Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE DOOPELING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE DOOPELING

12 minuten leestijd

Over den Doop hebben wij verschillende artikelen geschreven en het was ons daarbij te doen om beginsel en historie te laten spreken.

Thans willen wij handelen over den doopeling. Wie moeten en mogen worden gedoopt? Dit hangt af van de vraag, wat de rechtsgrond is van den doop. Daarover kan onder Protestanten geen verschil bestaan. Het genadeverbond is de rechtsgrond voor den kinderdoop.

De H. Schrift rekent de kinderen tot het verbond der genade. Daarop steunt het recht van den kinderdoop.

De geloovigen mèt hun zaad worden gerekend tot het verbond der genade. De vraag waar het dus om gaat bij den doopeling. is deze: kan het kind, dat ten doop wordt gehouden, worden gerekend tot het genadeverbond? In het algemeen kan worden gezegd, dat in de reformatie en daarna de grenzen zeer ruim werden getrokken. Calvijn gaat daarin voor. Ik laat nog in het midden of hiertegen geen bezwaren zijn .in te brengen, voorloopig geef ik alleen een historisch overzicht, opdat de lezers weten hoe de reformatie en de vaderen in het algemeen over deze vraag dachten en wat zij erop hebben geantwoord.

Gesteld, de ouders openbaren zich als ongeloovigen, leven in de wereld en in de zonde. Dan moest men nagaan, zoo was het oordeel van vele Gereformeerden, of er onder voorouders vrome menschen waren. Want, zoo redeneerden zij, de belofte Gods omvat niet alleen het zaad der geloovigen in het eerste geslacht, maar zij wordt uitgestrekt tot duizend geslachten.

Daarom behoort ook het nakroost van vrome voorouders tot het lichaam der kerk, ook al zijn de grootouders of ouders afvalligen geweest. Het blijkt dus wel, dat men zeer ruim was in de doopspraktijk. Men doopte vrijwel alles wat in het doophuis kwam. Het was • zelfs zoo, dat kinderen van hoereerders, geëxcommuniceerden, onverschilligen, openbare goddeloozen, ketters, Roomschen, enz. niet werden geweerd van den doop, wanneer de doopvaders maar beloofden, dat de kinderen door peters en meters geleerd en opgevoed zouden worden in de zuivere leer des Evangelies. Het genadeverbond liep door in de geslachten, ook al waren een of meer geslachten ontrouw.

De lezer zal hier misschien de schouders ophalen en vragen: maar... gaat deze redeneering wel op? Heb geduld en gij kunt hooren hoe werd geoordeeld, ook al zoudt gij u met de overwegingen niet kunnen vereenigen.

De bedoeling van dit artikel is niet den kinderdoop te behandelen. Dit zou een breede studie vragen.

Op de synode van Dordrecht (1578) was de vraag aan de orde: Of men allerlei menschen, kinderen als van hoereerders, afgesnedenen, papisten en andere dergelijken zonder onderscheid doopen zal? Het antwoord luidt: „Overmits de doop den kinderen, die in het verbond Gods staan, toekomt, en het gewis is, dat deze kinderen buiten het verbond niet zijn, zoo zal men ze van den doop niet weren; alzoo nochtans, dat zij op behoorlijke wijze gedoopt worden, en door dien gepresenteerd, die op de afvraging in het formulier des doops begrepen antwoorden en de leer toestaan."

De synode van Harlingen (1590) volgde het voorbeeld van Dordt. Tin evenzoo besloten de synoden van Leeuwarden en Haarlem in die jaren. (1592; 1600).

Zoo werden zelfs de kinderen gedoopt van ongedoopten. Maar dan werden getuigen geëischt, die instonden voor de opvoeding.

Over die getuigen zullen wij nog wel nader moeten spreken, want wat naar de theorie misschien te aanvaarden is, kan practisch onmogelijk zijn.

De vraag is immers: wat hebben die getuigen te zeggen over de kinderen, voor wier opvoering zij de verantwoordelijkheid op zich nemen?

Het kan niet ontkend worden, dat de vrees mede zijn invloed deed gelden, dat anders de kinderen gedoopt werden bij de Roomschen. Maar vrees is een slechte raadgeefster. Bovendien is ook te bedenken, dat de volkskerk-gedachte noopte tot een zoo ruim mogelijke doopspraktijk.

Nu is natuurlijk over deze vragen wel eens strijd gevoerd. Ik denk aan de kwestie van Ds. den Herder, die in een pennestrijd werd verwikkeld met Ds. Ridderus, de bekende schrijver van Schrif huislijk licht, enz. Ridderus verdedigde de stelling, dat, wanneer de ouders wereldsche en ongeloovige menschen waren, de kerk bij de vraag naar het recht van den doop voor de kinderen kon en moest teruggaan tot de grootouders, zoodat de kleinkinderen gerekend werden tot het zaad des verbonds. Men beriep zich daarbij o.a. op plaatsen als Jezaia 59 : 21. Maar deze text handelt zeker niet over den doop en zijne begrenzing.

Het is van belang over deze vragen ook het oordeel van Calvijn te vernemen.

In 1559 vroeg John Knox aan Calvijn of men den Doop mocht bedienen aan onechte kinderen en aan kinderen van afgodendienaars (n.1. Roomschen) en afgesnedenen door den kerkelijken ban. Calvijn antwoordde: „omdat bij het rechte gebruiken van den doop het gezag Gods moet gelden en Zijne instelling moet beslissen

wat recht is, moet men in de eerste plaats vragen, wie God met Zijne stem tot den doop roept. Nu omvat de belofte niet alleen het zaad van elk der geloovigen in het eerste geslacht, maar zij wordt ook uitgestrekt over duizend geslachten. Waardoor het ook geschied is, dat de onderbreking der vroomheid, die onder het pausdom is ingeslopen, de kracht en de uitwerking van den doop niet heeft weggenomen. Want men moet niet op den oorsprong letten; het wezen en de natuur van den doop moet uit de belofte worden afgeleid. Daarom behoort ook het nakroost van vrome ouders tot het lichaam der kerk, ook al zijn de grootouders of vaders afvalligen geweest... Overal waar de belijdenis van het christendom niet geheel en al uitgebluscht was, worden de kinderen van hun wettig recht beroofd, als zij van het gemeenschappelijk teeken worden geweerd... Intusschen is een gelofte noodig, dat geven wij toe. Niets is slechter dan in het lichaam van Christus dezulken in te lijven, van wie wij in het geheel niet hopen mogen, dat zij zijne discipelen zijn zullen. Wanneer daarom geen verwante verschijnt, om voor de kerk een belofte af te leggen, en de zorg voor de opvoeding op zich te nemen, zoo is de doopsbediening eene comedie en het sacrament ontwijd. Wanneer echter een kind gebracht wordt met rechtmatige beloften, zoo zien wij geen reden het terug te wijzen. Daarbij komt, dat thans in de zich nieuw vormende kerk, er andere verhoudingen zijn, als in een reeds zuiver gevormde en geordende kerk. Want, daar de kerk zich uit eene ontzetting weer opnieuw vergadert, zoo moet ook het bezit van den doop, waar het van lange tijden tot ons gekomen is, ook bewaard worden; in den loop des tijds moet de ingeslopen tuchteloosheid gebeterd worden en moeten de ouders genoodzaakt worden, zelf hunne kinderen ten doop aan te bieden en in de eerste linie hunne peeten te zijn."

Farel vroeg in 1553 advies over een geval, dat zich in zijne gemeente had voorgedaan. (Zie Dr. H. Bouwman, Geref. Kerkrecht II, bl. 265 v.v.).

Een vrouw, lid der kerk, had haar dochter uitgehuwelijkt aan een Roomschen man. Nu was ook de dochter Roomsch geworden. De grootmoeder bood het kind, uit dit huwelijk geboren, ten doop aan in de Gereformeerde kerk ter plaatse. Farel weigerde den doop op grond, dat het kind buiten het verbond zou staan. Zijn ambtgenoot echter merkte op, dat de grootmoeder, die wel tot de kerk behoorde, de zorg voor de opvoeding op zich wilde nemen, zoolang zij leefde. Wat was het antwoord van Calvijn?

Hij merkte op, dat het doopen van nietleden der kerk een dwaasheid is en ongeoorloofd. De getuigen moeten de macht hebben, het kind in de waarheid op te voeden. Omdat het kind buiten het gezin van de grootmoeder staat, heeft zij geen recht of macht om het kind in de leer der waarheid op te voeden. Ook moet de grootmoeder schuldbelijdenis doen, dat zij haar dochter aan een Roomschen man heeft gegeven.

Calvijn stelt dus als voorwaarde voor den doop. dat het kind tot de gemeente moet behooren en een christelijke opvoeding gewaarborgd moet zijn.

De overgroote meerderheid der Gereformeerden waren zeer ruim in hun doopspraktijk. De natie werd beschouwd als volkskerk. Dit had zijn goede, maar ook zijn kwade zijde, want daardoor was het gevaar niet uitgesloten, dat de kerk meer volk was, dan kerk. Zeker moet de kerk invloed oefenen op het volksleven, maar dat is toch iets anders dan dat zij tracht volkskerk te zijn. Maar hierover thans niet nader.

Hoe moet de kerk handelen met kinderen van menschen, die wel gedoopt, maar geen belijdenis des geloofs aflegden?

De Labadisten en anderen kwamen tegen den doop dezer kinderen op, maar de Gereformeerden letten op den aard van het verbond en meenden, dat deze kinderen wel gedoopt moesten gorden. Wel moeten de ouders dan worden opgewekt belijdenis te doen en getuigen worden geeischt. Alleen maar, het bezwaar is, dat veelal die getuigen geen zeggenschap hebben over het te doopen kind bij de opvoeding.

Vele misstanden hebben zich bij dit getuigen-stelsel voorgedaan, die wij thans stilzwijgend voorbijgaan.

De vraag hoe te handelen met de kinderen van de afgesnedenen, de geëxcommuniceerden, gaan wij voorbij, - omdat deze vraag heden alleen theoretisch belang heeft en in de praktijk onder ons niet voorkomt.

Maar hoe moet worden gehandeld met kinderen van gecensureerden? Menschen, die onder censuur staan, dus wie de toegang tot het Avondmaal is ontzegd?

Het algemeen gevoelen was, dat deze kinderen nog tot het verbond behoorden. Alleen de moeilijkheid was en is, dat die ouders zoolang zij gecensureerd zijn (beiden, wel te verstaan) hun kind niet ten doop kunnen houden. Dan moet als waarborg voor de opvoeding een getuige optreden. Is slechts één der ouders onder tucht gesteld, dan kan de andere het kind ten doop presenteeren en de doopbelofte afleggen. Want zoolang de ouders tot de gemeente behooren, is het kind zaad des verbonds.

Dit was het algemeen gevoelen. Men ging daarbij dus uit van de verbondsgedachte: ik ben uw God en de God uws zaads.

Hoe moet gehandeld worden met onwettige kinderen?

Zoowel de Gereformeerde Godgeleerden als de kerkelijke vergaderingen oordeelden, dat zij gedoopt moesten worden, doch op voorwaarde, dat de ouders berouw toonden, of dat zij door getuigen ten doop werden aangeboden.

Het ligt voor de hand, dat de kwestie van berouw aanleiding kan geven tot huichelarij en dat getuigen een vertooning kan worden, gelijk dat menigmaal het geval is geweest. De kerk mag zich toch niet tevreden stellen, wanneer vormelijk aan de goede orde wordt voldaan. Zeker, wij weten wel, dat over de echtheid van het berouw moeilijk kan worden geoordeeld en dus de kerk zich moet vergenoegen met hetgeen wordt beleden met den mond.

De Schotsche kerken dachten over deri doop van onwettige kinderen wel gelijk, maar wanneer zij door onboetvaardige ouders werden gepresenteerd, moesten zij toch niet worden gedoopt.

Het is beter, dat ook geen getuigen worden. toegelaten, zoo oordeelden zij, en gewacht wordt met den doop tot de ouders berouw toonen.

Naar dezen regel werd ook op tal van plaatsen in ons land gehandeld.

De vraag van den doop van onechte kinderen, buiten het huwelijk verwekt, hield de kerkelijke vergaderingen dikwijls bezig.

Er waren eigenlijk vier verschillende gevoelens dienaangaande:

Sommigen doopten de onechte kinderen op volkomen gelijke wijze als de andere, zonder iets anders daartoe te vereischen.

Anderen achtten het noodig, dat de kerkeraad of een predikant vooraf toestemming gaf. Weer anderen stelden den doop uit, totdat de moeder vermaand was en zij belijdenis van hare zonden, betuiging van berouw en belofte van een kuisch en eerlijk leven voor de toekomst had afgelegd. Ook waren er, die den doop Uitstelden totdat de moeder persoonlijk het kind kon presenteeren. Sommigen namen genoegen met deze enkele praesentatie, terwijl anderen bovendien eischten een openbare bestraffing van de moeder, voor de gansche gemeente, met betuiging van berouw en belofte van beterschap in het openbaar.

In sommige classen en provinciën werd aan de moeder, wanneer zij lidmate was, het avondmaal ontzegd, terwijl in menige classis het gebruikelijk was, dat na de drie doopvragen een vierde werd gesteld of zij niet betuigde voor God en de gemeente, dat haar de begane zonde van harte leed was en of zij beloofde en voornemens was, zich in de toekomst voor zulk een lichtvaardigheid en zonde te wachten.

Brutale stukjes kwamen voor. Zoo verscheen te Oudewater een moeder op de kerkeraadsvergadering met het verzoek haar zesde onechte kind te doopen. De kerkeraad was begrijpelijk verontwaardigd over haar schaamteloos gedrag en zond haar weg, zonder bestraffing, met diepe verachting. Maar het kind werd, omdat het een kind des verbonds was, als de andere kinderen der gemeente gedoopt.

Ziehier enkele richtlijnen, die werden gevolgd bij den doop van onechte kinderen. Zeker zal alle ruwheid en harteloosheid in de bestraffing en vermaning, wanneer men overtuigd is deze publiek te moeten doen, geweerd behooren te blijven. En elk geval b'ehoort op zichzelf te worden behandeld.

Zooals toen, komt ook thans het gedwongen huwelijk veelvuldig voor, in bepaalde deelen van ons land is het vrijwel gewoonte. Maar er zijn nog goddeloozer praktijken in zwang, ook in kerkelijke kringen, die niet alleen het zevende, maar ook het zesde gebod raken.

Maar laat ik dit onderwerp thans niet

nader vervolgen. Alleen wil ik nog de gevallen vermelden, die in discussie kwamen.

Kan een volwassene, die idioot of krankzinnig is, worden gedoopt?

Mogen volwassenen buiten hun toestemming en kinderen zonder toestemming hunner ouders gedoopt worden?

Hoe moet de kerk handelen met kinderen van hen, die buiten de kerk staan, heidenen, ongeloovigen, Mohammedanen, enz?

Geeft adoptie van kinderen der ongeloovigen door christenen recht op den doop?

Het getal vragen kan nog worden vermeerderd. Gevoegelijk kan ik thans deze vragen laten rusten en hiermede dit artikel besluiten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 mei 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DE DOOPELING

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 mei 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken