Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

IMMANUËL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

IMMANUËL

25 minuten leestijd

Jezaia 7 vers 14: Daarom zal de HEERE zelf ulieden een teeken geven: ziet eene maagd zal zwanger worden, en zij zal eenen zoon baren, en Zijnen naam Immanuël heeten.

Het is weer al de laatste advents-Zondag als deze overdenking verschijnt, lezers. Laten wij dit Schriftwoord samen overdenken en moge het zijn, dat wij den Koning ontmoeten en begroeten.

Eerst moeten wij het verband nagaan waarin onze text is opgenomen. Omdat wij echter in één keer deze stof willen behandelen zal het niet mogelijk zijn, de verschillende vragen, die hier rijzen in den breede te bespreken. Wij stellen ons tevreden met enkele hoofdzaken te vermelden.

Het koningschap van Juda was in groot gevaar. De Syrisch-Efraïmitische oorlog woedde. Een krijg, waarin het tienstammenrijk, Israël of Efraïm zich had verbonden met Syrië, het heidensche Syrië, tegen het broedervolk Juda. Dit was toch wel een monsterverbond. "Zware slagen werden toegebracht aan Juda. Het is zelfs zover gekomen, dat de verbondeir legers zullen optrekken tegen Jeruzalem.

Het huis van David siddert. Achaz, de goddelooze nazaat van David, beeft gelijk de boomen des wouds beven voor den wind.

Daar gaat Achaz, de koning van Juda! Waarheen is zijn gang? Hij is op pad om te zien naar de watervoorziening der stad Jeruzalem met het oog op een beleg. Hoe staat het met de waterleiding van den Bovenvijver, op den weg naar het Vollersveld? Zijn hart jaagt in zijn boezem, het gevaar is dichtbij.

Daar staat op eenmaal de profeet Jezaia voor hem, de trouwe Godsgezant. De profeet heeft zijn zoon Schear-Jaschub bij zich. Zijn zoon, die een teeken was. Zijn naam beteekent: Een-overblijf sel-keertweder! In dit teeken is gericht en genade verbonden. Gericht, ballingschap; genade, wederkeer van een rest!

Jezaia, wat voor boodschap hebt gij nu weer? Uw toeven daar bij den watergang, met uw zoon Schear-Jaschub is reeds een aanduiding dat gij iets bijzonders hebt te zeggen. Achaz is zeker wel geschrokken, want ook een goddeloos mensch kan onder de macht komen van een Godsgezant, wiens verschijning reeds eerbied afdwingt.

Wat - heeft Jezaia voor boodschap aan den koning?

De boodschap Heeft een anderen inhoud dan wij wellicht zouden verwachten, aan dezen man der gruwelen. De profeet wekt Achaz op tot krachtig geloofsvertrouwen op den Heere in den nood waarin Juda en Jeruzalem en het Davidische koningshuis zich bevinden. Achaz neme zich in acht en vreeze niet voor den koning van Syrië, Rezin geheeten, noch voor Pekah, de zoon van Remalja, koning van Israël, die samen optrekken tegen Jeruzalem. Ze hadden reeds geduchte slagen toegebracht aan Juda, toch zijn ze in het oog des Heeren niet anders dan een paar afgebrande stompen brandhout, die nog wel walmen, maar geen brand meer kunnen veroorzaken.

Hunr plan is overigens duivelsch. Ze willen Juda veroveren en een vreemde zetten op Davids troon. Hoe schuldig Juda ook is, dit gedoogt de Heere niet om Zijn eed aan David en zijn toezegging aan Juda. Het zal niet geschieden, zegt de Heere! Ja, God is beleedigd, want wat is het anders dan een pogen om Zijn beloften teniet te^doen? Maar ze zijn menschen en geen God, vleesch en geen Geest...

Dit ondernemen brengt hun ondergang. Wij weten, dat Israël in 722 in ballingschap ging en Syrië in 720 is verslagen.

Wel zegt Jezaia: kies u maar een teeken, ten waarborg, dat Jeruzalem niet wordt genomen. Een teeken boven in den hemel, of beneden op de aarde.

Een teeken, een zichtbare aanduiding van een onzichtbare zaak.

De Heere wil Achaz nog lokken mét Juda op den weg des behouds. Maar Achaz... weigert onder vromen schijn een teeken te vragen en zegt: Gij zult den Heere niet verzoeken.

De profeet Jezaia krijgt een lesje van den goddeloozen Achaz! Denk het u even in. De eigenlijke reden echter is een geheel andere, want Achaz wil de hulp inroepen van Assyrië. Hij zocht zijn sterkte en troost niet in de beloften Gods.

Een teeken vragen is God verzoeken, terwijl de Heere het zelf aanbiedt, zoo wil Achaz beweren, terwijl zijn hart nijgt naar Assyrië, om op de menschen te vertrouwen. Zoo heeft Achaz in dit voor hem en Juda zoo beslissend oogenblik zich tegen den Heere verstokt. Hij tergt den* Heere, hij provoceert; daagt den levenden God uit!

Jezaia is heilig verontwaardigd. Ze kwellen niet slechts menschen tot vermoeiens toe, maar den Heere...

Gij wilt geen teeken... en toch zal het komen...

Daarom zal de HEERE zelf u een teeken geven: ziet, eene maagd zal zwanger worden en een zoon baren en zal Zijnen • naam Immanuël heeten.

Achaz wil geen teeken van Gods trouw over Davids huis. Hij wil, onder vromen schijn, den Heere Goji njet verzoekejj. door een teeken te vragen. Maar zou iemand den Heere verzoeken, wanneer deze zegt: vraag een teeken?

Weet gij wat Achaz nu eigenlijk doet? Hij verwerpt de belofte van den Messias.

Op andere wijze dan Achaz, zegt menigeen — die toch zichzelf wil blijven — dat kan voor mij niet zijn, terwijl in den Heere Christus God het Teeken Zijner eeuwige liefde, ja, tevens de openbaring Zijner eeuwige liefde, heeft vrij gegeven voor een iegelijk die gelooft, zegt de apostel Johannes. Maar gij gelooft niet, omdat gij van Mijne schapen niet zijt. Geldt dit ook nog van ü, mijn lezer?

Maar, wie is die Immanuël, van Wie hier sprake is, het Teeken, dat God Zelf geven zal? Wel zegt ge, dat is natuurlijk Christus! En gij herinnert aan Mattheus 1 vers 23. Maar hebt ge vers 15 van ons texthoofdstuk wel gelezen en ingedacht? Dit hangt toch onlosmakelijk met onzen text samen.

De gedachte is uitgesproken, dat allereerst gedoeld zou zijn op een zoon van Jezaia of Hiskia. En dan op Christus. Een teeken van de vervulling in Christus dus in dien tijd! Anderen meenen, dat in die jaren een kind is geboren op wonderlijke wijze, dat Immanuël heeft geheeten. Immanuël, dat is God-met-ons.

Dit kind bezat het geloof dat Achaz miste, en van hem is gevraagd door den profeet. God is met die maagd en haar kind. In hoe bangen nood ook geboren, het heeft geen gebrek. Als hij goed en kwaad weet te onderscheiden, zal hij melk en honing eten.

Dan is het vredestijd!

Wanneer deze opvatting juist zou zijn, is dus dit geloofskind een type van den Messias. Zijn geboorte uit een maagd wordt dan in dit kind gepraefigureerd, voorafgebeeld. Ongetwijfeld levert de verklaring van vers 15 groote moeilijkheden op, wanneer men niet kan denken aan een kind in die dagen met den naam Immanuël. Maar wij gaan daarop niet nader in, omdat alleen vers 14 onze text is, en het is in ieder geval zeker, dat dit Schriftwoord is vervuld in den Messias, den Heere Christus, God geopenbaard in het vleesch.

Ook de verlossing van Juda kwam uit Hem voort. Hij was de Redder van oude tijden. Maar in de volheid des tijds is Hij verschenen in ons vleesch en bloed uit de maagd Maria. Calvijn vraagt terecht (let hierop in verband met de algemeene verbondsgenade in Christus!: Waarvan hing de verlossing van Jeruzalem af, dan van de openbaring van Christus. In honger, nood, enz. stelt de Heere hun steeds voor oogen den Messias. Op dit eenig fundament stond steeds de verlossing der Kerk. Achaz wil geen teeken, de Heere zal er tóch een geven.

Ja, nu stelt Hij het Teeken bij uitnemendheid. En let ook hierop, dat zelfs tot den goddeloozen Achaz door Jezaia wordt gesproken van uwen God! De verhoudingen liggen toch wel anders dan in een dor schema, beheerscht door onschriftuurlijke verkiezingsgedachten, wordt voorgesteld. De openbaring is zeer veelzijdig, de genade kent meer betrekkingen dan die van de verkiezing tot zaligheid en is toch wezenlijk genade, naar de Schrift.

Uwen God, zegt Jezaia tot Achaz, krachtens het verbond. En in dat verbond geeft de Heere nu de rijke belofte. Is het niet zéér wonderlijk, dat Achaz de eerste hoorder is van dit woord, daar bij den vijver, bij het Vollersveld?

In Jezaia 8 wordt de naam Immanuël herhaald. In Jezaia 9 jubelt de Kerk: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven... En in Jezaia 11 wordt ons in perspectief geteekend het rijk des vredes van dezen Koning, gezeten op Davids troon voor eeuwig.

Daarom zal de HEERE zelf u een teeken geven: zie eene maagd zal zwanger worden en een zoon baren...

Achaz verwerpt een teeken, dat hem moest vergewissen van de hulpe Gods, van het wonder, dat God Juda zou redden en Jeruzalem zou sparen. Dat de verbonden koningen zouden falen in hun pogen Gods raad te breken.

Gij wilt geen teeken, Ik geef het toch! Ja, diep beschaamd belijden wij: er was geen gedaante aan Hem, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Wij hebben zijner niet gewild. r

Wij hebben om geen Zaligmaker gevraagd, geen teeken van Gods gunst en o t liefde begeerd. Als die boodschap kwam I hebben wij gezegd, wijk van ons, wan aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust. En tóch zegt de Heere, ga Hc vrijmachtig Mijn weg, en zal Ik een Teeken geven, in Mijn lieven Zoon. Ik zal Hem stellen tot een Rechter van levenden en dooden om te geven bekeering en vergeving der zonden.

En de Heilige Geest neemt op Zich plaats voor Hem te bereiden in versteende harten, die vermurwd worden en heilbegeerig gemaakt.

Nu spreekt de Heere door het koningshuis heen. Achaz, de koning uit Davids huis. moet dit woord hooren daar bij den vijver, uit den mond van Jezaia, en zoo komt het tot Juda.

Ja HEERE, Gij Zelf hebt het gedaan en niemand, die U ondersteunde of raad gaf, of erom vroeg. Gij zijt de oorsprong onzer zaligheid. Gij hebt Hem gegeven ten lichte der heidenen, om op te richten de stammen Jacobs. Hij is de star uit Jacob, de blinkende morgenster. Maar Christus is alles!

De HEERE, de God des Verbonds, geeft Zijn eigen Teeken. Ja, hebben wij zóó Jezus wel gezien, als Teeken van Gods eeuwige liefde? Wie Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien, kon Hij zeggen. Den Vader in Zijn gevende liefde, den Vader in Zijn vredesvoornemen, den Vader in Zijn wegschenkende ont-

ferming. Hebben wij Hem zóó gekend? O, wondere vrede is in mijn hart. Als ik dit Teeken zie, dan springt mijn ziel op van vreugde en smaak ik. de verzoening in Hem.

Niet, dat wij God lief gehad hebben, maar Hij heeft ons lief gehad en Zijn eeniggeboren Zoon gezonden, opdat wij zouden leven door Hem.

De Heere geeft een Teeken, een teeken in Zijn eigen Zoon in het vleesch. Daar moeten wij naar kijken, op letten, zoeken te verstaan wat de Heere er in en ermee wil zeggen. Kijken naar het teeken en niet naar onszelf in den spiegel, als zouden wij gewichtig zijn. Hoe dikwijls wordt ons van teekenen in de Schrift gesproken.

Denk, om een paar voorbeelden te noemen, aan den regenboog. Dit, was een teeken van Gods trouw en sparend bedoelen over de schepping, dat zij niet meer door water zou vergaan. De besnijdenis was een teeken, een zichtbare aanwijzing van de onzichtbare genade en trouw des Heeren in het verbond.

In Egypte toonde de Heere de teekenen van Zijn macht en gericht, in de tien plagen. En als de tiende plaag daar is, dan zorgt de Heere voor een teeken van wondere herkomst, een teeken van bloed, aan de posten der deuren, van het paaschlam. Als Ik dat teeken zie, zal geen plaag uwe tent naderen. De verderfengel ging voorbij. Dit teeken sprak van de verzoenende genade Gods.

Jezus is een Teeken, ja, het Teeken bij uitnemendheid van gericht en genade, van recht en ontferming. Simeon profeteerde: Deze wordt gezet tot een val en tot een pstanding voor velen in Israël en tot een eeken, dat wedersproken zal worden.

t Men zal zeggen: Hij is de Messias niet. Hij is geen Zaligmaker, wij willen Hem niet erkennen! Weg met dezen!

Zoo is het vallen een gevolg van het tegenspreken. Hij is een Teeken waardoor God iets te kennen geeft. Wat dan wel, is uw vraag? Wel, de verlorenheid van alle menschen en tevens door wien en langs welken weg God redding werkt en heil wilschenken.

Dat juist wekt tegenspraak. Overmits de Joden een teeken begeeren en de Grieken wijsheid zoeken. Doch wij prediken Christus, den Gekruiste, den Joden wel een ergernis en den Grieken een «dwaasheid, maar dien die geiooft de kracht en de wijsheid Gods. Zie, God richt met Kerstmis een Teeken op, diepzinniger dan het opschrift aan den wand van het paleis van Belsazar. Het is een geheimzinnig Teeken, dat alléén door het geloof wordt verstaan, maar... God dwingt om ernaar te zien. Hij wordt gezet tot een teeken. Gezet tot, dat wil zeggen, als Teeken moet Hij Zijn beteekenis verkrijgen. Gij kunt er niet aan voorbijgaan! Het is op uw weg als geplant, ja, het teeken van dit Teeken draagt gij aan uw voorhoofd in uw doop. Gij kunt erom lachen, het zoeken te vergeten, of er ernst mee maken, maar het Teeken is geplant, niet alleen als banier der volken, maar ook in uw persoonlijk leven. Gij kunt er niet neutraal aan voorbijgaan. Hier is mijn Zoon in Zijn teeken, Ik heb geen lust in uwen dood... hoort en uwe ziel zal leven. Aanschouw dit Teeken^ zooals de Israëliet, de doodelijk vergiftigde Israëliet, opzag naar de slang in de woestijn en genezen werd. Omhels toch dit Teeken, want het is geen kruis of water of bloed, maar het is een mensch, een waarachtig mensch, tevens God te prijzen in der eeuwigheid. De rechtvaardige liefde Gods verschijnt in den Messias in zichtbare gestalte. Het Woord wordt vleesch. Alle beloften Gods, die naar Hem heenwijzen, zijn in Hem ja en amen.

De verwerping door Achaz van het vragen om een teeken, was afwijzing der verlossing, versmading van den Messias, van het heil door genade, redding door het wonder.

Zoo verschijnt de Messias als een Teeken. In den Kerstnacht spreekt de engel tot de herders: dit zal u het teeken zijn, gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.

Alleen door het waarachtige geloof in Hem, erkennen wij dit Teeken, in zijn beteekenis en worden gered van zonde en verderf, van de tyrannie des duivels en van eigen verdoemelijk bestaan. Alléén wie in Hem gelooft, als de Gegevene des Vaders, als Zijn teeken, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is.

Verder wijst'nu de profeet erop, wanneer dit Teeken nader wordt onthuld, op de vleeschwording.

Ziet, eene maagd zal zwanger worden en een zoon baren.

In deze adventsoverdenking staan wij niet stil bij de gegevens van het Nieuwe Testament, de boodschap van den engel Gabriël aan Maria over het wondere ge-

schieden in haar schoot. Zij zou worden overschaduwd door den Heiligen Geest, als maagd, en het heilige, dat uit haar zou geboren worden, zoude Gods Zoon genaamd worden. Onze text wijst heen naar het wonder der vleeschwording, dat door de profetie wordt ontsloten in steeds klaarder bewoordingen. En toch, door openbaring wordt het geheim niet weggenomen, alleen geopenbaard.

De herders zeiden: laat ons dan henengaan naar Bethlehem en zien het Woord dat geschied is. Het teeken van doeken en kribbe wees hun den weg naar den Koning. De wijzen uit het Oosten zeiden: wij hebben Zijne ster gezien en wij zijn gekomen om Hem te aanbidden. Maar denk ook aan Herodes, die een dolk droeg in fluweelen schede en als Achaz zich vergreep aan Gods Teeken. Hij wilde het Kindeke vermoorden.

Maria was zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. Hier is het wonder der heilige ontvangenis. Daarom spreken wij van de maagdelijke geboorte onzes Heeren.

Dit behoort bij het wonder, is opgenomen in het Teeken des Heeren van Zijn genade en redding door recht. Deze maagdelijke geboorte, door velen ontkend, is niet iets bijkomstigs, maar behoort tot het wezen van den Christus Gods.

Ontvangen van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria!

Hij is het zaad der vrouw en niet van den man. Geboren uit eene vrouw onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet zijn verlossen zou.

Zie wonderlijk Teeken toch! Wat uit vleesch geboren is, dat is vleesch, doch hier is een mensch, die onze natuur draagt, die vleesch en bloed heeft aangenomen uit de maagd Maria en toch niet uit-vleeschgeboren-is. Hij is niet ontvangen in zonden, noch in ongerechtigheid geboren. Hij was heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren. Hij kwam juist zóó ten Teeken van Gods liefde en reddende genade.

Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. De Heere Zelf zorgt voor Zijn eer en de zaligheid Zijner gekenden.

Hier is nu de Spruite Davids, het rijsje uit den afgehouwen tronk van Isai. Hier is het sterfelijke in den Onsterfelijke. Hier is de tijd gehuwd met de eeuwigheid. Hier is God hereenigd, ja vereenigd met het schepsel. In eenigheid des persoons.

Laten dan Resin, de koning van Syrië, de Gode vijandige wereld, komen met Pekah, den zoon van Remalja, die hatelijke vorst van Israël, de afvallige van den God zijner vaderen, laten komen de brute wereld en het afvallige christendom, laat de hel woeden, geen nood, hier is het Teeken Gods.

Let op de ergernis in dit Teeken. Hij was geen zoon van een prinses, maar een rijsje uit den afgehouwen tronk van Isaï. Hij, die rijk was, is arm geworden, opdat Hij armen zou rijk maken. In zijn aderen is toch het bloed van koningen, maar óók van Rachab en Ruth de Moabietische en van de Egyptische vrouw van Salomo. Ja, Hij is het kind van één, die in zijn hart had den Heere een huis te bouwen, woningen voor den machtige Jacobs.

Mijne ziel maakt groot den Heere. zingt de moeder voor de gansche Kerk des Heeren.

Mijn lezer, wat dunkt u van Hem, Dien de Vader zond, dien Hij stelde tot een Teeken. Hebt gij het wedersproken tot heden? Dat zult gij niet kunnen verantwoorden.

Val Hem nog heden te voet. Buiten Hem is geen leven.

Is Hij uw leven geworden, door het geloof? Dan kunt gij Zijn naam noemen!

...en Zijnen Naam Immanuël heeten. Maar wie en wat was Hij toch? Een kind, een wonderkind, en toch een gewoon kind. Hij eet en drinkt zooals ieder ander kind. Hij is ons in alles gelijk geworden.

Zijn bewustzijnsleven moest ontwaken als bij ieder ander kind. Hij leerde verwerpen het kwaad en te kiezen het goede. Zoo wordt de echtheid Zijner menschelijke natuur temeer bevestigd. Hij heeft niet alleen, zegt Calvijn ons voedsel willen eten, maar ook voor een tijd beroofd willen zijn van rede en kennis, onderworpen aan al onze zwakheden. Want dit kan niet gerekend worden tot Zijn Godheid, maar tot Zijn menschelijke natuur. —

Lezen wij niet: en het Kindeke wies op en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid, en de genade Gods was over Hem.

Maar letten wij nu op Zijn naam. ...en Zijnen naam Immanuël heeten. Dit gezegde sluit aan bij de maagd, die zal Hem heeten Immanuël, en zóó door haar de gansche Kerk, die nazegt wat God heeft voor-gezegd. In dit Schriftwoord valt bijzondere nadruk op de moeder onzes Heeren. Anders geeft de vader het kind zijn naam. Heeten nu is erkennen voor, aannemen als. Dit is het heeten, het noemen, het zeggen des geloofs. Niemand kan zeggen (zeggen) Jezus den Heere te zijn dan door den Heiligen Geest.

Wondere naam, vol zaligheden, vol ook van verborgenheden. Wie Hem waarlijk Immanuël mag heeten, die omhelst Hem als van God gegeven Zaligmaker. Die vindt in Hem als verlorene redding. Weet gij wat dit heeten beduidt, hebt gij Hem alzóó genoemd? Ja, wij leeren dien schoonen, diepzinnigen naam van buiten, doch moeten hem van binnen kennen. Zoeken wij in te dringen in de verborgen diepten van dit Teeken door Zijn naam te overpeinzen. Immanuël, dat is God-met-ons. Wil het zeggen: bij ons of met ons? Allereerst bij in den zin van tegenwoordigheid. In Jezus is God bij de menschen gekomen. Het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoond. Zullen wij ons nog verder wagen in onze lichte bark op dezen oceaan? Kom, laten wij het doen, het moge zijn, dat onze bark omslaat en wij hier verdrinken.

Jezus was God. Het Woord was bij God, ja, zélf God. Maar Hij bleef wat Hij was, toen Hij werd wat Hij niet was. In de kribbe, den hof en op het kruis bleef God-met-ons, in Jezus-bij-ons. Neen, zóó dicht was God nog nooit bij den mensch geweest. Zeker. God wandelde met Adam bij den wind des daags en in de avondkoelte hoorde Adam de voetstappen van Zijn Maker en Vader. Maar toch waren God en mensch twee.

En nu in den Zoon der maagd? Wel, nu zijn twee één en toch fu> ee. En twee zijn ook weer één. Eén Jezus. God en mensch. ja, maar dan toch zóó, dat die twee naturen ongescheiden en onvermengd zijn. Hij kwam bij ons om voor ons te kunnen zijn.

Dit wondere geschieden is waard te worden bezongen bij dage en bij nachte. God. daar is... de majesteit... met ons... daar ligt de genade. ,

God... daarin is de heerlijkheid. Godmet-ons, daar is... de zaligheid.

God was in Christus, ja. God was in Christus! In Christus was God en Hij was in Hem de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenend.

Let in dit Teeken, vertolkt in zijn beteekenis is den naam Immanuël, op het wonder der vernedering.

De algenoegzame, de sterke God, vereenigt zich met het zwakke en sterfelijke vleesch. Ja, dit alles dwingt de bewondering af en voert tot aanbidding in het geloof. Het gaat er dus maar om of gij geloof hebt en oefent, want zonder geloof kan niemand Gode behagen. Zonder geloof is Jezus niet beminnelijk, noch noodzakelijk. Maar zonder geloof in den levenden God kennen wij óók onze ellende niet, vergeet dit niet. Scheidt niet wat God heeft samengevoegd.

God heeft Zijnen Zoon gezonden in gelijkheid des zondigen vleesches, en dat de zonde veroordeeld in het vleesch.

Hier is Gods almacht. Aanraking met God is doodelijk voor het vleesch. Wie zal God zien en leven, maar wie zal bij God, ja, met God wonen, en niet sterven? Is die nabije, ja, allernabijste tegenwoordigheid tussen God en onze natuur wel mogelijk en dragelijk? Hij zag de aarde aan en zij rookte, Hij raakte de bergen aan 2n zij vloden weg van voor Zijn aangezicht. Zeker, wij gelooven de inwoning des Geestes in de gansche schepping, maar toch gescheiden en hier is het: niet gescheiden, hoewel niet vermengd. En hoor nu de-sprake van den Zoon Zelf, door den Geest der profetie: Gij hebt Mij het lichaam toegerust. Is de band tusschen ziel en lichaam nauw, niet minder tusschen God en onze natuur in Jezus, den zoon der maagd.

Ik en de Vader zijn één! En óók: vleesch van ons vleesch, been van ons been.

Juist in dezen Immanuël, God met ons, is het plechtanker onzer hope en zaligheid. Wij zijn een gevallen geslacht, verkocht onder de zonde, onder het geweld des duivels.

Maar hier is Immanuël, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet zijn, verlossen zoude.

Wie zingt mee het lied des lofs en der aanbidding van Immanuël?

Hij gaf den strijd niet op voor de overwinning volkomen was.

Ja, deze naam Immanuël, drukt uit de

gansche geschiedenis der verlossing.

In Christus heeft God gemeenschap met den mensch en de mensch keert terug tot God.

In den Heere Christus heeft God gemeenschap met den mensch, die in zijn zonde versmacht, door zijn schuld wordt neergebogen en zich der gerechtigheid Gods onderwerpt door de werking des Geestes. God-met-ons In den Zoon Zijner liefde daalt God af tot den mensch en keert de mensch weder tot God, als een verzoende God.

Jezus is God-met-ons! In niemand anders kan God met ons zijn. Tegenwoordigheid en gunst liggen beiden in den naam verankerd. In Jezus is God met den mensch, want Jezus is God-mensch. Maar ook, Hij is de Middelaar Gods en der menschen, als God-mensch. Daarom kunnen wij alleen door geloofsgemeenschap met Jezus leeren, weten en ervaren, dat God met ons is. Zooals de dichter van Psalm 56 zong: dit weet ik, dat God met mij is. In al hunne benauwdheden is Hij benauwd geweest. Daarom kan Hij ons in zielsbenauwdheid God nabij brengen, en doen ervaren dat God toch met ons is.

De aanvechting, de worsteling des levens, innerlijke vermoeidheid des harten, kunnen ons zoo eenzaam maken en zoo verlaten ons doen gevoelen. Maar Immanuël, God met ons, in onze aanvechting, eenzaamheid en verlatenheid, maakt alles goed. Dan zijn wij niet eenzaam, noch verlaten. Want wat kunnen wij meer bezitten dan God-met-ons? In Jezus met God. Als gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn en het vuur zal u niet verbranden. ik ben met u, wees niet verbaasd, Ik help u, ook ondersteun ik u met de rechterhand Mijner sterkte. Immanuël, Hij is één met God en ons. Want Hij is niet Middelaar van één, maar Middelaar Gods en der menschen.

Hoe dicht mag ik in Hem naderen aan het hart des Vaders, want in Hem is al Diens welbehagen. Lezer, mijn lezer, mijn reisgenoot, hoe is het toch met u? Gij hebt reeds zoo vaak de adventsprediking gehoord, hebt gij ze gehoord? Hoort en uwe ziel zal leven. Indien gij willig zijt en hoort, sprak God, zoo zult gij het goede des lands eten. Denkt ge nog wel eens aan onze overdenking van den vetten maaltijd op den Zion, bereid in dezen Immanuël?

Ik ben in grooten nood, zegt ge? Wel, dat is Immanuël ook geweest, in doodsnood, bedroefd tot den dood toe, en... Hij overwon, daarom is Hij voor u juist een gepaste Zaligmaker, zoover, zoover... van... God verwijderd en toch zoo... dicht... bij God in ervaring van Zijn toorn. Maar óók, en dat kunt ge niet zien noch vermoeden... zoo dicht bij Immanuël! Gij valt Hem nog eens onverwacht en ongedacht in de armen als gij meent te verbranden door Gods toorn, weg te zinken in de hel.

Zie, Jezus stierf aan het kruis en verliet ons niet! Hij bleef Immanuël, ook in het sterven. Hij liet onze natuur niet los, maar als God-mensch ging Hij in den dood. den vervloekten dood des kruises. Tot in eeuwigheid zal Hij de intiemste gemeenschap houden met Zijn volk. Hij zal ze leiden aan de fonteinen der levende wateren.

God is met ons in Christus in de meest volledige verzoening. Hoe smartelijk is het gescheiden te zijn van God onzen Maker. Doorleefdet gij deze smart en doorstak de schuld van deze gescheidenheid als een zwaard uw hart?

Uw toorn is afgekeerd en Gij troost mij. Gij...mij! In Immanuël, God-met-ons. God, voormaals vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende, heeft in deze laatste dagen tot aas gesproken door den Zoon.

In Immanuël spreekt God tot ons. Hij zegt tot ons, die ooren kregen in het geloof, Ik wil niet langer gescheiden van u leven. Ik wil u verzoenen met Mij, en u met Mij laten verzoenen. Ik zorg voor het offer voor Mij en voor u! Immanuël, God met ons. De Heere der heirscharen is met ons, de God Jacobs is ons een hoog vertrek. Sela.

En... zoo God voor ons is, omdat Hij met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?

En Zijn naam Immanuël heeten.

Zoo zegt God, dat Hij zal heeten, omdat Hij dat is. Hoe zal dan de Kerk Hem noemen? Toch met den naam dien God Zelf haar op de lippen legt. Een naam zoo schoon, zoo rijk, zoo diep, zoo heilbrengend en zaligend, zoo Godverheerlijkend en lofverheffend. Reeds stelden wij de vraag of wij Hem kennen, dezen Immanuël, Hem noemden. Hem heeten, dat is erkennen voor hetgeen Hij is én aanvaarden zooals Hij Zich geeft. Want in dien naam is het nederbuigen Gods tot den mensch, het hem zoeken. O, die nederbuigende genade Gods in Christus!. Hoe diep terneer gebogen, deze nederbuiging reikt zoover, dat wij in onze diepste diepten worden bereikt.

Maar dit heeten eischt sterven aan onszelf. Ons leven verliezen om het in Hem te vinden. Hem Immanuël heeten in het geloof, door gemeenschap met Hem. Wie den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.

Die Uwen naam kennen, zullen U beminnen! Deze kennis is een kennis der liefde, dit heeten een noemen des geloofs. In dit heeten drukken des Heeren gunstgenooten uit wat zij aan Jezus hebben, in Hem hebben ontvangen.

Immanuël, zoo zult gij Hem heeten. Doet gij het wel?

In dien naam eerde Hij onze natuur en verhief ze boven die der engelen. Want Hij neemt de engelen niet aan, maar het zaad Abrahams. Is dat niet zeer wonderbaar? Kunnen wij dit uitzingen, neen, dat kunnen wij niet, een gansche eeuwigheid is hiervoor noodig. Ik zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheden.

Zult gij dan op zóó groote zaligheid geen acht nemen? Kom, gij hebt tegen God gekozen, kom op die keuze terug. Geest des Heeren, overreed er in deze ure!

Zult gij de wereld blijven dienen? Wie de wereld lief heeft, de liefde des Vaders is niet in hem. De Heere gaf in Immanuël een Teeken, dat zal wedersproken worden, maar het blijft voor eeuwig gehandhaafd door God.

Wie den Zoon niet eert, eert ook den Vader niet. Wat is uw voornemen, bij het lezen of hooren van deze overdenking, , want wellicht leest uw vader of moeder haar voor in het gezin, spreekt er met u over en gij bidt samen om een zegen.

Of wel een eenzame en verschovene, die nauwelijks een uurtje kan uitsparen om in stilte, heilbegeerig te lezen van Immanuël, met de brandende begeerte in de ziel om Hem te noemen, den schoonste der menschenkinderen... mijn Liefste.

Immanuël, Hij heeft alle rijkdommen gelegd in onze natuur. In Hem woont de volheid der godheid lichamelijk. Uit Hem ontvangen wij genade voor genade.

Hoe nabij is in Hem onze natuur bij de Fontein aller goeden.

Zie, de dood van een mensch, maakt millioenen-zalig. In Hem en door Hem is de zonde verzoend, die scheiding maakte tussen God en ons.

De Heere gaf een Teeken. Men zal Zijn naam Immanuël heeten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 december 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

IMMANUËL

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 20 december 1947

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken