Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In het licht der eeuwigheid

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

In het licht der eeuwigheid

23 minuten leestijd

2 Cor, 5:4-10

Vers 8 en 9. Maar wij hebben goeden moed. en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij den Heere in te wonen;

Daarom zijn wij ook zeer begeerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonend, om Hem welbehagelijk te zijn.

Het is duidelijk wat de apostel bedoelt met het woordje maar, waarmee hij dezen zin aanvangt. Wandelen door geloof en niet door aanschouwen, toch goeden moed. En tusschen geloof en aanschouwen schuift de dood in; het sterven, het scheiden van dit leven, het ontkleed worden, het afleggen van den aardschen tabernakel.

De natuur schrikt terug van de gedachte aan den dood, of waagt zich op die wateren met het bootje „ijdele hoop". Maar voor de kinderen des Heeren is de dood een middel om ontslagen te worden van alle zonde en gebrek, en verkrijging der heerlijkheid. De dood is een doorgang tot het eeuwige leven.

Maar wij hebben goeden moed...

Al leven wij in de spheer van het geloof, moed hebben we toch; de zekerheid, dat we het heerlijk overkleed ontvangen zullen, blijft. Daarom kan ook de verhouding tusschen het thuis zijn en het van huis zijn rustig nader worden bezien.

Kent ge, lezers, die rust bij de overweging van tijd en eeuwigheid, van leven en sterven? Gewoonlijk wil een mensch er nauwelijks aan denken en leeft er over heen. Maar het kan ook zijn, dat schrik over den mensch komt wanneer hij denkt aan dood en graf, opstanding en oordeel. En toch hoe noodzakelijk is het rust te vinden en gerust en rustig te overleggen wat de toekomst brengen zal.

Zie het aan den apostel, welk een rust de genade brengt, de inwoning des Geestes als onderpand der erfenis. Maar wij hebben goeden moed... De zaken staan er toch goed voor, want tenslotte loopt het hierop uit, dat het sterfelijke van dit leven wordt verslonden, het gaat goed... het gaat goed... we vorderen van dag tot dag, al gaan we achteruit naar den hemel, zooals wel wordt gezegd. Het wordt V-dag, dag van victorie en glorie, door Hem, die ons zoo uitnemend heeft lief gehad.

Hij verhaalt dat de verdrukkingen hem niet moedeloos maken, neen, ze worden hem een oorzaak van roem, zooals hij aan de Romeinen schrijft: wij xoemen ook in de verdrukkingen.

Maar wij hebben goeden moed...

Hoe wonderlijk toch is het leven der genade; als niets hebbende, nochtans alles bezittende; als droevig, altijd blijde; leven en overgegeven in den dood. Geen wonder dat ze vaak zichzelf niet begrijpen en dat de wereld de schouders ophaalt over deze lieden. Het is een secte, die overal tegenspraak vindt.

Doch, het is toch een gelukkig volk, want de Heere heeft hen lief en zorgt voor hen. Kunt ge den apostel volgen in zijn betoog? Of neen, een betoog is het niet, maar kunt ge den apostel volgen in zijn geloofsgetuigenis? Vraag ik teveel? Immers neen, want hij zegt voortdurend wij, dus hij sluit anderen in en nu vroeg ik, of gij dat ook zijt, ingesloten, hetzelfde pand des Geestes hebbend, hetzelfde geloof, denzelfden Zaligmaker, dezelfde verwachting? Het gaat niet met een onzeker misschien, met hoop zonder geloof; het kan niet met een versje en een aandoening. Waar zijn de gefundeerde christenen in onze dagen, met die kalme gerustheid in den Heere en met dat zekere in hun levensgang bij alle druk en wisselingen?

Paulus spreekt hier van verbindingen gekend in het geloof, en den dood ziet hij onder oogen en glimlacht omdat hij in het geloof mag weten dat hij zijn prikkel kwijt is. Ja, dat is nu crediet op Christus, geloof in den Zaligmaker, aanvaarden en gelooven van Zijn werk, verzegelen dat God waarachtig is.

Ziet de apostel wellicht de moeilijkheden maar over het hoofd en realiseert hij zich niet langs welken weg alleen de heerlijkheid verkregen kan worden? Volstrekt niet, hij is zakelijk en nuchter, hij ziet de dingen zooals ze werkelijk zijn.

Luister maar naar hetgeen hij verder zegt in ons textvers.

Maar wij hebben goeden moed en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen.

Wij hebben goeden moed, kunnen het zóó wel uithouden, want de Heere zorgt goed, ja, is overvloedig in genade, het leven is mij Christus.

Wij hebben goeden moed, beklaag ons niet, we worden gedragen met het kruis.

Wij hebben goeden moed, en toch tegelijk: „en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen." Ja, wil Paulus zeggen: ik heb nu wel opgemerkt dat wij niet willen ontkleed worden, maar dat moet ge niet verkeerd verstaan alsof we zoo aan dit leven hangen; neen, hoewel wij goeden moed hebben in ons kruis en onder druk, bij zuchten en bezwaard zijn, wij hebben meer behagen... dat bevalt ons beter. Wat bevalt ons beter? Wel, uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen, sterven en dan erven. Al is de weg tioor den dood heen, goed, wij accepteeren dat en hebben goeden moed ook als het sterven wordt, ja, wij hebben daar zelfs meer behagen in om bij den Heere te zijn, dan hier te blijven in het lichaam. Het is ons beter te wandelen door aanschouwen dan door geloof.

Zoo verkiest dan de apostel in het geloof, door geloofswaardeering en liefdesbegeeren den toestand na den dood, zonder lichaam, ook al begeert hij het ontkleed als zoodanig niet, boven dit leven. Bij-den-Heere-thuis. Valt het u niet op hoe sterk de inlevende genade is bij den apostel, hoe het alles werkelijkheid voor hem is, geen koude bespiegeling, maar kennisse des geloofs, en hoe vurig zijn begeerte is, hoe sterk door den Geest als onderpand, de erfenis hem wordt ontsloten!

Ach, wat is dan toch het leven der kerk van heden nameloos arm, als wij hierop onze aandacht vestigen. Doch waarom zal ik hierover een klaagzang aanheffen, beter is het den rechten zin van hetgeen hier staat geschreven te verstaan en dan heilbegeerig te worden of wel versterkt in het bevestigd vertrouwen, zoodat hier het leven klopt in onze harten, in blijde verwachting van het heil ons toegezegd.

Ook een leven vol goeden moed, met den Geest als onderpand, is toch ver be-

neden het leven bij den Heere-thuis. Hij begeert niet de vernieling van zijn tent, maar door dood en opstanding heen hare volmaking. De Heere zal toch niet de eene helft laten in het land van den vijand! Het geloof houdt vast, het geloof omvat, het geloof ziet de werkelijkheid...

Uitwonen van het lichaam... Uitwonen, letterlijk staat er: van huis te zijn uit het lichaam. De geest kan dus zeggen, straks na het sterven: ik ben van huis uit het lichaam, dat mijn woning was, waarmee ik was verbonden door een hechten band, saamgesmeed in het vuur der goddelijke almacht, en dat bezit vergeet ik niet, maar ik verwacht den morgen der opstanding.

Geen wonder, dat de Bruid met den Geest roept: Kom Heere Jezus, ja kom haastelijk.

Van huis zijn uit het lichaam! Ook hier zien we dat de Schrift het sterven stelt als losmaking van den band tusschen lichaam en ziel, en dat de persoon blijft, want Paulus zegt immers: en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen!

Bij den Heere inwonen... Hier is geen zuivere tegenstelling met het voorgaande, er staat: thuis ten aanzien van den Heere.

Lichaam en Heere staan niet op één plan, liggen niet in hetzelfde vlak. Tot den verheerlijkten Heiland kan de mensch slechts in betrekking staan. Bij den Heere inwonen, huisgenoot Gods zijn, wordt geen opgelost zijn in God, maar verkeeren wij en genieten van de gemeenschap met Hem.

Met andere woorden, er is wezenlijk verschil in den band tusschen lichaam en geest èn geest en Heere.

Zij zullen zijn aangezicht zien en Zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn. De dienaar komt onder één dak met den Meester. Zalige gedachte, om naar de verwezenlijking te verlangen, bij den Heere inwonen. We weten tegenwoordig dat het bij elkaar inwonen een bron van ellende is in ons volksleven, door den grooten woningnood. Inwonen bij een ander gaat gewoonlijk met bezwaren gepaard of gaat geheel verkeerd, wordt een bron van haat en nijd, twist en krakeel.

Maar dit inwonen bij den Heere Christus brengt zalige rust en vrede; en bovendien, er is ruimte te over voor al de millioenen, die Zijn aangezicht zien; de een staat den ander niet in den weg, de gouden straten zijn breed en niemand behoeft te klagen, dat zijn gezicht op den Koning wordt belemmerd, noch dat anderen zijn liefde belemmeren. Zalig, als Bruid van dezen Koning Zijn aangezicht te mogen zien. Wie overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijnen troon, gelijk als Ik overwonnen heb en ben gezeten met Mijnen Vader in Zijnen troon.

De duivel zei tot den Heere over Job: huid voor huid en alles wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven. Maar hier zien we dat die wijsheid van den duivel toch dwaasheid kan zijn, want de liefde geeft het leven om bij den Geliefde te zijn.

Zoo kennen wij niet alleen stervensmoed, maar ook stervensbegeerte, door den Heiligen Geest als onderpand, die ons de erfenis voorstelt en er begeerig naar maakt. Anders kennen wij dit leven niet, willen wij er niet van weten zelfs.

Inwonen bij den Heere. Jezus zien van aangezicht tot aangezicht en de kroon werpen aan Zijne voeten, zingen het lied des Lams. Zijn in het Vaderland, in de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwheer God is. Daar is het Lam de kaars en de stad behoeft de zon en de maan niet. Zie, onze woning is bereid en zij zullen niet meer daaruit gaan. Hij is niet een God der dooden, maar der levenden, want zij leven Hem allen. Ja, ontbonden te wezen en met - Christus te zijn is zeer verre het beste. Wanneer wij de poort van het Paradijs binnentreden zullen wij Zijn aangezicht zien en aan Zijn Disch aanzitten, met alle de heiligen van het begin der wereld ingezameld als tarwe in de schuur des hemels.

Hij zal hun een Leidsman zijn tot de fonteinen der levende wateren. Gekocht met het bloed van den Zone Gods in het vleesch, zullen wij erven het zalige goed en eeuwig bij den Heere wezen.

Maar wij hebben goeden moed. en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen.

Wij hebben meer behagen... Dit kan ook niet anders wanneer heden en toekomst in het geloof op elkander worden afgewogen. Maar... alléén het geloof kan en mag wegen. Een teug van het water des levens doet immers verlangen naar een bad in den vollen stroom. Hoe meer wij mogen drinken uit de geestelijke steenrots Christus, hoe dieper verlangen om te wonen aan de fontein der levende wateren. Rutherford, varende op den oceaan der goddelijke liefde, zeide: „och, mocht mijn schip daarin verzinken totdat ik 40 vadem diep onder zijn liefde bedolven werd."

Een kind, dat niet verlangt naar het ouderlijke huis, heeft dat zijn ouders lief? Gods kinderen begeeren den dood, merkt Calvijn op, niet om door onbehoorlijke begeerte den dag des Heeren te voorkomen, want zij blijven gewillig in den aardschen stand, zoolang het den Heere belieft: want zij willen liever tot Christus' eer leven, dan zichzelven sterven, tot hun eigen nut. Want die begeerte, waarvan Paulus spreekt, is eene begeerte des geloofs. Daarom zij niet tegen Gods wil."

Wanneer wij dit getuigenis van den Geneefschen hervormer lezen, dan gevoelen wij de diepe vreeze Gods en het beleven van hetgeen de apostel schrijft. Calvijn zoekt het niet krachteloos te maken door op de levensroeping te wijzen, doch neemt het in die levensroeping op: wij hebben meer behagen om bij den Heere in te wonen en uit het lichaam uit te wonen.

Toets nu uw leven eens aan dit woord, en zeg dan in oprechtheid hoe het met het geestelijke leven staat in uw binnenste.

Zonder verzoening met God is dit getuigenis er niet, kan men er zelfs niet inkomen, want dan staat de dood als koning der verschrikking voor ons.

Laten we hier enkele bedenkingen, die zouden kunnen opkomen, onder de oogen zien.

David en Hiskia, om slechts deze beiden te noemen, hebben den dood afgebeden en • velen hebben gegruwd van sterven en ontbonden worden. Hoe kwam dat toch? Er zijn verschillende oorzaken voor te noemen. In de eerste plaats kan in het algemeen worden opgemerkt, dat de openbaring des toekomenden levens nog duister was onder de oude bedeeling, zooals wij meermalen aantoonden uit de Schrift. Vervolgens omdat onze natuur zonder de bediening der genade den dood verafschuwt en liever in kommer leeft dan sterft. Daarom legden wij er nadruk op, dat alleen in het geloof zóó kan worden gesproken, gelijk de apostel hier mag doen. Verder wezen we op de inwoning des Geestes als onderpand der erfenis, in den text.

Dan kunnen er nog bijzondere oorzaken zijn, die het leven doen vasthouden. Bij Hiskia was het mede hierom, dat hij wilde leven in den tijd, omdat hij nog geen opvolger had op den troon en derhalve de zaak raakte de belofte des Heeren, dat Hij Davids huis bestendig zou doen zitten op den troon, totdat de Messias kwam. De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tusschen zijne voeten, totdat Silo komt, denzelven zullen de volkeren gehoorzaam zijn.

Toch zijn de ouden in het geloof gestorven, de belofte niet verkregen hebbende, maar hebben van verre gezien en omhelsd.

Doch thans woont de Geest in de gemeente, als het lichaam van Christus. En het is zoo waar wat Calvijn nog aanteekent: „De begeerte waarvan Paulus spreekt, is de genegenheid van een welgesteld gemoed."

Is uw gemoed aldus welgesteld, zijt gij een rechtgeaard kind?

Kom, lezers, let nu eens op het volgende ter toetsing van uw leven; tot onderzoek van uw hart, als voor het aangezicht des Heeren.

Hier wordt het natuurlijke hart veroordeeld, dat zich niet bekommert om God en Christus, maar leeft voor de wereld en hetgeen dit leven biedt. Wel laat dit leven onrustig, maar er is geen begeerte naar verzoening en leven. We zijn van God vervreemd van de baarmoeder af, hebben geen lust aan de kennis van des Heeren wegen, weigeren ons te bekeeren, willen niet tot Jezus komen om het leven te hebben in Zijnen naam. Daarom is ons noodig hartveranderende genade, bekeering ten leven. Droefheid naar God, die eene onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid.

Doch ons textwoord veroordeelt ook alle aardschgezindheid bij Gods kinderen, hechten en hangen aan het leven, wat reeds hier een belemmering is in de gemeenschap des geloofs. Hoe kan het hart kleven aan het stof, terwijl de bede nauwelijks wordt gehoord: maak mij levend naar uw Woord.

Veroordeeld wordt hier de stand van het leven, waarin de verzoening niet is toegepast, zoodat er geen doorgang is in de eeuwigheid en de mensch blijft staan voor datgene, wat juist een bron. van vreugde en verlangen moest zijn.

Men wil liever leven dan sterven. Waarom? Omdat de dood zijn prikkel niet kwijt is en daarom kan men niet begeeren

te sterven. In oogenblikken, dat de liefde Gods in het hart straalt, ja, dan, zoo hoorden we meermalen, had men wel kunnen sterven!

Ach, veel ondervonden, lang geleefd, gerekend onder de gekenden des Heeren en toch niet kunnen sterven! Daarom ook geen inleving van dit: meer behagen... liever sterven dan leven, want het is beter bij den Heere in te wonen.

Anderen meenen niet gemist te kunnen worden, in hun gezin, in hun werk, en daarom hechten zij zich vast aan het leven. Maar niemand is onmisbaar en tenslotte kan de Heere beter zorgen dan wij dat kunnen. Hij kan zeggen: Ik ben de Rechter der weduwen en de Vader der weezen. Hij kan vragen: ben Ik u niet beter dan tien zonen? De beroemde John Owen meende ook onmisbaar te zijn en werd ziek en zwak, maar mocht weer herstellen en schreef een van zijn teerste werkjes: De genade en de plicht om geestelijk gezind te zijn; in een verhandeling over Romeinen 8 vers 6: Het bedenken des Geestes is leven en vrede. (The Works of J. Owen Vol. VII p. 268—497).

Tijdens zijn ongesteldheid had hij voor zichzelf deze overdenkingen gemaakt en was zoo een prediker ook voor zichzelf. Ja, wij preeken ook voor onszelf door genade. Zoo leeren wij in een weg van afbraak, van wereldonthechting dit woord van den apostel: meer behagen om bij den Heere in te wonen en van het lichaam uit te wonen.

Een arme ambachtsman stierf, omgeven van vrouw en kinderen, die nog jong waren. Vrouw, zoo sprak hij zacht, in de kast ligt nog 25 gulden, denk erom die te gebruiken ter betaling van schuld bij die en die. Draag daar zorg voor, het is het laatste wat ik heb. En toen getuigde hij van de zorge des Heeren, die zou gaan over zijn weduwe en jonge kinderen. Zie, dit levend getuigenis was zijn erfenis, die hij naliet, en de werkelijkheid van dit meer behagen in te wonen bij den Heere, deed hem blijmoedig sterven om in te gaan in de vreugde zijns Heeren.

Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar ik heb nimmer gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.

Wat kan nu op dit gebied geoorloofd zijn inzake de vraag van leven en sterven?

De bewustheid nog zoo weinig voor den goodelijken Meester te hebben gedaan, bij een klaar door den Heere aangewezen taak en roeping. Dan is het geen argument des vleesches om een schijn te geven aan de aardschgezindheid des harten, maar een gebonden worden aan de levensroeping, terwijl het blijft: het leven is mij Christus, het sterven gewin.

Soms kan het zijn dat het gaat als bij Mozes, die moest leven totdat hij het wachtwoord en de leiding van Israël kon overgeven aan Jozua, die door hem was onderwezen. Melanchton had een vlaag, zoodat hij zoo graag wilde sterven, maar Luther zei: „Filippus, ik wil het niet hebben."

Simeon, weer een ander voorbeeld, kon niet sterven, omdat de Heere had beloofd, dat hij den dood niet zien zou aleer hij den Christus des Heeren had gezien.

Maar zoodra deze belofte, die hem zeker veel strijd en worsteling heeft gekost, was vervuld, hooren wij hem zeggen: nu laat Gij, Heere, uw dienstknecht gaan in vrede naar uw woord, want mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien.

Zie, in zulke gevallen worden wij opgehouden door de waarheid Gods. Doch wil dit het geval zijn, dan moet er ook inderdaad zulk een ophouder zijn, anders is dit nog niet kunnen sterven geen vrucht der genade en der waarheid, maar gebrek aan geloofsleven. Vader Abraham vraagt, bij het klimmen der jaren: wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga? En toch, hij heeft niet getwijfeld aan de belofte Gods door ongeloof. Maar het was een zware worsteling bij de patriarchen, om de belofte van het zaad vast te houden in het geloof, terwijl alles ertegen scheen. Dan moeten wij ook nog het volgende opmerken.

Verkeerd is te willen heengaan om moeite en kruis te ontgaan, zooals Elia, die daar lag onder een jeneverstruik en klaagde: neem mijne ziel weg. En hij had zeer geijverd voor den Heere der heirscharen, door genade.

Altijd weer moeten wij bedacht zijn op de streken van het vleesch en de aanvallen en influisteringen van den vorst der duisternis.

Ook over onze heilige dingen moet verzoening geschieden, want ten volle geestelijk zijn wij nooit zoolang wij inwonen in het lichaam.

Ik moet werken, zoolang het dag is, zeide de groote Koning, de nacht komt, waarin niemand werken kan, daarom laat ons den dag waarnemen.

Hier is de begeerte om God volmaakt te kunnen dienen, daarom... meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen.

Daarom zijn wij ook zeer begeerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehagelijk te zijn.

In dit negende vers wordt de slotsom getrokken uit het vorige vers. Omdat de christen moed heeft en uitziet naar het thuis zijn bij den Heere, stelt hij er zijn eer in den Heere welbehagelijk te zijn. Dat wil zeggen: Gods begeerte te volbrengen. De ware christen doet dat niet gedwongen, maar volgaarne, vrijwillig, hij wenscht niet anders, ja, zijn eer zoekt hij in den dienst des Heeren. Wie bij den Heere wil zijn, erkent hier zijn wil en welbehagen, in welke omstandigheden zij zich ook bevinden.

Zoo brengt ons dit vers op het terrein der heiligmaking, dat nooit kan worden gescheiden van de rechtvaardiging door het geloof.

Als de apostel op den Christus mag zien, door het geloof, is alles wat aan Hem is, gansch begeerlijk, dan wordt de liefde des harten opgewekt en gaande gemaakt door den Geest, die den Christus verheerlijkt. Hij verlangt zijnerzijds den Heere liefelijk te zijn. Dat is nu zijn eerzucht om den Heere welbehagelijk te zijn.

Naar eer van menschen vraagt hij niet, maar naar de eere van Hem, die ons kocht met Zijn bloed. Ook zoekt hij zichzelf niet, want hij heeft alle dingen schade en drek leeren achten om de uitnemendheid der kennis zijns Heeren. Hij wordt aldoor aan zichzelf verloochend, om in Christus op te staan naar den nieuwen mensch. Zoo kunnen wij zijn klacht verstaan en beamen: zij zoeken allen het hunne en niet hetgeen van Christus Jezus is. Hij kent maar één eere, die van Christus. Hij kent maar één doel van zijn leven: Gode welbehagelijk te zijn. Het woord wil zeggen, zich met een bijzonderen ijver op iets toeleggen en daarin zijn eer stellen.

Hij stelt er roem in zijn Meester en Zaligmaker, zijn Heere te behagen. In dit lichaam en straks buiten het lichaam. Zijn verlangen omvat tijd en eeuwigheid beide. Hij begeert voor eeuwig zijns Heeren vreugde te zijn. Chefsiba, mijn lust is aan haar. Wij zijn het smarteloon van Jezus aan het kruis, wij worden het eere/oon door den Geest der heiligmaking, rustende in Hem als Borg en Middelaar.

Hier is de trek der weerkaatste liefde. Ja, het is om te bezwijken wanneer Hij doet ervaren, laat gevoelen, dat wij Hem behagen in den Geest. Het wil dan ook niet alleen zeggen: in gunst aanzien, zaligheid geven, maar Jezus zal zijn vreugde nemen uit de Zijnen, die Zijn beeld gelijkvormig worden. Een parel aan Zijn kroon, een lust voor Zijn oogen, zijn de beminden des Heeren. Ja, wij kennen de sprake der Bruid: ik ben zwart, doch liefelijk. Gelijk een bruidegom vroolijk is over de bruid, alzoo zal Mijn God over u vroolijk zijn.

Hier is het welbehagen des Heeren over degenen, die Hem vreezen en op Zijne goedertierenheid hopen. Neen, dit is geen eigenwillige godsdienst of eigengerechtigheid, dit is juist de vreeze Gods in haar teersten en diepsten vorm.

Daarop nu moeten wij bedacht zijn, zegt de apostel; neen, hij zegt meer: Daarom zijn wij ook zeer begeerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehagelijk te zijn.

Hij zegt niet alleen hoe het zijn moet, maar zeer bepaald hoe het is! Daarom is hier een toetssteen des levens, een kenmerk der gekenden Gods. Op het vaste fundament staat niet alleen, de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, maar ook: wie den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.

Dit staat op het fundament in Christus, onzen Heere. Het is in Hem gewaarborgd, maar wordt ook gevraagd; het kenmerk der gekenden. Niemand kan zeggen, Jezus de Heere te zijn dan door den Heiligen Geest.

De eenige zaak, die ons moet bezig houden bij dage en bij nachte is deze: hoe behaag ik Hem, en den Vader, door den Geest? En hoe behaagt de bruid den bruidegom? Door hem lief te hebben, hem te gehoorzamen, gebruik te maken van hetgeen hij geeft.

Hem behagen. Hem welbehagelijk zijn. Laat ik u iets vertellen. Een rijk man huwde een eenvoudige, arme maagd. Hij gaf haar ruime middelen om naar haar stand te leven. Zij kon op de bank geld halen.

zooveel zij noodig had, want hij kon haar vertrouwen. Na eenigen tijd zag hij zijn bankrekening na en werd teleurgesteld, want zij had veel te weinig opgenomen, om naar haar stand te leven. En hij zei: ik heb je lief, maar je hebt me toch diep teleurgesteld, want je hebt geleefd als arbeidersvrouw, dat is mijn schande!

Zie, gaat het zoo niet velen? Zij leven zoo arm, en vergeten wie zij zijn.

Paulus haalde geweldige bedragen van de bank des hemels, want hij zocht den Koning te behagen, die niet met centen werkt, maar met goud.

Ja, hij heeft den Heere zeer welbehagelijk geleefd, omdat hij der wereld gekruist was en de wereld hem, omdat hij groote gedachten had van den Heere. Hij roept uit om Hem te behagen: maar Christus is alles, en niets kan ons scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus onzen Heere.

Hij wil Hem welbehagelijk zijn, en hij zingt in den kerker, roemt in de verdrukkingen, heeft zijn leven niet lief voor zichzelven.

Alle gedachten wil hij gevangen leiden onder de gehoorzaamheid van Christus, alle vermogens der ziel op Hem richten, alle geestkracht voor Hem besteden, hij werpt zijn gansche zijn in de schatkist van Christus.

De bruid gewaagt ervan in het Hooglied: e dudaim geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o Mijn Liefste, die heb ik voor U weggelegd (Hooglied 7:13). De alles innemende liefde van Christus heeft het hart vervuld. En dat hart is Jezus' hof. Ze noodigt den Koning-Bruidegom aan de deuren van haar hart. Daar staat een wijnstok tegen den muur, de dudaim bloeit en de deur staat open. Zij wil Hem onthalen op hetgeen Hij zelf kweekte. Uwe vrucht is uit Mij gevonden en dan toch: ierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt. Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen. Hoort gij, welke nauwe band er is door den Geest met Christus? Ja, zij dragen Gode vruchten. Weggelegd voor Jezus, niet opgelegd voor zichzelf. Gij zult genoemd worden: ijn lust is aan haar.

Is u dit verborgen leven des geloofs bekend, mijn lezer? Wij raken hier dieptepunten des levens in gemeenschap met Christus.

Hem welbehagelijk zijn in ons overdenken; zinnen: hoe behaag ik mijnen Heere! Niet om Zijn liefde te koopen, maar om onze liefde te openbaren. Hem welbehagelijk zijn in leven en sterven, beide nu en in de eeuwigheid.

Dat ons mishage wat Hem mishaagt, en behage wat Hem behaagt, opdat wij Hem kennen en de kracht Zijner opstanding. Hiertoe behoort ook het voeden der hongerigen en het kleeden der naakten, het bezoeken van weduwen en weezen, het weiden zijner schapen en het hoeden Zijner lammeren.

Ach, dat wij vruchtbaar mogen zijn, in die bekoorlijkheden, die Hem het meest behagen. Hebt gij geen albasten flesch met kostelijke nardus om uit te gieten over zijn hoofd? Hebt gij geen tranen om zijn voeten nat te maken in boetvaardigheid?

Niemand leeft zichzelven en niemand sterft zichzelven; hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.

Daarom zijn wij ook zeer begeerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehagelijk te zijn. Hem zij de heerlijk-heid in der eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 2 October 1948

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

In het licht der eeuwigheid

Bekijk de hele uitgave van Saturday 2 October 1948

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken