Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Lijdende Knecht des Heeren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Lijdende Knecht des Heeren

17 minuten leestijd

3

Jezaia 53 vers 5: Maar Hij is om onze overtredingen verwond; om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijne striemen is ons genezing geworden.

De profeet zegt niet alleen hoe de natuur Hem beoordeelde en verachtte, maar ook hoe het geloof Hem ziet, door den Geest Hem aanschouwend.

Van nature verstaan wij kribbe noch kruis, wij zijn blind in de wegen des hemels. Van een Borg weten wij niet, hebben ook geen behoefte aan een Zaligmaker. Kruis Hem, kruis Hem, is nog de leuze van het herboren hart.

Het is niet in een menschenhart opgeklommen. Het is immers onredelijk, overdracht van zonde en schuld, onredelijk, dat een rechtvaardige lijdt voor een onrechtvaardige. De natuurlijke mensch verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn en hij kan ze niet verstaan omdat zij geestelijk onderscheiden worden.

Wij achten... maar Hij is... Weer staat dat Hij tegenover ons wij.

En toch, die wij zijn voorwerp van Gods erbarmen.

ver-Maar Hij is om onze overtrediroen wond.

Het woord gebruikt voor overtreding in den grondtekt, wijst ons op bondsbreuk, ontrouw, opstand. De wortel wil zeggen: met iemand breken; afval, ongehoorzaamheid, misdaad. Wij hebben met God gebroken, Zijn verbond en Woord veracht.

Met God gebroken... afschuwelijke misdaad; dwaas, onuitsprekelijk dwaas! Beluistert gij wel, hoe de profeet de zonde niet licht neemt, maar in hare volle zwaarte laat gelden, en... ziet gedragen door Jezus. En omdat Hij ze wilde dragen aanvaardde Hij de straf en het oordeel der zonde. Hij is om onze overtredingen verwond, eigenlijk, doorwond, doorboord.

Scherp wordt zijn lijden geteekend, door den Geest der profetie.

Maar^g ij gevoelt óók hoe de profeet iets van die overdracht met de Kerk der eeuwen doorleeft in zijn ziel. Hij staat verwonderd, staart in het geloof op den Messias, Die in de belofte wordt voorgesteld.

Toen Mozes stond in de kloof van de steenrots en de Heere zijn naam uitriep, beluisterde hij: die de ongerechtigheid en de overtredingen vergeeft.

Bij zijn roeping had Jezaia met de zonde te doen gehad op ontstellende wijze: wee mij, ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben en woon temidden eens volks dat onrein van lippen is.

Hij zag den Heere zittende op eenen hoogen en verheven troon en Zijne zoomen vervullen den tempel. De serafs stonden boven Hem... de een riep tot den ander: heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen! De gansche aarde is van Zijne heerlijkheid vol!

De posten der dorpels bewogen zich van de stem des roependen en het huis werd vervuld met rook... wee mij ik verga... want mijne oogen hebben den Koning, den Heere der heirscharen gezien.

Maar, wat had hij daar óók ervaren? Zijne lippen werden aangeraakt met een kool van het altaar en hij hoorde tot zich zeggen: Zie, deze heeft uwe lippen aangeraakt, alzoo is uwe misdaad van u geweken, en uwe zonde is verzoend.

Jezaia heeft een diepen indruk gehad van de zonde, de noodzakelijkheid der verzoening diep doorleefd, om omgang te kunnen hebben met God zonder verteerd te worden.

Dat niet alléén, hij heeft die verzoening doorleefd, ontvangen en zoo is hij grondig voorbereid om profeet te zijn, bode des vredes, om Immanuël te verkondigen ook als lijdende Knecht des Heeren.

Hij is om onze overtredingen verwond.

Zullen wij ooit Jezus als Borg ontmoeten, zoo is noodzakelijk onze zonde en schuld te kennen. Het is dus wel anders dan de nieuwe theologie leert, dat wij onze zonden pas kennen als wij in Christus gelooven. Integendeel, onze zonden kennende, worden wij uitgedreven tot den zondendrager. Het einde der wet is Christus en Hij is niet het begin der wet.

Hoe diep hebben de vromen van den ouden dag hunne zonden gekend-en hartelijk beleden. Mijiïe ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. Ik zal belijdenis doen van mijne ongerechtigheden. Verlos mij van al mijne overtredingen. Dan weer: delg mijne overtredingen uit. Of wel, de profeet doet een ontroerende klacht hooren: het juk mijner overtredingen is aangebonden.

Maar... Hij is om onze overtredingen verwond...

De profeet ziet de overdracht van schuld op den Borg, en verliest mede eigen last aan Hem. Hij wist wat schuldvergeving was, want hij was zelf als schuldenaar ingevallen voor God. Hij kon zeggen: wij prediken wat wij weten. Hij, de evangelische profeet heeft gepeild, hoe diep het verderf der zonde was, heeft er iets van verstaan hoe hoog de ongerechtigheid reikte. Het juk zijner overtredingen was hem aangebonden geweest.

Lezer, weet gij wat dit beduidt? Zich niet kunnen bewegen vanwege de banden en boeien der zonde, verward in de strikken des kwaads. Uitgeput en ten einde raad. De profeet ziet echter den lijdenden Knecht des Heeren in breed verband, als Middelaar van Israël, het volk des Heeren. Om onze overtredingen verwond.

Denk u nu in hoe de profeet dit verkondigt temidden van zijn schuldige volk, en hoe de heilbegeerigen luisteren, luisteren... want zij hebben geleerd het rantsoen der zielen niet te kunnen betalen. De Borg wordt geschouwd in het geloof, zoodat temidden der benauwdheid het hart wordt verruimd, ja, van vreugde opspringt.

Ik delg uwe overtredingen uit als een nevel, en Ik gedenk uwer zonden niet.

Zoo kan nu de Vader spreken, ziende op Jezus, den Borg. Hebt gij des Vaders stem gehoord: „Uwe zonden zijn u vergeven", door toepassing van den Geest.

Doorwond, doorboord! Is hier sprake van Jezus' leven of sterven? Van beide. Doorstoken met het zwaard der gerechtigheid, gestorven een gewelddadigen dood.

Roep u voor den geest Zijn nameloos lijden gedurende zijn gansche leven, maar inzonderheid de laatste weken en dagen van Zijn omwandeling op aarde, op weg naar het kruis. Spot en hoon was Zijn deel. En Hij hield vast aan Zijne roeping-De drinkbeker, dien Mij de Vader te drinken geeft, zou Ik dien niet drinken? Hoe word Ik geperst, totdat het volbracht zij! Dit plaatsbekleedend lijden is zeer wonderbaar. Hier is Gods oneindige liefde en eeuwig recht, dat niet gekrenkt mag worden. Eene liefde, die den misdadiger verschoont en den onschuldige treft, doorwondt. Onkreukbaar recht, dat den overtreder vrijlaat en den reine met de misd-idigers rekent.

Denk aan Gethsémané, den hof der olijven, sta bij het kruis eerbiedig stil. Let op de doornenkroon en de spottaal der voorbijgangers. Zie de wonden in Zijn banden en voeten. Waartoe dit alles? Hij is om Onze overtredingen verwond.

Wonden worden door wonden genezen; de wonden der zonden door de wonden van Jezus. Mijne etterbuilen stinken vanwege mijne dwaasheid, beleed de dichter, ik ben krom van lenden en vol van druk, zeer gebogen en verslagen. En dat alles door het schenden van Gods Wet. In den beker Zijns lijdens kan alleen God zien, want die heeft hem gevuld, gevuld ten boorde toe! En de inhoud was zeer bitter; zijn ziel werd erdoor verwrongen. Hem, die ons heeft lief gehad en ons van onze zonden heeft gewasschen in Zijn eigen bloed... Hem zij eer en heerlijkheid en macht in alle eeuwigheid, amen. Zelfs de hemel worstelt met dit onderwerp. Gelukkig, dat de eeuwigheid er is, om in deze

zee te zwemmen. Ziehier dan door den profeet de verklaring des Heeren over het lijden van Zijn Knecht. God handhaaft Zijn recht op den gevallen mensch, ziet de zonde niet door de vingers. Jezus verklaarde de Gezondene des Vaders te zijn. God gaf getuigenis aan Christus als den gezonden Zoon. Zoo drukte Hij uit Zijne verhouding tot dezen Knecht en Zijn belang in Zijn werk der verlossing van zondaren. Het lijden van Christus had geen betrekking op eigen zonde.

Hoe kan een mensch rechtvaardig zijn voor God? Alléén door Jezus in Zijne voorspraak bij den Vader. In Zijne zelfofferande heeft de Vader een welgevallen. In den doorstoken Jezus is volkomen zaligheid.

Om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld, zoo vervolgt de profeet.

Het woord ongerechtigheid in den grondtext, wordt zeer veelvuldig gebruikt. Het komt van een wortel, die beteekent: krom, verkëerd zijn. Het is 't woord voor zedelijke verkeerdheid of ingaan tegen de rechte orde.

De zonde is-een vergrijp aan Gods orde, een doorbreken dier orde, een aantasten Zijner majesteit, een ontbinden van den samenhang, waarin de mensch krachtens schepping met God staat, een verscheuring der eenheid met Hem, en zóó een verlaten van de eenige levensbron, gepaard gaande met teniet gaan der goederen, die Hij schonk, verderf en dood brengend. Dwaasheid, bedrog en leugen.

Om onze ongerechtigheden...

Verbrijzeld, het woord wordt gewoonlijk gebruikt van menschen en dus in figuurlijken zin. Het wordt gebezigd om aan te duiden verbrijzeling door geweld of onderdrukking.

O Heere, zij verbrijzelen Uw volk en zij verdrukken Uw erfdeel.

Zij verguizen hen door hunne verdrukking en verpletteren hen door hun smaad.

En dit doen zij, juist omdat zij des Heeren volk zijn. Zij zijn oorzaak van smartelijke vernedering en diepe verslagenheid. des harten. Zal iemand echter zijn erfdeel niet verdedigen? Zonder twijfel. Maar, zie nu op Jezus

Verbrijzelen, onder den voet loopen, vertreden. Zoo klaagde Hij in Psalm 22: Ik ben een worm en geen man, een smaad van menschen.

In Psalm 89 vinden wij de tegenstelling: Gij hebt Rahab verbrijzeld als eenen verslagene, Gij hebt Uwe vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte. Maar... Gij hebt Hem verstooten, en verworpen. Gij zijt verbolgen geworden tegen Uwen Gezalfde. Gij hebt de rechterhand Zijner wederpartijders verhoogd, Gij hebt alle Zijne vijanden verblijd.

De dichter bezingt profetisch het lijden van Gods Gezalfden Koning, en maakt een tegenstelling, tusschen de vijanden en Hem. Hij verbrijzeld, de vijanden verjaagd en verstrooid.

Van verbrijzelen door woorden is sprake bij Job en in den zin van een einde maken zegt hij: Och, of mijne begeerte kwame en dat God mijne verwachting gave, en dat het God beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijne hand losliet en een einde met mij maakte.

De ongerechtigheid brengt ons in schuld en zie nu... om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Om, dat is vanwege, ter oorzake van onze ongerechtigheden.

Daarom mocht de dichter zingen: Gij maakt op hun gebeden, gansch Israël eens vrij van ongerechtigheden! Zucht gij: zoo doe Hij ook aan mij?

Gij doet den mensch wederkeeren tot verbrijzeling en zegt: keer weder gij menschenkinderen. Sterven is verbrijzeld worden. Hij is verbrijzeld, gestorven om onze zonden.

zonden. Kent gij nu de verbrijzeling uwer ziel door uwe ongerechtigheden? Dan alleen kan dit woord van den profeet u zijn als een bazuinstoot van het jubeljaar!

Sion wordt door recht verlost.

De straf, die ons den vrede was op Hem. aanbrengt,

De straf van onzen vrede, zoo staat er eigenlijk. Dat is dus de straf die onzen vrede bewerkt. Hoe kan echter, straf, gerichtsoefening nu ooit vrede tot vruchtgevolg hebben? Deze schijnbare dwaasheid bergt de hoogste wijsheid Gods in zich. Door de dwaasheid des Evangelies maakt God zalig die gelooven. Ook hier weer ligt het geheim in de plaatsvervanging.

De straf onzes vredes. Het woord voor straf heeft verschillende beteekenissen in den grondtext. Het kan beduiden: bestraffing, terechtwijzing, óók onderwijzing.

Hier is het straf als vergelding der ongerechtigheid. Waarom? Omdat Sions ongerechtigheden op Hem waren, omdat Hij die droeg.

Het woord voor vrede is zeer ruim van begrip, het omvat alle geluk, heil en zegen. Dit volle heil, herstel van rechtsbetrekking en alles wat daaruit voortvloeit, komt ons toe uit Jezus' borgtocht. Zij, wier straf Hij droeg, zijn van de straf ontheven, van den toorn Gods ontslagen en deelen in Zijne gunst, waarin alle zegeningen liggen opgesloten. Hij is gekomen, vrede verkondigende, dien, die nabij waren en dien, die verre waren. De lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid van Jezus is vredeverwervend en vredeaanbrengend.

Deze vrede kan alléén worden gekend en genoten in de gemeenschap des geloofs met Hem. De goddeloozen, zegt mijn God, hebben geen vrede. Geen gunst des Vaders, geen harmonie met de schepping.

Daarom spruit deze vrede voort uit de verzoening met Gód, door Jezus' bloed.

De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen met gerechtigheid.

In Zijne dagen zal de rechtvaardige bloeien en veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. Daarom is Hij vredevorst! Hoort gij het, wie Jezus is, wat zijn arbeid heeft uitgewerkt? De straf, die ons den vrede aanbrengt... was op Hem. Op Hem, die geen straf verdiende. Ja, de vrede Mijner knechten zal groot zijn, spreekt de Heere en hunne gerechtigheid is uit Mij.

Vrede, aangebracht door Hem, ja, vrede met God, vrede met de schepping. Het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn, en met de steenen des velds zal uw verbond zijn. Onze verhouding tot God en schepsel is veranderd, wij staan in vredesverhouding tot Hem, met wien wij in oorlog verkeerden. Zuchten met de schepping mee, den dag harer bevrijding tegemoet.

Van nature zijn wij als een stoppel, die zich in slagorde stelt tegen het vuur.

De straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem. Daarom is het een vrede van het welgevallen Gods. Het bloed der verzoening is de weg des vredes.

Voor den straf-schuldigen zondaar is Jezus de bron des vredes en des levens. Welk een vrede daalt in het hart als het oog des geloofs op Hem rust, als wij rusten aan Zijn Middelaarsborst. Kent gij dezen vrede, mijn lezer? Ik heb zoo n vrede, is beter ontboezeming als: de oogst is binnen , het geld in de kast.

Ja, die strafdragende Borg doet geboren worden den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat. Wat kan een mensch toch aftobben, nergens rust, nergens vrede te vinden en toch Hem niet te zoeken waar Hij alleen te vinden is, in Christus.

De ervaring van dien vrede is zeer zielvernederend en verootmoedigend, want wij zijn duur gekocht. Als de nood des levens ons neerdrukt, wanneer de wereld ons sart, dan dien vrede te ervaren, heft ons op én doet ons belijden: het lijden dezes tegenwoordigen tijds is niet te waardeeren bij de heerlijkheid, 'die aan ons zal geopenbaard worden. Deze vrede is on-

vergankelijk, daarom is het geen onoverkomenlijk bezwaar, dat veel breekt, wat hecht scheen.

Buiten Hem ken ik geen vrede, dool ik om als een nergens-thuis. maar in Hem is mijn heil, mijn eer, mijn sterke rots, mijn tegenweer.

Hij is de fontein der levende wateren. Hij is mijn licht en mijn levenskracht. Geen goede werken kunnen den vrede brengen in het hart; 'ook het werk des Geestes is er niet om Christus overbodig te maken, maar om Hem dierbaar te doen zijn. Hij alleen is de grondslag onzes vredes en de bron van al ons heil.

In Hem daalt God tot den mensch af, nadert de mensch tot God, als verzoend en bevredigd. Leg alles wat gij meent te hebben in de schaal en 't weegt nog geen ons voor de redding uwer ziel, maar Christus' verdiensten hebben een oneindige waardij. Wij varen op het schip van vrije genade, naar de haven der eeuwige rust.

Zoo is er ondanks alle wederwaardigheden toch vastheid van koers in ons leven. Ja, Hij is, als ik over boord zou slaan, nog de gordel waarin ik drijf. Ja, ja, mijn lezer, denk niet gering over dezen strafdragenden Borg, dié ons den vrede aanbrengt. Nooit, neen nooit, zal ik kunnen zeggen, wie en wat Hij vöór mij, zijn armé schepsel en schaap is, en is geweest sedert

Hij mij vond als verloren. Hij gaf Zijn leven om het onze te redden. Hij liet zich verbrijzelen om ons te heelen. In zijn voldragen straf-lijden treedt Hij in bij den Vader. En... Hij is gisferen en heden dezelfde en tot in eeu-

wigheid. In Zijn beide naturen is onze vrede gegrond, gelijk ook Zijne aangebrachte gerechtigheid in beide is verworven. Onze zonden zijn vele, maar Zijn verdiensten zijn meer. Misdadiger, die ik was, ik heb nu recht te leven en recht op het leven door Hem. Zijn persoon en gerechtigheid hangen samen met Zijn dierbaar bloed. Er is geen balsem voor een gewond hart, dan in het kruis van Christus. In den hemel klopt een, hart, dat altijd lief heeft,

beweegt zich een tong, die altijd pleit. Hij is ingegaan in het binnenste Heiligdom, eene eeuwige verlossing teweeg gebracht hebbende.

...en door Zijne striemen is ons genezing geworden.

Hier spreekt de profeet van het medicijn der zielen. Wat is dan dat medicijn? Zijne striemen. Een wonderlijk medicijn, goed voor alle kwalen der ziel. Geen slagen op onze rug, maar op de Zijne, brengen heil.

Misschien doet gij nog aan zelfkastijding? Zal niet baten, hier is medicijn.

Striemen, gij weet wel, hoe de Heere Christus is gegeeseld en geslagen, met den rietstok, maar boven dat alles hield de Vader Zijne geesel in de hand, die niet in het vleesch van Jezus striemde, maar Zijne reine ziel doorwondde. De eeuwige gerechtigheid was de ploeger, die zijne voren lang heeft getogen, naar het woord van psalm 22. Zijne striemen, deze woorden zijn samenvatting van Zijn ganschè lijden.

Hij kwam in de wereld, opdat wij zouden behouden worden door Hem. Het medicijn is bereid in den hof en aan het kruis. Wie had deze remedie ooit kunnen uitvinden!

Maar medicijn moet worden gebruikt. God heeft deze apotheek gevestigd, en er is geen ander adres.

Gij weet toch wel, dat wij ziek zijn, doodelijk ziek, ja dood door de zonden en de misdaden.

De zondekwaal verteert ons tot in den eeuwigen dood toe. Aan ons is een oordeel des doods. Voor de zonde kent de Schrift geen excuus. Onze levenskracht wordt verteerd in de zonde, onze adem riekt... naar onze kwaal! Tong en mond en 's harten diepsten grond zijn Gode niet welbehagelijk.

Wij gelooven den vader der leugenen. Wij breken de zonde niet, doch koesteren haar. Onze knieën zijn stijf en willen niet buigen, onze nek is onbuigzaam en wil niet neigen. Ons voorhoofd is onbeschaamd, onze nek een ijzeren zenuw. Het oordeel doet ons van nature niet beven, het Evangelie trekt ons niet. Zonde baart nooit eigen berouw, laat wel een onbevredigd verlangen . achter, rusteloosheid, en wij zoeken onzen ledigen geest te vullen met de vermaken der wereld.

Onze kwaal is besmettelijk. Sommige zonden zijn openbaar, andere woelen binnen in het hart. Zoo besmetten wij anderen door woord en daad. Kent gij uwe kwaal en zoekt gij genezing, medicijn, bij den Medicijnmeester?

Wij zijn verdreven van voor Gods aangezicht, een erfgenaam van den vloek. Hier is medicijn. Daarboven wandelen ontelbaren in witte kleederen, die zij hebben gewasschen in het bloed des Lams. Door Zijne striemen is ons genezing geworden.

De vloek is weggenomen. Gelijk een donderstorm, die alles dreigde weg te vagen van den aardbodem, is uitgewoed, zoo is Gods toorn uitgewoed op Hem. Genezing van den vloek, want deze is als een brand in het hart.

De manie der wanhoop wordt genezen door dit medicijn. Hoe kunnen mijne zonden vergeven worden door een rechtvaardig God? Er is hoop... Jezus leeft en... stierf voor de zonden. De vloek wijke in uw hart voor den zegen en den vrede, door het geloof in Jezus.

Wanneer mijn hart koud is, dan was het altijd de ervaring, dat niet de dreiging ender wet mijn harte braken, het gebed baarden, maar Zijne striemen.

Er is in mijn hart een geheime plek, die ik zelf niet kan vinden, waar de vinger van Jezus rust en telkens drukt. Door Zijne striemen is ons genezing geworden.

Het beste geneesmiddel tegen onze onverschilligheid, biddeloosheid en wat niet al, zijn de striemen van Jezus. O. God des hemels, als wij geen teerheid gevoelen in de tegenwoordigheid van Uw stervenden Zoon, van welk door de de hel gehard staal, moet onze ziel dan wel zijn! De doodschheid der ziel verdwijnt in de tegenwoordigheid Zijns doods.. Zie den mensch! Maar denk er om, dat geen eigen zalf mag gemeng in dit medicijn.

Door Zijne striemen is ons genezing geworden.

Wij ervaren dit als de melaatsche, als de bloedvloeiende vrouw, als de zondares, de lamme en blinde. In dit medicijn is een restaureerende kracht. Drink van de specerijen der verzoenende liefde en gij vergeet den smaad uwer ellende.

En bij dit alles, mag ik mijns Meesters macht niet beperken. Ik noemde nog vele kwalen niet, maar... door Zijne striemen is ons genezing geworden. v

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 april 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De Lijdende Knecht des Heeren

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 april 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken