerd Weekblad | 12 Pagina's

PDF Bekijken