Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

BEDE OM BEWARING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

BEDE OM BEWARING

18 minuten leestijd

2

Psalm 17 vers 8: Bewaar mij als het zwart des verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen. oogappels.

Bewaring, daarom bad de man naar Gods hart. Hij bad daarom met zijn gansche hart, en het diepst van zijn wezen. Want hij wist zich zwak en zonder kracht. Zijn wij ih die gestalte des harten het nieuwe jaar begonnen? De dagen, die zijn voorbijgesneld sedert het middernachtelijk uur van 31 December 1946, toen dit jaar overglèed in het jaar onzes Heeren 1947? Die bewaring is zoo noodzakelijk, eiken dag opnieuw. "Het is daartoe noodig, dat wij ons onbeschut weten en van alle zijden omringd door belagers en strikkenleggers, terwijl ons eigen hart een verrader herbergt, die het steeds met de vijanden houdt onzer ziel. Bewaar mij als het zwart des oogappels. Dan zijn onze oogen helder en gericht op Jezus, den oversten leidsman en voleinder des geloofs. Vaak zijn wij als die man, wien aanvankelijk de oogen geopend waren, door een wonderdaad van den Heere Jezus. Hij zag de menschen als boomen wandelen. Dan weer zijn wij kortzichtig en zien de helft niet van hetgeen te zien is. Alleen het kleine omtrekje, vlak bij ons oog, wordt waargenomen. Als we zelf onze beschermers zijn, dan hebben wij gewoonlijk de hand voor de oogen, zoodat wij zoo goed als niets zien. Als een paard met oogkleppen kunnen we niet rondkijken en zijn schichtig en schuw als een bijzonder geluid van terzijde tot ons doordringt of iets ons voorbijgaat.

Maar door den Heere bewaard als het . zwart des oogappels, hebben we de oogen des geloofs vrij om uit te kijken en rond te zien, zonder» schrik, want wij zijn en weten ons bewaard. Uitzien over bergen in diep blauwe luchten, ons verlustigen in de werken des Heeren, die zeer groot zijn, kan alléén, als wij ons bewaard weten als de appel van het oog. Ja, dan mogen wij bij het licht van Gods openbaring in het Woord inblikken in de verborgenheden des heils. Dan valt het licht van de Zonne der gerechtigheid over ons leven en het leven der schepping, terwijl de-Heilige Geest onze oogen verlicht. De dampkring is gezuiverd, de mist opgetrokken, niet bezwaard door 4e zorgen van eiken dag, mogen wij weten, dat de Heere ons bewaart voor de erfenis der heiligen in het licht. Zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, niemand zal hen uit mijne hand rukken.

Door den Heere bewaard is wel bewaard. Wie voor eigen bescherming moet zorgen, heeft het niet best en lijdt nederlaag op nederlaag, maar wie bewaard wordt en zoo zich laat bewaren in het geloof, door overgave des harten, door den Heere kan zich vrij bewegen, vreest de vijanden niet, omdat hij den Heere vreest.

Ja, bij oogenblikken mogen wij dan zien tot in de heerlijkheid. Wij zijn niet waard bewaard te worden, maar genade vraagt na eenmaal niet naar verdiensten van en in het schepsel, doch genade rekent met de verdiensten van Christus. Genade schendt het recht niet.

Doch, dan zullen wij ook genade moeten kennen in ons leven en genade aanvaarden, anders geldt ons: waartoe beslaat gij ook onnuttelijk de aarde. Zal de lankmoedigheid Gods ons ook nog dit jaar sparen, zal de Heere nog mest om den boom laten leggen en opnieuw naar vruchten uitzien aan den boom onzes levens? Of zal Hij dit jaar zeggen: houw dezen boom uit! Het laatste zou verdiend zijn, wanneer ge u blijft verzetten tegen de genade, en de bewaring des Heeren alleen begeert om zelf te k%nnen regeeren en uw eigen leven te leiden.

Het licht onzer oogen kan snel worden gebluscht, de Heere kan spreken: keer weder, gij menschenkind, tot verbrijzeling! En dan, mijn lezer? Dit jaar? Leven wij bij dagen, van dag tot dag, . ons opdragende aan de bewaring des Heeren. Bewaar mij als het zwart des oogappels.

Deze bede moge dagelijks worden opgezonden bij het ontwaken en het ter ruste gaan, op het midden van den dag en tusschentijds. Zalig, wie biddende leeft, in het besef onzer diepe afhankelijkheid van dien God, in wiens hand onze adem is en bij wien al onze paden zijn. Ach, waren wij ons meer bewust dat elke ademtocht en elke polsslag daad zijner genade is.

Verberg mij onder de schaduw uwer vleugelen.

De dichter gaat over tot een heel ander beeld. Het beeld van vleugelen en verberging onder die vleugelen. Is dit beeld niet te gewaagd? Hoe kan David zoo spreken over den Heere? Wel, omdat de Heere zelf zich aldus heeft geopenbaard. David leefde uit de openbaring des Heeren en hij wist dus, dat dit beeld door zijn Bewaarder zelf is gegeven en daarom mag hij het ook hier gebruiken en aanspraak maken op de bescherming, die aldus is omschreven. Denk aan hetgeen de Heere verklaarde in Deuteronomium 32: Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken, zoo leidde hem de Heere alléén en er was geen vreemd God met Hem.

Wij denken ook aan het woord van den Heere Jezus bij het naderen van Jerur.a» lem. Hoe dikwijls heb Ik u willen bijeenvergaderen, gelijk een henne hare kiekens bijeenvergadert... doch gijlieden hebt niet gewild.

De Schrift spreekt van vleugelen en van schaduw. Van de schaduw van een boom, van een rotssteen, van een berg, van een wolk, van den avond en van de hand.

Vleugelen ter bescherming. Hoor den dichter van psalm 36 getuigen: Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen.

Dezelfde gedachte vindt gij in psalm 57: Wees mij genadig, o God! wees mij genadig, want mijne ziel betrouwt op U; en ik neem mijne toevlucht onder de schaduw uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen zijn voorbijgegaan.

Daar spreekt David in het geloof van zijn toevlucht nemen onder die vleugelen, ten tijde van gevaar en benauwenis, terwijl Hij roept om genade en ontferming.

En in psalm 63 gewaagt hij van de hulpe des Heeren en zijn voornemen om onder zijne vleugelen toevlucht te nemen. Want Gij zijt mij eene hulpe geweest, en in de schaduw uwer vleugelen zal ik vroolijk zingen. Hij weet, dat onder die vleugelen niet alleen verberging is, maar ook de plaats van vreugde en blijdschap.

Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Aldus spreekt de dichter in Psalm 91.

Wat moeten wij nu verstaan onder die vleugelen des Heeren en de schaduw dier vleugelen?

Gods vleugelen heeten de uitbreidingen (het grondwoord voor vleugelen) dat is de betooning zijner liefde, d.e het schepsel neemt onder de bescherming van hare trouwe gemeenschap. Gods vleugelen zijn de uitbreidingen zijner liefde en trouw, waaronder Gods kind zich bergt, die Hij over hen uitbreidt, zoodat zij zich eronder bevinden, op eenmaal, zonder zoeken vaak. En de schaduw dier vleugelen is de verkwikkende rust en zekerheid, welke de gemeenschap dezer liefde schenkt, tegen de hitte van uit-, en inwendige verzoeking. Die schaduw spreekt ons dus van verkwikkende rust en zekerheid, genoten in de gemeenschap van Gods liefde en trouw. David kende dit alles bij ervaring, want hij wist wat verzoekingen en gevaren waren. Hij was er door omringd en bezwaard, ook inwendig vaak. Zoo hebben de verzoekingen toch hun nut, opdat zij ons uitdrijven tot den Heere om verlossing en , beschutting.

Het werkwoord, dat hij in onzen text gebruikt, staat in den toekomenden tijd, zoodat het óók beteekent: Gij zult mij verbergen. Het is dus niet alleen een bede, maar ook een belijdenis des geloofs. Hij is van die verberging verzekerd, want hij vertrouwt den Heere op zijn woord. Daarop mag hij zich verlaten.

Indien de Heere deze bewaring niet had toegezegd, zoo zou het geloof er niet in kunnen rusten, noch er zich op beroepen. Het geloof toch leeft en teert op de belofte des verbonds. De Heere beloofde, óók voor dit jaar aan zijne gunstgenooten: Hij zal mij aanroepen en Ik zal hem verhooren, in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn: Ik zal hem eruit trekken en Ik zal hem verheerlijken.

Wij leeren dus, dat de Heere er zelf voor zorgt, dat Hij aangeroepen wordt; dat is ook een belofte des verbonds. Weet gij wat het is hierop te pleiten, wanneer het geloof is als een rookende vlaswiek? Wij hebben nog net adem om den Heere om adem aan te roepen. Om Hem te bepalen bij zijn eigen woord: Hij zal mij aanroepen! Heere, ik kan den weg naar boven niet vinden, gedenk aan uw woord! Doe mij roepen tot U, naar uwe belofte.

Hij zal u dekken met zijne vlerken en onder zijne vleugelen zult gij betrouwen. Hier in onzen text is moederlijke teederheid verbonden met vaderlijke gunst. De hen vergadert hare kiekens onder de vleugelen. Zij lokt ze. door te klokken. En de kiekens komen aangesneld. Zij heft hare vleugels op en zij kruipen er onder. Daar zitten ze nu geborgen en de hen beschermt ze; weert het gevaar af. Daar zijn ze veilig. Deze vleugels verwarmen de jongen en het kloppende hart verkwikt hen. Hier zijn de kiekens op hun gemak. Ze waren nat en koud, maar na korten tijd zijn ze droog en glanzen. Eerst was het stil onder die vleugels, maar weldra ziet ge de kiekens het kopje steken door de veeren van de vleugels en ze piepen van vreugde. Zie, dat is het verkeeren onder de vleugels. Het is een beeld, maar dat ons toch toespreekt, dat ons leert van Gods teedere ontferming en verkwikking.

De Heere breidt in Christus zijne vleugelen uit; vleugelen van liefde en genade, vleugelen van ontferming, vol verkwikking. Onder die vleugelen zijn wij dicht bij zijn hart, gevoelen het kloppen zijner liefde. Ja, dan begint ons kwijnend hart ook weer te kloppen en wij worden verwarmd. Want in deze wereld is het koud, menige bui maakt ons nat, zoodat wij verkleumd zijn als een kieken. Wat hebben ze dan weinig veertjes, als ze nat zijn, dan hangen de vleugeltjes neer.

Maar onder die vleugels worden wij wa^m en vroolijk, beginnen wij te zingen. David kende de gevaren, die hem van alle zijden omringden. De goddeloozen, zoo zegt hij, verwoestten hem, zijne doodsvijanden omringden hem. In zijn gang hadden zij hem omsingeld. Maar, daar op eenmaal breidt de Heere zijne vleugels over hem uit. En daar komt geen vijand onder. De hen verweert zich tegen de aansluipende kat, die de kiekens wil opeten en verscheuren, vooral als zij niet weg kunnen loopen, en bovendien het gevaar dat hen bedreigt niet opmerken.

Onder de vleugelen des Heeren is rust en veiligheid. Zoo verborgen en gekoesterd, dat wij de gevaren niet meer zien en ons ook niet meer bedreigd weten. Aan het Middelaarshart zijn wij veilig, aan het Vaderharte Gods geborgen voor den twist der tong en de grimmigheid van den benauwer.

Nu weten wij wat liefde is, en wie ons lief heeft! Nu ervaren wij wat rust is en wie ze aanbrengt; ja, in wien zij wordt gevonden. Dit weet ik, dat God met mij is. Dit jaar moge een jaar zijn van veel schuilen onder die vleugelen.

In zielsbenauwdheid en gevaar, in vervolging en nooden. Mijn lezer, kent gij reeds deze verberging, deze koestering der liefde? Van nature weten wij daar niet van. Wij kennen die plaats niet, begeeren wel bewaring, door God, maar niet onder God. Zóó dicht bij Hem, zóó na aan zijn hart, daar kan alleen het reine hart verkeeren. Daar zoekt alleen het geloof beschutting. Wondere kunst, geleerd door den Heiligen Geest. Verborgen onder de schaduw zijner vleugelen. David begeert die nabijheid, welke toch is toegezegd. Naardat de smart is, is ook de vertroosting.

Wij weten niet wat dit jaar zal brengen, wel wat het reeds bracht. Mijne bestraffing is er eiken morgen. Uwe trouw is groot. David was ervaren, geoefend, in het geloof, anders had hij deze vleugelen en haar schaduw niet gekend. De Heere is de God des verbonds, Hij zal niet laten verzocht worden boven vermogen en met de beproeving ook de uitkomst geven.

Onder de schaduw dier vleugelen kunnen zij zingen in nood en ellende, als er geen rund in de stalling is, geen brood in de kast, als krankheid en pijn ons kwelt. Wanneer de dood ons aanloert en zoekt te bespringen.

In tijden van druk en lijden. Van deze vleugelen kan nooit worden gezegd: hunne schaduw is van hen geweken. Gij weet wel, dat zei Jozua, na het land Kanaan te hebben verspied, van de inwoners des lands. Zij hadden geen verberging meer, zij waren ontbloot van bewaring. Daarom kon hij toevoegen: vreest niet, zij zijn ons brood. De Heere zal ons dat land gewisselijk geven.

Deze zich neerlatende liefde Gods is altijd verbonden met verberging en rust. Welk een teer beeld, aantrekkelijk tevens: verberg mij onder de schaduw uwer vleugelen. Kent gij deze verberging in uw leven? Weet gij wat het is te vluchten niet alleen tot des Heeren macht, maar ook tot zijn teedere liefde, om als onder vleugelen — uitbreidingen — te worden gekoesterd? Hoe arm is de mensch, die deze verberging niet kent. De Heere wil u heden bijeenvergaderen, gelijk een henne hare kiekens bijeenvergadert. Bijeenvergaderen door zijn Woord en de bediening van dat Woord. Wij bidden u van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden u van Christus' wege: laat u met God verzoenen. Heden, zoo gij zijne stemme hoort, verhard u niet, maar laat u leiden. Zal het oordeel van Jeruzalem u treffen: gijlieden hebt niet gewild. Ik heb u willen bijeenvergaderen, gelijk eene henne hare kiekens. Ik heb gewild. Ik heb mij met u bezig gehouden, u gelokt, u gebeden. Ik heb gewild... maar gij hebt niet gewild.

De Heere wilde laag afdalen, maar zij wilden niet bukken, om die lage plaats in te nemen aan zijn geeegende voeten, die lage plaats ook onder zijne vleugelen. Want wij nemen een lage plaats in, wanneer wij onder deze vleugelen toevlucht nemen. Een zich neerbuigende God vraagt verbroken en verootmiedigde menschen. Den hoogmoedige kent Hij van verre, maar den nederige geeft Hij genade.

Wanneer Gods kinderen druk zijn met de wereld en zichzelf, dan kunnen zij deze gezegende plaats niet vinden, maar als zij vernederd en gebogen in het stof den Heere zoeken, ja, dan ervaren zij dat die uitbreiding der liefde Gods in Christus hen op eenmaal overschaduwt. Geborgen, gekoesterd. Geen plaag zal uwe tent naderen. Soms ook komt de plaag de tent binnen geslopen, maar wij worden verborgen onder de schaduw zijner vleugelen. Niet, dat dit alles zoomaar gaat, zonder worsteling, zonder het uitstaan van smarten en worstelend gebed. Zeker niet! Maar toch laat de Heere het water nooit hooger komen dan tot aan de lippen. En daarbij komt, dat het ongeloof zijn woord meespreekt en zoekt af te hpuden van den Heere, ons zcekt te versmoren in de nooden en moeiten des levens. Het ongeloof doorkruist het geloof aldoor, maar... verliest het toch, want de Heere staat in voor zijn eigen werk, en daarom, niet als wij zien op onszelf, kunnen wij zeggen: de Heere zal voorzien, maar als wij letten op den Heere en zijn onveranderlijke trouw.

In ons persoonlijk, huiselijk, kerkelijk, maatschappelijk leed, of wat ons verder mag treffen, wil de Heere voorzien in genade. Maar... hier is het land der ruste niet. Evenwel wordt hier to£h rust genoten onder die vleugelen. Maar deze rust stauui niet van beneden, doen van boven, wordt

geboren uit de liefde Gods en voert ons uit boven dit ondermaansche, of liever draagt in dit ondermaansche in de krachten van het Koninkrijk Gods.

Werp dan uwe vrijmoedigheid niet weg. Laat ons toegaan tot den troon der genade met een waarachtig hart, n ; et twijfelende. In den storm is hier een ankerplaats voor het gebeukte schip door de golven. Hier is in noodweer een veilige haven om binnen te loopen. Onder zijne vleugelen zult gij betrouwen.

Hier is een zalige verberging voor zonnige dagen, als de zon heet is, en voor het koude nachtelijke uur. Ja, voor elk tijdstip van dit sterfelijke leven.

Als wij ter ruste gaan kaï^ dak en deksel ons niet behoeden, wel deze vleugelen. Als de verzoeking komt is hier alleen bewaring. Armoede, noch rijkdom geef mij, voed mij met het brood mijns bescheiden deels, bad Agur. Hij zal voorzien in eiken nood, naar zijae belofte.

Soms verwachten wij zorgen en moeiten, wij hebben een inwendige angst voor de toekomst, wij zien niet op den Heere, maar op de golven en den wind. Weest in geen ding bezorgd, want Ik zorg voor u. Dit leeren wij in die schaduw zijner vleugelen. Daar kan de Heere ons geen kwaad doen. De dag van morgen en overmorgen kan geen zorg of leed brengen waar de Heere niet in zou uithelpen en voorzien. Het zou kunnen zijn, dat wij dit jaar gaan sterven. En sterven, voor God verschijnen, is geen kleinigheid. De beslissing voor eeuwig over ons lot.

Neen, sterven is geen kinderspel. Zijt gij erop bedacht, mijn lezer? Bedacht op sterven, dit jaar... dit jaar? Kunt gij dan op goede gronden zeggen: de Heere z'al ook in het dal van de schaduw des doods zijne vleugelen over mij uitbreiden. In de schaduw dier vleugelen zal ik dan afreizen. Gedragen door liefde en geborgen in de liefde, ga ik heen, verwelkomd in de woningen van het èeiiwige licht.

Dan moet gij een ander leven kennen, gelooven in den Heere Jezus Christus, want wie in Hem gelooft zal leven, ook al ware hij gestorven.

Maar die niet gelooft is aireede veroordeeld, omdat hii niet heeft geloofd in den eeniggeboren Zone Gods.

Staan wij nog een oogenblik stil bij de vraag hoe de bede wordt vervuld.

Verberg mij onder de schaduw uwer vleugelen.

Of: Gij zult mij verbergen onder de schaduw uwer vleugelen.

Soms wendt de Heere het gevaar af, dat ons omringde, of dat wij terecht vreesden. Wij merken zijne wondere voorzienigheid op en loven den naam zijner milde goedertierenheid. U zal ik loven, omdat Gij het hebt gedaan. Ik verwacht uwe trouwe hulp van boven, uw waarheid zal bestaan.

Dan weer worden wij in de benauwdheden zoodanig ondersteund, dat wij roemen in de verdrukkingen, zoodat wij niet murmureeren, maar stille zijn, ja verblijd. Mijne genade is u genoeg, want mijne kracht wordt in zwakheid volbracht. Niet in toorn, maar in liefde bezoekt Hij zijn erfdeel.

Het is toch een zegen door het vuur te gaan als wij er gelouterd en niet geschroeid uitkomen. Israël, het oude bondsvolk, verkeerde in den ijzeroven van Egypte, maar na wreede verdrukking togen zij uit met goud en met zilver en niemana hunner stammen struikelde. Hij hoorde hun gekerm en Hij gedacht aan Zijn verbond, met Abraham, Izaak en Jacob. En de Heere zag de kinderen Israëls aan en Hij kende ze.

Hoe kon nu David zeker zijn van deze verberging?

Wel. hij kende de belofte Gods en maakte daar staat op, omdat God niet liegen kan, en hetgeen uit zijn lippen is gegaan, blijft vast en onverbroken.

Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken! Dat kan niet zijn. Hij is geen God van ja en neen, maar de God van ja en amen. Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten. Vrees niet, want Ik ben uw God. Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden.

Verberg mij in de schaduw uwer vleuge* len.

Moge dit jaar u zoekende en kloppende vinden aan den troon aer genade. Wellicht kent gij dit schuilen nog niet, kent gij nog niet de koestering dezer liefde, de warmte van dit hart, van den barmhartigen Hoogepriester. van den eeuwig liefhebbenden Vader en de vertroostingen des Heiligen Geestes.

Het is nog de dag der genade. De deur der genade is nog niet op het nachtslot. Het moge zijn, dat gij dit jaar hier voor het eerst toevlucht vindt in den nood uwer ziel. als de vale vlerken van den dood zich over. u uitbreiden en gij nergens uitkomst ziet. In den Middelaar openen zich deze vleugelen, in Hem breiden zij zich uit. En gij, die deze verberging kent, weet dat de Heere een jaloersch God is, die zijn eer aan geen ander geeft.

David zei: mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mii aannemen. Het eene geslacht gaat en het andere komt, maar de goedertierenheid des Heeren blijft in eeuwigheid. De tijd spoedt voort naar de eeuwigheid, maar des Heeren gunst zal over die Hem vreezen, in eeuwigheid altoos dezelfde wezen. Bewaard, als het zwart des oogappels, verborgen onder de schaduw zijner vleugelen... en hij besluit dezen pselm met de belijdenis zijner vaste hope: maar ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met uw beeld, als ik zal opwaken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 januari 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

BEDE OM BEWARING

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 11 januari 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken