Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GÉÉN ZIELESLAAP

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GÉÉN ZIELESLAAP

11 minuten leestijd

Wat verstaat men onder zieleslaap? Hiermede bedoelt men, dat de ziel van een afgestorvene in een staat van bewusteloosheid wegzinkt. Uit dien staat verrijst zij pas bij de opstanding der dooden, dus ten jongsten dage. Johannes Damascenus was de eerste, die van voorstanders van dit gevoelen melding maakt. Volgens hem zijn zij reeds door Origenes bestreden. Vooral in Arabië schijnt de leer der psychopannuchia (zieleslaap) ingang te hebben gevonden en vandaar is zij in Europa geïmporteerd. In de He eeuw werd deze leer door de Universiteit van Parijs en door Benedictus XII veroordeeld. Door toedoen van enkele Wederdoopers kwam ze tijdens de Reformatie weer op. Calvijn heeft zich verplicht geacht deze ketterij te bestrijden. Zijn eerste theologische studie was aan de weerlegging van deze dwaling gewijd. Naast vele andere dwalingen was namelijk uit het midden van de Wederdoopers ook de bewering uitgesproken, dat de ziel des menschen sterft met zijn lichaam, althans verzinkt in een diepen slaap, een toestand van bewusteloosheid, waaraan pas met de opstanding een einde komt. Deze ketterij vond bij veel meer menschen, dan men denken zou, bijval. Ik hoopte, zoo merkt Calvijn op, dat deze dwaasheid na eenigen tijd weer opgegeven zou worden, maar het bleek, dat zij hardnekkig bleef voortwoekeren. (Dit werk tegen de leer van de zieleslaap is opgenomen in het Corpus Reformatorum T.V. c. 176—232).

Het valt in dit geschrift op, dat Calvijn zuiver bijbelsch zijn tegenstanders ontmoet en het Schriftbewijs is het een en al. Maar dan staat men verbaasd, hoe hij dus reeds in 1534 een Schriftkennis bezat, die ontzagwekkend moet heeten. Later zullen wij wel de gelegenheid hebben, als wij het bijbelsch beeld der persoonlijke onsterfelijkheid gaan behandelen, Calvijn aan te halen. Dit tractaat heeft ons opnieuw getroffen om zijn zuiveren bijbelschen inhoud en groote scherpzinnigheid. Ook is merkwaardig, dat niet de Roomsche dwalingen zijn eerste pennevrucht deden ontstaan, maar het sectewezen hem naar de pen deed grijpen, op dringend verzoek trouwens van velen, die hem daartoe de aangewezen man vonden. Wonderbare helderheid van gedachten, ordening der gegevens, de scherpte van zijn uiteenzettingen, treffen ons telkens weer. Ook daarin blijft hij de grootste theoloog zijner eeuw niet alleen, maar aller eeuwen tot heden. Dikwijls moet ik mij b.v. ergeren aan de duisterheid van Karl Barth, aan de in wezen wijsgeerige achtergrond zijner theologie en ongenietbare breedsprakigheid. Dat vergalt het lezen reeds en zou zelfs het goede, dat Barth heeft, doen voorbijzien. (Vgl. Johannes Calvin: Leben und ausgewahlte Schriften, von Dr. L. Stahelin, ' Bnd I. S. 36-40).

Luther sprak soms van den tusschentoestand der vromen als van een slaap, waarin zij rustig en stil de toekomst des Heeren verbeiden. (Aldus Dr. Honig in: Gereformeerde Dogmatiek, bl. 790).

De latere Lutherschen zijn hem hierin echter niet nagevolgd. Integendeel, zij stelden in den grond der zaak, dat de vromen bij hun dood reeds de volle zaligheid en de goddeloozen het volle verderf beerven.

Later verhief de dwaalleer van den zieleslaap zich weer bij de Socinianen, bij sommige Remonstranten en de Irvingianen, benevens andere secten tot heden. Calvijn heeft in zijn tractaat zoowel den zieleslaap als de leer van de vernietiging van de ziel bij den dood, behandeld en weerlegd op schriftuurlijke gronden.

Thans bepalen wij ons tot den zieleslaap.

Deze leer is onhoudbaar, op allerlei gronden. En dan wel op gronden aan de Schrift ontleend. De Schrift weet niets van zulk een slaap der ziel na den dood. Integendeel wijst zij ons gedurig op het bewust voortbestaan na dit leven. Denk maar, om daarmee te beginnen, aan hetgeen de Heere Christus heeft geleerd in de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus. Van den rijken man wordt gezegd: en als hij zijne oogen ophief in de hel, zijnde in de pijn. Van Lazarus wordt getuigd: Nu wordt hij vertroost, integendeel met den rijken man, die smarten lijdt.

Verder verwijzen wij in dit verband slechts naar Ps. 73 : 23, 24; Luc. 23 : 43; 2 Cor. 5:1; Fil. 1 : 23; 2 Tim. 4:7, 8; Hand. 7 : 59 e.a.

Thans zullen wij deze texten nog niet nader bespreken, dit willen wij doen wanneer wij zeer bepaald het schriftuurlijke beeld der persoonlijke onsterfelijkheid hopen te behandelen. Dan komen trouwens nog veel meer texten aan de orde.

Nu willen wij luisteren naar de argumenten, die aangevoerd worden voor de leer van den zieleslaap.

Het zijn vooral drie argumenten, die aangevoerd worden om hem te verdedigen. Men beroept zich op het feit, dat de ziel bij haar ontstaan geen kennis medebrengt en dat in de ziel dan eerst gewaarwordingen ontstaan als onze zintuigen door de buitenwereld prikkels ontvangen, die naar de hersenen worden overgebracht via het zenuwstelsel. Dus, men legt nadruk hierop, dat de mensch lichamelijk gebonden is in zijn denken. Na het sterven, zoo zegt men dan, is hiervan geen sprake meer en derhalve... moet de ziel in een bewusteloozen toestand verkeeren, in slaap verzonken zijn. Dit is natuurlijk geen schriftuurlijk argument, maar ontleend aan een wijsgeerig-psychologische opvatting. Cartesius leerde, dat het denken primair is en maakt zoo den overgang tot het zijn. Het is natuurlijk een "feit, dat onze ziel afhankelijk is van ons lichaam in dit leven in hare functies. Maar daarmee is niets gezegd over de vraag of dit na de scheiding van ziel en lichaam ook zoo moet zijn. Evenmin kan bewezen worden, dat het zieleleven van den mensch zijn oorsprong vindt in de materieele verschijnselen, in de stof. Bovendien moet er ook op worden gewezen dat denken en kennen functies der ziel zijn, zóodat het oor niet hoort en het oog niet ziet, maar ik zie en ik hoor. Denken en willen behoeven niet gebonden te zijn aan een stoffelijke substantie, al is het waar, dat in dit leven inderdaad bij den mensch beide met het stoffelijk organisme samenhangen. Dat is juist bij den mensch het geval, omdat deze geschapen is lichaam en ziel, saamgesmeed in het vuur der goddelijke almacht tot een menschelijke persoonlijkheid.

Het sterven van den mensch stelt ons inderdaad voor een scheiding, voor een incompleten mensch. De scheiding van ziel en lichaam is alszoodanig niet normaal en daarom leeren wij ook, dat de zaligheid der ziel en de rampzaligheid een voorloopig — incompleet — karakter dragen na den dood tot de opstanding. Maar er is geen bewijs te leveren, dat na de scheiding van ziel en lichaam de ziel noodwendig zonder kennis en bewustzijn moet zijn.

Het antwoord op deze vraag wordt niet beheerscht door hetgeen in dit leven geldt, maar hierdoor hoe God het stelt na die scheiding.

En dan is het niet twijfelachtig, dat de Schrift wel degelijk spreekt van kennen en bewustzijn na dit leven, als de eeuwigheid zich ontsluit.

Wat wij wel kunnen zeggen, is dit. Wij zijn niet bij machte ons in te denken hoe dit denken zal zijn en dit bewustzijn zal functioneeren. Als wij daarover denken, doen wij dat immers met een bewustzijnsleven, dat lichamelijk gebonden is.

Stel eens, een kind van God verliest zich als het ware in de zalige overpeinzing van het eeuwige leven, acht het sterven gewin, smaakt de beginselen der eeuwige vreugde. En denk u in, dat zoo iemand plotseling een slag op het hoofd krijgt, zoodat bewusteloosheid intreedt, gaat dan zijn denken door over die eeuwige vreugde, of knoopt hij aan als hij bijkomt aan het punt, waar hij zijn bewustzijn verloor? Het laatste is het geval. Of denk maar aan het gebracht worden in narcose bij een operatie. Dan verdwijnt ons bewustzijn, zelfs zóó, dat van gevoel van pijn geen sprake is. En wanneer wij dan inslapen als in Gods Vaderarmen, en bijkomen, dan is dat weer het eerste wat in onze herinnering treedt of vragen waarmee wij insliepen.

Het komt dus hierop neer, dat een daad Gods noodig is, zelfs een bijzondere daad Gods bij den mensch, die een eenheid van ziel en lichaam vormt, om de ziel gescheiden van het lichaam te doen denken en willen.

De persoonlijke onsterfelijkheid vraagt dus om een bijzondere onderhoudende en formeerende daad Gods. Dit moeten wij wel verstaan. Daarom meenen wij niet, dat het zoo vanzelfsprekend is, dat de ziel na de scheiding van het lichaam denkt, zich van zichzelf bewust is. Hierop is wel eens te weinig nadruk gelegd, te weinig aandacht aan geschonken. De engelen zijn bewuste wezens, geesten, die denken en willen zonder lichaam, dat is naar den aard dier schepselen.

Het ligt niet op onzen weg hier verder zielkundige beschouwingen te geven, ook van den jongsten tijd en de vraag in ge-

ding te brengen of van zielewerkzaamheden sprake is, die buiten het lichaam omgaan.

De zieleslaap-voorstanders zeggen verder, dat zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament van het sterven gesproken wordt als een slaap, een inslapen (Deut. 31:16; Jer. 51:39; Jez. 57:2; Matth. 9 : 24; 1 Thess. 4 : 13—15). Maar. als de Schrift spreekt van den slaap des doods, slapen en ontslapen, dan wordt daarmede niet gezegd, dat de ziel slaapt na den dood, doch dat met het sterven de mensch ten opzichte van deze wereld is als iemand die slaapt, die geen contact meer heeft met hetgeen hier beneden geschiedt.

Sterven, ontbonden worden, verzameld worden tot zijne volken, dezen tabernakel afleggen, ontslapen, met deze en andere uitdrukkingen noemt de Schrift het sterven. Lazarus onze vriend slaapt, zegt Jezus. En Paulus schrijft aan de gemeente te Corinthe: sommigen van hen leven nog, anderen zijn ontslapen (1 Cor. 15).

Aan dit woord ontslapen wordt de gedachte vastgeknoopt van ontwaken in de opstanding. Augustinus zei: aarom worden ze slapenden genoemd, dan omdat zij op hun dag opgewekt zullen worden? En Paulus schrijft: ntwaak, gij die slaapt en sta op uit de dooden. De geestelijke dood wordt dan een slaap geheeten, gevat onder een beeld, maar niemand zal toch willen beweren, dat de geestelijk doode bewusteloos is, niet kan denken of willen. De slaap heft de werkzaamheden des lichaams ten deele op. Van Christus wordt gezegd, dat Hij den geest gaf, dat Hij was gestorven; van Stephanus, dat hij ontsliep. De mensch ligt neder, spreekt Job, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken. Het woord slapen voor sterven wijst dus in het bijzonder op de hope der opstanding, niet op bewusteloosheid der ziel. De heidenen mogen op de graven zetten: laap den eeuwigen slaap. De dooden worden beweend. Want waaruit komt het, dat de ongeloovigen geen einde en geen mate houden in het beweenen, dan omdat zij geen hoop der wederopstanding hebben. Zoo dan wij, die van de wederopstanding onderwezen zijn, betaamt het niet dan matigen rouw te dragen (Calv. op 1 Thess. 4 : 13). Zoo zal dan der godzaligen droefheid vermengd zijn met vertroosting, die hen tot lijdzaamheid zal onderwijzen. Dit zal geschieden door de hope der zalige onsterfelijkheid, welke eene moeder der lijdzaamheid is."

De kerkhoven werden van ouds slaapplaatsen geheeten door de christenen. Het zal dus wel duidelijk zijn, dat de gegevens der Schrift geen bewijs leveren voor een zieleslaap na den dood, maar voor het rusten in het graf tot den dag der opstanding.

Ten slotte wordt opgemerkt, dat zij, die ui den dood zijn opgestaan en tijdelijk hier op aarde terugkeerden in het leven, ons niets hebben meegedeeld aangaande hun toestand na het sterven en hun opwekking uit den dood. Maar het zwijgen der Schrift hierover zegt ons niet, dat zij er niets van gezegd hebben. Alleen, dat de Heere het niet noodig heeft geacht er iets van mee te deelen. Wellicht is het ook niet mogelijk. In die richting zou het woord van Paulus kunnen wijzen als hij zegt bij zijn optrekking „woorden te hebben gehoord, die het een mensch niet geoorloofd zijn uit te spreken". Welke een mensch niet mag gebruiken, staat er eigenlijk. De woorden zijn onuitsprekelijk, ze zijn een geheim voor deze bedeeling.

Hoe aan gindsche zijde des grafs de bewustzijnsvorm wezen zal, is ons onbekend, gelijk we reeds opmerkten. Maar wel weten wij, dat in die bewustzijnsvorm de herinnering aan het leven hier op aarde blijft. Meer kan er niet van worden gezegd. Onze ziel is ook in den slaap werkzaam en er komen herinneringen in op, die niet het gevolg zijn van invloeden van buiten.

Het leven na den dood mogen wij dus op grond van de Schrift als bewust voorstellen, al ontgaat ons den aard dezer be-

wustheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 1 June 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

GÉÉN ZIELESLAAP

Bekijk de hele uitgave van Saturday 1 June 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken