Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Catechismus-verklaring

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Catechismus-verklaring

14 minuten leestijd

Lil

Zondag 8 vraag 24-25

HET ANDERE DEEL Van des menschen verlossing.

Hebben wij gehandeld over de gegevens van het Oude Testament voor de leer der goddelijke drieëenheid, thans willen wij stil staan bij het Nieuwe Testament, dat ons in voortgaande klaarheid openbaart, dat God één is in Wezen, drie in Personen.

Bij de schepping van hemel en aarde, zoo zagen wij reeds, is sprake van de drie Personen, niet anders is dit in het Nieuwe Testament. Tevens hebben wij erop gewezen, dat de gegevens van de goddelijke drieëenheid vooral verweven zijn met de verlossing. Bij de Vleeschwording des Woords valt ons deze drieheid aanstonds op.

Lees Lucas 1 : 28—35. Daar wordt onderscheiden tusschen den Allerhoogste (de Vader). De Zoon des Allerhoogsten, of Gods Zoon en de Heilige Geest. In vers 30 wordt dan gesproken over het ééne Wezen: ij hebt genade gevonden bij God.

Een klare onderscheiding derhalve van de drie Personen in het goddelijk Wezen. Joh. 14 : 16. En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid. De Zoon spreekt van den Vader en den Heiligen Geest als Personen. Zeker kon niemand met meer kennis van zaken spreken over deze verborgenheid dan de Heere Christus, die bij den Vader was eer de wereld was. En Hij heeft Zijne discipelen onderwezen in de waarheid en beloofd, dat de Heilige Geest in al de waarheid leiden zou. Zoo hebben wij in het onderwijs der apostelen leering des Geestes, ock als zij spreken over de drie Personen en het ééne Wezen Gods.

Steeds wordt vooral gewezen op Matth. 3 : 16, 17 en Matth. 28 : 19.

Bij den doop van Jezus geschiedde een stem uit den hemel. Zij was de stem des Vaders. Hij sprak: deze is mijn Zoon. Jezus Zelf werd gedoopt en Hij kende zich als de eeniggeboren Zoon des Vaders, gekomen in het vleesch. En de Heilige Geest daalde neder op Hem en bleef op Hem. Wij hebben in dezen text niet slechts te doen met een openbaringstriniteit, maar met openbaring van de wezens-drie-éénheid.

In de brieven leiden de apostelen alle heil af van deze drie Personen: den Vader. den Zoon en den Heiligen Geest. Tevens leeren zij uitdrukkelijk, dat er maar één God is. Zij noemen dus het woord drieëenheid niet, maar leeren wel de zaak.

Wij denken hier in het bijzonder aan texten als 1 Cor. 12:4—6 en 2 Cor. 13 : 13. De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde Öbds, en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen.

Daarnaast herinneren wij aan 1 Petrus 1 : 2 en Openb. 1 : 4, 5.

Den uitverkorenen, naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus: genade en vrede zij u vermenigvuldigd.

En Openb. 1:4, 5. Genade zij u en vrede van Hem, die is en die was, en die komen zal; en van de zeven Geesten, die voor den troon zijn; en van Jezus Christus, die de getrouwe getuige is, de eerstgeborene uit de dooden en de Overste van de koningen der aarde.

Hier hebben wij evenals in 2 Corinthe 13 : 13 niet de gewone volgorde. De Heilige Geest wordt vóór den Zoon genoemd. Dit wijst zeker op de eenheid van het Wezen Gods. De drie Personen komen niet na elkaar, zijn geen phasen in de openbaring van Gods Wezen, maar gelijkeeuwig.

Ook noemlen wij 1 Joh. 5 : 7: ant drie zijn er, die getuigen in den hemel: e Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. Deze text wordt genoemd: et comma Johanneum. Op de vragen hiermee samenhangend behoeven wij hier niet in te gaan. En deze drie zijn één. Wij letten erop dat er staat één (onzijdig) dus niet één Persoon maar één Wezen. Eén in werking, één in getuigenis mitsdien.

De Geest is dus ook God en daarom is Hij de waarheid en moet zijn getuigenis tegenover alle aardsche getuigenis •het getuigenis heeten.

De geschiedenis van dit leerstuk gaan wij stilzwijgend voorbij, hoe belangrijk ook. Vele waren en zijn de richtingen, die de drieëenheid verwerpen. Denk maar aan de oude Arianen, de Socinianen, ten tijde der hervorming en later, het modernisme van verleden en heden. Ten deele verwierpen ook de Arminianen, het Remonstrantisme yan vroeger en later tijd de wezens-drieëenheid. En wel op dit punt, dat zij den Zoon en den Heiligen Geest ondergeschikt maken aan den Vader (het subordinatianisme van Origenes en Tertullianus). De dwaling van de Arminianen was echter veel ernstiger dan van Origenes, omdat deze nog leefde in de worsteling der Kerk om tot klaarheid te komen inzake de leer der Schrift over de eenheid van het Wezen Gods en de drie Personen in dat Wezen. Maar na Origenes kwam Athanasius en de belijdenis der Kerk waarin de subordinatiegedachte overwonnen was.

De drie Personen, zoo leert de christelijke Kerk, zijn onderscheiden door hun personeele eigenschappen. Het is dus niet zóó, dat de drie Personen eigenlijk dezelfde zijn, zoo als vele Wederdoopers leerden.

Maar op dit alles kunnen wij hier niet nader ingaan, evenmin op de voorstellingen van Hegel, Schleiermacher, Barth, Brunner, enz.

Dit zou een uitvoerige behandeling vragen en bovendien het bezwaar opleveren, dat het voor de vele eenvoudige lezers niet te volgen was.

Wij blijven bij artikel 8 van onze Belijdenis, dat wij de vorige maal lieten afdrukken, waarin bondig en schriftuurlijk dit groote heilgeheim wordt beleden. Wel moeten wij onze aandacht schenken aan de onderscheiding:

Wezens-(ontologische) en oeconomische (huishoudelijke) Drieëenheid.

Laten wij trachten vanuit de Schrift hierop licht te laten vallen. Wij belijden, dat er maar één goddelijk Wezen is. Hoor Israël, de Heere onze God is een eenig Heere (Deut. 6:4). Wat verstaan wij nu onder dit woord Wezen? Ons wezen is onze natuur. Petrus spreekt van: er goddelijke natuur deelachtig worden (2 Petr. 1:4). Deze goddelijke natuur nu is aan de drie Personen gemeen en zij bezit al die eigenschappen en namen, die wij behandeld hebben.

Van deze natuur, van dit Wezen, bestaat er slechts één. De Zoon en de Heilige Geest zijn één en hetzelfde Wezen als de Vader. Daarom spreken wij niet van gelijk-wezenheid maar van eens-wezenheid der drie Personen. Dit eene Wezen nu bestaat drie-persoonlijk. Eene verborgenheid, zeer zeker, maar daarom niet minder waar en beleden en gekend in en door het geloof. Het ééne Wezen is dus niet in drieën gedeeld, zoodat elk der drie Personen een derde van dit Wezen zou bezitten en toch verbonden in dat ééne Wezen. Neen, van deeling in het goddelijke Wezen is geen sprake. Het goddelijke wezen is aan elk der drie Personen geheel gemeen.

Achter het Wezen Gods van eiken Persoon is niet nog een Wezen Gods als grond. Het woord Persoon of zelfstandigheid, met wil en verstand, wijst er ons dus op, dat in het goddelijke Wezen geen splitsing is van één in drie, maar dat God drie-persoonlijk bestaat en leeft. De drie Personen, zijn de drie bestaanswijzen van het eene goddelijke Wezen. De Schrift zegt nooit, dat de Vader vleesch werd of dat de Zoon den Vader heeft gezonden of dat de Heilige Geest den Vader heeft uitgestort. Deze drieheid der Personen in de éénswezenheid stelt vaste betrekkingen tusschen de drie Personen niet alleen, maar onderscheidt ze ook; laat ze niet ineenvloeien nog verwisselen. Het onderscheid tusschen de drie Personen komt uit in het volgende: In de persoonlijke eigenschappen waarin zij onderscheiden zijn. In de orde van bestaan. De Vader kan in zekeren zin de eerste worden genoemd van de drie Personen, de fontein des goddelijken levens. Maar dan zóó, dat de Zoon en de Heilige Geest eeuwig deel hebben aan dat leven uit die Fontein. De Zoon ontvangt, door wat de Schrift noemt, generatie, van den Vader door eene eeuwige mededeeling het goddelijke Wezen. En de Heilige Geest gaat uit van den Vader en den Zoon.

Het Vader, Zoon en Heilige Geest-zijn, zijn de bestaansvormen van het eene goddelijke Wezen. Hebben wij het nu begrepen? Neen, volstrekt niet, maar wij hebben beleden wat de Schrift leert en daar-

op komt het toch aan. Hoe ondoorgrondelijk dit alles is, omdat de Heere zich aldus openbaart in Zijn Woord, zijn wij gehouden alzoóó te belijden. En gelijk de Kerk der eeuwen hierin zaligen troost vond, zoo moet het blijven.

Krachtens de orde van bestaan kan nu de Vader de eerste, de Zoon de tweede en de Heilige Geest de derde Persoon in het goddelijke Wezen worden genoemd.

Verder zijn de Personen onderscheiden in de wijze van werken.

Deze is in overeenstemming met de orde van bestaan.

De Vader werkt door den Zoon in den Heiligen Geest.

Ten slotte zijn zij onderscheiden in hunne namen: Vader, Zoon en Heilige Geest.

De belijdenis van Athanasius zegt: „En in deze drieheid is niets eerst noch laatst (want de drie Personen zijn gelijkelijk eeuwig) niets meest noch minst (wat hun wezen of natuur betreft) maar de gansche drie Personen hebben gelijke eeuwigheid en zijn elkander alleszins gelijk."

Laten we nu overdenken wat de Schrift leert van de:

Personeele of persoonlijke eigenschappen.

In de eerste plaats spreken wij van het Vaderschap van deneersten Persoon. Dit komt alleen Hem toe; dat is zijn personeele eigenschap. De eerste Persoon is dus niet gegenereerd gelijk de tweede en gaat niet uit als de derde.

Maar wat verstaan wij nu, op grond van de Schrift, onder dit Vaderschap van den eersten Persoon? Met opzet spreken wij nu niet over het feit dat de naam Vader ook gegeven wordt aan het Wezen Gods met betrekking tot de schepselen. (Zooals in het onze Vader; God drieeenig is Vader.) Hier handelen wij over het vaderschap van den eersten Persoon, als aanwijzing van zijn personeele eigenschap, die aan de beide andere Personen niet toekomt.

Dit vaderschap is het oorspronkelijke en volmaakte, het volle vaderschap. Bij ons menschen. is het vaderschap afgeleid en ten deele. Let maar op het volgende en het is u duidelijk wat wij bedoelen. Om vader te kunnen zijn moet men eerst zoon zijn. Vader-zoon-vader, enz. Er is meer. Tot het voortbrengen van een kind is ook een moeder noodig. Vader-zoon komt alleen tot stand door moeder-kind.

Het vader-zijn is niet per sé verbonden aan het mensch zijn. Daarbij komt, dat wij bij ons menschenkinderen staan voor de tweeheid der geslachten.

Het vaderschap eindigt met den dood niet alleen, maar het vaderschap staat tegenover een zoon met een eigen wezen los van den vader, ook al blijft de betrekking vader-zoon. Het zijn twee wezens. Verder kan een vader meer zonen hebben, en dan nog zijn de mogelijkheden niet uitgeput in de zonen, die er zijn.

Welnu, als wij daarop letten, gevoelen wij het groote verschil tusschen ons vader-zijn en dat van den eersten Persoon. Hij is louter Vader, totaal Vader, anders Vader. Vader van natuur, Vader van eeuwigheid tot eeuwigheid. In den Heere onzen God is het vaderschap oorspronkelijk (archetypisch). Bij ons menschen afgeleid (ectypisch) schepselmatig en eindig. beperkt tevens.

De eerste Persoon deelt zijn gansche Wezen mede in de generatie van Zijn Zoon. Hij is nooit zonder dien Zoon en nooit zonder die genereerende daad. Door die generatie komt de Zoon niet buiten het Wezen des Vaders, maar is eenswezens met Hem. Diepe verborgenheid, heilgeheim, met ootmoed te belijden, aanbiddend te gelooven.

De Vader spreekt in den Zoon zijn gansche Wezen uit en geeft Hem het leven te hebben in zichzelven. Dit genereeren nu mag niet worden gelijkgesteld met de scheppende werkzaamheid des Vaders, maar is gansch eenig en eeuwig. De schepping is bepaald door Gods wil en besluit, de generatie niet, gelijk wij reeds opmerkten. Zij is zeker niet een onbewust, noch minder ongewilde overvloeiing van het Wezen, doch geen wilsdaad, die ook nagelaten kon worden. Zij is eigenschap van den eersten Persoon. Daarom spreken wij ook van de eeuwige-generatie-des-Zoons. De Vader was nooit zonder Zoon, want dan ware Hij geen eeuwig-Vader.

Met ontzag belijden wij dat in het eeuwig-heden-Gods, de Zoon eeuwig gegenereerd wordt en is. Meer kunnen wij er niet van zeggen.

De Schrift leert ons dit Vaderschap van den eersten Persoon in het goddelijke Wezen sober maar klaar, en onwedersprekelijk. Het is dus niet aan de vrijheid van den mensch dit te gelooven of te verwerpen. Integendeel, onderwerping aan Gods Woord, brengt den eisch mee, schriftuurlijk dit Vaderschap te belijden tot verheerlijking Gods.

Wijzen wij op enkele schriftuurplaatsen. Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. (Ps. 2:7.) Met opzet wordt het grondwoord weergegeven door genereeren, om het onderscheid met het verwekken van een kind te doen uitkomen. Wij moeten ons verheugen in deze verborgenheid, maar niet trachten dit heiligdom binnen te dringen om nieuwsgierige blikken te slaan in de heilgeheimenissen van den eeuwigen God.

Geen ijdele bespiegelingen zijn toelaatbaar.

Halen wij ook nog aan Matth. 11 : 27 en Joh. 5 : 26. Alle dingen zijn Mij overgegeven van den Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon en dien het de Zoon wil openbaren.

Het Vaderschap van den eersten Persoon wordt ons hier geleerd door den tweeden Persoon, de Zone Gods, zooals Hij in het vleesch verscheen.

Hij wijst op de geheel eenige verhouding waarin Hij staat tot den Vader. Met alle dingen zijn hier zeker allereerst bedoeld, in verband met het voorafgaande, alle kennis aangaande God en den weg der verlossing. Verder alle macht, de beschikking over alle dingen, zoowel over de vergeving der zonden als over de natuur.

Wij wezen daar reeds eerder op. Hier moet de text nogmaals ter sprake komen

om het Vaderschap van den eersten Persoon, de Vader, toe te Kchten uit den mond van Hem, die bij den Vader was eer de wereld was, die van eeuwigheid Zijne vermakingen had met de menschenkinderen. Achter de ambtelijke verhouding. die Jezus in de woorden alle dingen zijn mij overgegeven van den Vader, laat Hij ons blikken in de verhouding, die hierachter ligt. Zijn wezensgelijkheid, liever zijn eenswezenheid met den Vader.

Wij handelen immers nog over de ontologische of wezens-drie-eenheid.

Jezus weet zich in geheel eenigen zin Zoon des Vaders. De verhouding is gansch eenig en exclusief. Niemand kent den Zoon dan de Vader en niemand kent den Vader dan de Zoon. Het inzicht in het ware wezen van den Zoon is eene verborgenheid, vanwege het bovenmenschelijke en het boventijdelijke bestaan van den Zoon. Jezus spreekt niet van Mij, maar van den Zoon om te laten utkomen, dat achter de historische verschijning van den mensch Jezus ligt zijn Zoons-verhouding tot den Vader, die slechts door den Vader wordt gekend. Eveneens is men voor de kennis van den Vader geheel aangewezen op de kennis van den Zoon van dien Vader. De Zoon kent den Vader als Vader op onvergelijkelijke wijze. Menschen kunnen van deze verhoudingen alleen iets te weten komen door openbaring. Niemand kan dus den Zoon verstaan dan wien het gegeven wordt door verkiezende genade. En wie den Zoon niet verstaat, voor dien is God de Vader ook geheel en al verborgen. De geopenbaarde kennis van Vader en Zoon te verstaan door het geloof is het heilgeheim der kinderkens. Want gelijk de Vader het leven heeft in zichzelven, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven (Joh. 5:26).

Ook dezen text hebben wij in een ander verband reeds toegelicht, zoodat wij er nu kort over kunnen zijn. De Vader heeft het leven in zichzelven, Hij is van zichzelven en dankt zijn bestaan niet aan een ander. De Vader deelt zijn leven mee aan den Zoon zonder het zelf te verliezen of te deelen en de Zoon heeft het leven in zichzelven door schenking des Vaders. Dit is dus de eenswezenheid van Vader en Zoon. Deze wondere verhouding noemt de Schrift met het woord generatie.

In overeenstemming met deze bestaanswijze is nu ook het werken des Vaders. Hij is als Vader in alles de eerste, van Hem gaat alle begin uit. Hem wordt eere toegebracht als de Oorsprong aller dingen en tot Hem keeren alle dingen terug. Hem zij met den Zoon en den Heiligen Geest eere, lof en aanbidding in eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 september 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Catechismus-verklaring

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 14 september 1946

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken