Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De volkskerk-gedachte bij Hoedemaker

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De volkskerk-gedachte bij Hoedemaker

11 minuten leestijd

4

Bij Hoedemaker is dus wel een bepaalde opvatting van de volkskerk te vinden, maar een ontwerp van reorganisatie, ontbreekt. Het ligt voor de hand, dat de organisatie van 1816 de Kerk afbreuk heeft gedaan, zoodat bij de combinatie: volkskerk, de Kerk in het gedrang komt en het volk de Kerk overheerscht, voorzoover het dan nog in de Kerk was in Hoedemaker's dagen. Hoe die volkskerk er zou hebben uitgezien wanneer eene reorganisatie in den geest van Hoedemaker ware tot stand gekomen, is moeilijk te zeggen, omdat dit niet is gebeurd.

Nu wezen wij er reeds op, dat Hoedemaker geen bepaald reorganisatieplan had. Het hoe der reorganisatie stond voor hem slechts in enkele hoofdzaken vast.

Herstel der classicale vergaderingen; bevrijding van de Hervormde Kerk als geheel. Handhaving van Schrift en belijdenis. Maar hoe dit moet worden verwezenlijkt, zoeken wij bij Hoedemaker vergeefs. En voorzoover hij richtlijnen geeft, spreekt hij zichzelf meermalen tegen. Denk maar aan hetgeen wij meedeelden van de Classicale vergaderingen en de door deze te verrichten benoemingen.

Enkele punten staan echter wel vast voor Hoedemaker. Hij wil een grondige theologische bezinning op de Gereformeerde beginselen omtrent kerkorde en ambt. Hij begeert vurig een Kerk, die overeenkomstig deze beginselen, welke in Gods Woord gegeven zijn, is ingericht. Tijdens het proces der reorganisatie dient dan voortdurend in het oog te worden gehouden, dat slechts herstel van de Kerk-inhaar-geheel zegenrijk is. Een voornaam punt in de reorganisatie ziet Hoedemaker dus in het herstel van de kerkelijke vergaderingen, classicale vergadering, provinciale-en generale synode, waar kerkelijk wordt gehandeld overeenkomstig Gods Woord en de belijdenis. De tucht is er echter niet om te verderven, maar om te behouden.

Wanneer wordt toegelaten, dat de lijn wordt uitgewischt, die God Zelf tusschen haar en de wereld heeft getrokken, is de

reden en het recht van haar bestaan ingeboet. De Kerk toch is het lichaam, dat niet gezond, ja, niet in leven kan blijven, wanneer het niet... uitwerpt wat het wezen niet deelt, wat schadelijk, gevaarlijk, , zelfs doodelijk is... Zooals de onreine, de melaatsche, hetzij voor een bepaalden tijd, uit het Heiligdom, of zelfs uit het leger wordt geweerd, alzoo moet... de tucht in de Christelijke Kerk worden gehandhaafd.

Hij gaat uit van het feit: De belijdenis is bekend.

„Niemand, die het principiëel met haar niet eens is, zal die belijdenis dus aanvaarden, dat is zich als dienaar aan de Kerk opdringen met het doel om deze belijdenis te bestrijden." Maar zóó eenvoudig is het toch zeker niet gesteld, als Hoedemaker hier onderstelt. De werkelijkheid leert, dat het'uittreden uit de Kerk, omdat men haar belijdenis niet deelt, sporadisch is, en men juist zijn afwijkende gevoelens in de Kerk wil propageeren en er daarom in blijft. De groote Kerk heeft voor de ketters bijzondere aantrekkingskracht en biedt bijzondere mogelijkheden.

Maar luisteren wij verder naar Hoedemaker.

Hij noemt het een onzedelijke handeling, te blijven in de Kerk en hare belijdenis te bestrijden. Doch hoe moet het nu in een dergelijk geval? Gesteld, iemand acht in de belijdenis uitspraken aanwezig, die in strijd zijn met de Schrift. Dan is hij geroepen, zijne schriftuurlijke gronden voor het afwijkend gevoelen aan zijn mede-opzieners voor te leggen, eerst in engeren en indien men het niet eens kan worden, in ruimeren kring; eindelijk in eene algemeene Synode, opzettelijk samengeroepen om deze zaak te onderzoeken.

En indien de Kerk zelve, bij monde van deze wezenlijke Synode, na alles gehoord, onderzocht en aan de Schrift getoetst te hebben, mocht uitspreken, dat zij dat nieuwe gevoelen niet kan aanvaarden, dan is hiermede uitgemaakt, dat hij, die het voordroeg, in dezen kring niet thuis behoort, omdat hij die belijdenis niet deelt. Het zal den lezers opvallen, dat Hoedemaker uitgaat van de belijdenis, zooals die er was. Hij veronderstelt, dat zij is naar de Schrift, zoolang het tegendeel in een wettige vergadering der Kerk, niet is bewezen. De Kerk aanvaardt daarbij het onfeilbaar gezag der Heilige Schrift, zooals dit in de belijdenis is omschreven.

Hoe anders is thans de heele opzet der reorganisatie, juist op deze beide punten. Daarom hebben wij van meetaf zeer critisch gestaan tegenover den „nieuwen koers". Daarbij komt nog, dat in de gemeenten deze zaak totaal niet leeft en alles eigenlijk van-boven-af wordt opgelegd. (Hoe anders was dit in den tijd der reformatie. Toen werd de lont in het kruit geworpen; toen was.de Geest des Heeren krachtig werkzaam onder het volk.

Natuurlijk zijn wij ons bewust, dat de vergelijking maar ten deele opgaat voor de huidige verhoudingen. Maar het is toch wel duidelijk, ontstellend duidelijk, dat de vraag naar een leven overeenkomstig Schrift en belijdenis niet leeft in de Hervormde Kerk, zooals dit noodig zou zijn. om tot wezenlijke reformatie te kunnen komen. Hier is ongetwijfeld een zware schuld, die ons moet benauwen en verootmoedigen. Ook moeten wij hierbij bedenken, dat degenen, die het gezag der Schrift niet erkennen en de belijdenis in tal van punten niet aanvaarden, natuurlijk geen reorganisatie begeeren waarbij hun vrijheid in het gedrang komt, ook al wordt een zekere reorganisatie verlangd, want niemand knipt gaarne in eigen wol.

En wat zien wij nu gebeuren? Dat niet degenen, die het gezag der Schrift aanvaarden, en de belijdenis als wezenlijke vertolking van hun geloof kennen, de leiding hebben bij deze reorganisatie, doch een bont gezelschap waarin allerlei richtingen dooreenwoelen. En wij zeggen met Hoedemaker: het pêle mêle van richtingen heeft niet te beslissen over de rechten der Hervormde Kerk.

De aangenomen werkorde overkoepelt wel de richtingen, maar heft ze niet op.

Dit zal men wel mogen bedenken in de huidige situatie, dat niet over ons» beschikt kan worden, zonder ons, want dan gebeuren er zeker ongelukken.

Hoezeer er sprake is van zware schuld, van ongeloof en ongehoorzaamheid onder ons, toch is daar nog de traditioneele band aan Schrift en belijdenis, die allerminst waardeloos is, en ook is er, door Gods genade, nog de levende band aan de belijdenis. Daarom behoort, wat zich één weet in gebondenheid aan Schrift en belijdenis, zich* ook als een eenheid te openbaren. Daarom behoorden reeds lang onze kerkeraden, evangelisatiebesturen, hoofdbesturen van onze bonden, enz. hun bezwaren te hebben ingebracht bij de Synode. En dat niet om als kerk in de kerk op te treden, doch om onze stem te doen hooren, niet alleen in de classicale vergaderingen, maar óók gezaihenlijk, waardig en beslist. Reeds bijna twee jaar hebben wij hierop aangedrongen, en... er wordt aan gewerkt, maar... de wet der inertie werkt blijkbaar ook in het kerkelijk leven, in den Geref. Bond in het bijzonder. Hierin behoort verandering te komen.

Keeren wij terug naar Hoedemaker. De Reformatie der Kerk zoekt hij hierin, dat zij, door herstel of vernieuwing der Presbyteriale kerkorde, in staat worde gesteld, zich als Kerk te openbaren, dat is hare belijdenis te handhaven en mitsdien zorg te dragen, dat die belijdenis, mocht dit blijken nodig te zijn, met het Woord Gods, den hoogsten regel des geloofs, geconformeerd worde, waartoe óók behoort de toepassing van het beginsel der volstrekte gelijkheid van alle dienaren des Woords en de teruggave van de regeerende macht, die zij in vereeniging met de andere opzieners bezitten en hebben uit de oefenen (vergel. Scheers, blz. 220 w.).

„Daarbij vraagt hij telkens weer van de gemeente terugkeer tot Gods Woord, bekeering. Het Gereformeerd beginsel eischt eene Gereformeerde Kerk met eene Gereformeerde belijdenis en eene Gereformeerde Kerkregeering. Dit was en is en blijft ons streven. Hij is niet tevreden met een orthodoxe synode, met behoud van de synodale organisatie. Neen, want daardoor wordt de reorganisatie niet verkregen. Bovendien, een orthodoxe synode, zoo meende Hoedemaker, zal een Ethische zijn en daar is hij buitengewoon bang voor." De geheime reden waarom zoovele „gematigde orthodoxen" maar niet kunnen inzien, dat de Besturen de leer zelfs niet tot op zekere hoogte kunnen handhaven is gelegen in de hoop, dat hunne ietwat vrijgevige opvatting in de Besturen tot de heerschappij zal komen. „Vaak haalt hij zijn, in dat verband gesproken woord in 1876 aan: God beware ons voor een orthodoxe synode. Aan de oude Liberalen en Modernen mag... de lof niet worden onthouden, dat zij zoolang het heiligdom van hunne leervrijheid niet werd aangetast, de Kerk in den regel met groote onzijdigheid hebben geregeerd. Dat zal anders worden, als de , Moderne Orthodoxie' aan het roer komt (Scheers, blz. 192),

Ja, die moderne rechtzinnigheid óók heden! Deze is meer te^vreezen dan het modernisme.

Hoedemaker zag de toestanden zijner dagen op kerkelijk en staatkundig erf zeer donker in, daarom was zijn verwachting niet hoog gespannen inzake de reorganisatie. Want hij wist maar al te goed, dat zonder wederkeer tot God en Zijn Woord geen genezing der kerkelijke ellende te wachten was. En, zóó zag hij het, door afscheiding op afscheiding werd de breuk der Kerk al evenmin geheeld, integendeel werd de verscheurdheid alleen maar grooter en... de ware boetvaardigheid ontbrak ook daar. Onze tijd leert dat wel op ontstellende wijze.

Hoedemaker kwam op tegen de, zijns inziens, heillooze ontwikkeling van 't kerkelijke en maatschappelijke, nationale en internationale leven. Een ontwikkeling, die haar oorzaak niet heeft in een of andere theorie, maar in de afwijking van Gods Woord. Men gelooft Gods Woord niet meer. Men wil behouden worden op we-«gen, die van het Woord afwijken, zoo klaagt hij. De herdenking der Kerkhervorming gaf Hoedemaker dikwijls aanleiding te wijzen op dezen algeheelen afval, die het gevolg is van de afwijkingp van het geloof der vaderen, dus van gehoorzaamheid aan het Woord alleen: „Er is alom indifferentisme en onwetendheid. De sleutel der kennis is verloren gegaan en het geslacht, dat in scherpzinnigheid uitmunt, zoolang het wereldsche zaken betreft, is onvatbaar geworden voor hoogere en geestelijke belangen."

Zou Luther wel het oor van iemand hebben in onzen tijd in de groote steden, zoo vraagt Hoedemaker. Tetzel zou op de pleinen in Amsterdam minder goede zaken doen dan weleer op de markt van Jüterbook niet omdat hij den aflaat aanbood voor geld, maar omdat de groote massa noch aflaat, noch schuldvergeving meent noodig te hebben... Wij misgunnen uwen armen en zieken de gaven niet, die lichaam en ziel bijeenhouden, maar een gevoel van droefheid maakt zich van ons meester, wanneer wij denken aan een voorgeslacht, dat den nacht doorbracht op de vlakte opdat zij het Woord zou hooren verkondigen en het nageslacht, dat evenals het Rome

der kiezers, vóór alle dingen om brood en spelen vraagt...

En de algemeene religiositeit, die voor een groot deel in philantropie opgaat, kan toch geen geloof worden genoemd.

Het verloochenen van het geloof der vaderen is uitgeloopen op geestelijke ongevoeligheid en onverschilligheid, zoo merkt hij herhaaldelijk op.

En zoo is het toch ook heden. En laat ik eraan toevoegen, dat de leuze: terug tot de vaderen en het Woord, zonder meer, , die onverschilligheid en ongevoeligheid niet wegneemt; vooral niet als de leuze een politiek karakter draagt en van reformatorische prediking toch in den grond der zaak geen sprake is, ook daar waar de leuzen opgeld doen, en een leven naar Gods geboden ver is te zoeken.

Zoo oefende Hoedemaker radicale critiek. Heden zou men zeggen: hij staat aan den kant en gooit met steenen! Hij ontwerpt geen ideaal-beeld, om nu aan de slag" te gaan en dit te verwezenlijken, maar... hij stelt den enkelvoudigen eisch der bekeering en het verkondigen van den smallen weg des geloofs als den eenigen weg ter ontkoming. Wanneer men weer opnieuw gaat vragen naar Gods wil, zal er weer ruimte en orde komen. Men zal dan ook weer gelooven in de Gods. mogendheid

Terecht laat Hoedemaker den eisch der bekeering voorafgaan aan het geloof in de mogendheid Gods, om wonderen te doen ook op het erf der Kerk.

Tegenwoordig stellen velen de kwestie helaas anders.

En Hoedemaker merkt op: het kon zoo anders. De weg tot de verlossing is zoo eenvoudig. Terugkeer tot God en Zijn Woord! „

Hoe gemakkelijk. Zoo gemakkelijk als het geloof! Maar niet gemakkelijk in den oppervlakkigen zin. Dit geloof is zeer werkzaam... maar wat ertoe noodig is, geen mensch kan het bewerken, mijn woord allerminst; en niemand kan het zichzelven geven, want niemand haalt vrijwillig een streep door zijn verleden; ik heb dit ook niet gedaan, God is mij te machtig geworden. En niemand gaat in eigen kracht dien dood in, waarin het leven te vinden is." (Scheers, blz. 268).

Hoedemaker was geen politicus, maar was en bleef enkel dienaar des Woords.

Hiermede moge ik volstaan en vertrouw, dat de lezers nu eenig idee hebben van het getuigenis van Hoedemaker, dat ook voor onzen tijd nog beteekenis heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 30 August 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De volkskerk-gedachte bij Hoedemaker

Bekijk de hele uitgave van Saturday 30 August 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken