Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christus’ geboorte aangekondigd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christus’ geboorte aangekondigd

19 minuten leestijd

(Lucas 1 vers 26—33)

Vers 32 en 33: Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoog sten genaamd worden; en God de Heere zal Hem den troon van Zijnen vader David geven.

En Hij zal over het huis Jacobs Koning zijn in der en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

4

Reeds hebben • wij een begin gemaakt met de overdenking van de grootheid van de Spruite Davids. Laten we dit onderwerp vervolgen en letten op de grootheid van den Zone Gods in het vleesch, in Zijn ambten.

Zie, Sion lag in puin en was een woonstede der draken, maar deze zal groot zijn. Hij is onze eenigé Hoogepriester, die • met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. Hij brengt het offer der verzoening en des vredes. Wie kan Hem evenarén? Deze is groot tot in eeuwigheid. Hij legt Zijn leven af om het wederom te nemen.

Hij offert en bidt, zooals geen tweede, ja, zooals niemand anders. Aan Zijn liefdehart wordt de liefde ontstoken dergenen die Hem in onverderfelijkheid beminnen. Hij draagt de gouden wierookschalen nu voor den troon. Wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.

Hij is groot als Profeet, want Hij leert den weg Gods in waarheid, ja, Hij kan zeggen: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Wanneer Hij den weg wijst naar God, terug tot onzen Maker en Formeerder, dan wijst Hij op Zichzelf. Niemand komt tot den Vader dan door Mij, zoo getuigt Hij. En is Hij daarin niet groot? Want hebt ge u wel ingedacht wat noodig is om tot God weder te keeren? Niets minder dan eene volledige verzoening der zonden, eene volmaakte gerechtigheid, hoe zouden wij anders God kunnen ontmoeten! Hij is een verteerend vuur en een eeuwige gloed, wij zouden bij het naderen tot God, bij het komen in Zijn nabijheid, reeds in vlam gaan en verbranden; Zijn toorn rookt en Zijn ijver brandt tegen den zondaar. En hoor nu. Hij leerde: Ik ben de weg, daarom moest Hij in het vuur der verbolgenheid Gods ingaan, om anderen daarvan te kunnen verlossen. En daarom: deze zal groot zijn, ook heden, want nog gaat Hij voort dit te leeren en te laten leeren in Zijn Kerk op aarde, dat Hij de weg is en de waarheid en het leven. Hij is ook de groote Koning, van Isrels God gegeven. Hij heeft ontvangen alle macht in den hemel en op aarde. Hij is Koning over Sion, den berg van Gods heiligheid, maar ook Heere der wereld. Hij heeft het boek met de zeven zegelen in handen en ontvouwt het raadsplan Gods.*

Gezegend is Hij, die daar komt in den naam des Heeren.

Groot is Hij in hetgeen Hij tot stand brengt door die ambten als de Christus, de Messias, de Gezalfde des Vaders, met den Heiligen Geest zonder mate.

Vader, Ik heb voleindigd het werk, dat Gij mij te doen gegeven hebt, en nu Vader, verheerlijk Mij, met de heerlijkheid die Ik bij U had, eer de wereld was.

De dood ligt dood aan Zijn voeten, door Zijne opstanding bracht Hij het leven en de onverderfelijkheid aan het licht. Zijn victorie is volkomen, de nederlaag der vijanden afdoende. Hij verwierf volle vrede en deelt dien uit van Paschen tot heden, gewaarborgd in een zoutverbond. Eeuwige blijdschap zal zijn op de hoofden Zijner' onderdanen. Hoe groot is Hij in Zijn verdiensten. En dat voor een schare, die niemand tellen kan, uit alle volken, talen, tongen en natiën.

Ja, zo is Hij ook groot in de heerlijkheid des hemels, voor engelen en zaligen; groot voor Zijnen Vader, Die Zich in Hem verlustigt door de glorie, die Hij Hem schonk.

Welk een grootheid openbaart de Koning in de hoofdstad Zijns Rijks! Aldaar zal geen nacht zijn en Hij draagt de Zijnen voor en zegt: Vader, Ik wil dat diegenen bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen.

Hij maakt uit vaten des toorns, vaten der eere. Geen wonder dat Hij groot is in de achting dergenen, die Hij kocht met Zijn bloed en wederbracht in de gunste Gods. En toch, zoolang wij hier beneden zijn, belijden wij het met schaamte, dat Hij nog dikwijls zoo weinig groot is, want alleen het geloof kan Hem in Zijn grootheid zien en belijden, en zóó verheerlijken.

Als de gansche eeuwigheid kon spreken zou zij niet in staat zijn, te uite» het zoete zijner liefde, al de gewisheid tfan zijn waarheid en trouw. De bede stijgt op, dat de Vader door den Geest paarlen hechte aan Zijne Middelaarskroon. Dan neemt de kracht van het snarenspel te Zijner eere toe.

Zalig onzen naam te lezen in Zijne handpalmen, Hem als Borg en Zaligmaker te ontmoeten en te omhelzen. Te verkeeren in Zijn Huis en aan te zitten aan Zijne tafel. Ons te verbergen in de schaduw Zijner vleugelen, met het teeken des Lams gemerkt, door bloed aan oor en voet.

En de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden, aldus vervolgt Gabriël.

Zoo ontsluiert hij het groote geheim der vleeschwording. Het Kindeke dat Maria zal ontvangen, zal groot zijn, maar niet zooals Johannes óók groot was, groot binnen de grenzen van het menschelijke, neen, groot, oneindig ver uitgaande boven datgene waarin een mensch door de genade groot kan zijn in Christus. Groot, want Hij zal de Zoon des allerhoogsten genaamd worden. Hij zal God zijn!

Wat zal Maria steeds dieper ontroerd zijn geworden bij het aanhoren en opnemen van deze woorden des engels. Haar Zoon, zal ook Gods Zoon zijn. Diepe verborgenheid!. Zoon Gods, Die zetelt opf den troon der eeuwige majesteit. Welke betrekking ontsluit zich hier voor de arme maagt tot den Schepper van hemel en aarde. Haar zoon, ja, maar ook Gods Zoon. Ziet, dat was onder de kinderen der menschen nog nooit voorgekomen, want wel is waar, de eerste mensch heette zoon van God, Adam, de zoon van God, de eerste mensch, maar hij niet God!

Hier is het mysterie der godzaligheid; God geopenbaard in het vleesch. Toen nog geen schepsel zich roerde en nog geen fonteinen waren, zwaar van water, was Hij de voedsterling des Vaders. Zijn schoots-

zoon, gelijk Hij zeide: eer Abraham was, ben Ik. Hij had de heerlijkheid bij den Vader eer de wereld was.

Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. God verlustigde zich in het evenbeeld Zijner heerlijkheid, het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid. Wij kunnen den grond dezer diepte niet ontdekken, ons peillood haalt den bodem niet. In den afgrond dezer Goddelijke verborgenheid kunnen wij niet afdalen. Hier heeft ons verstand zijn grens, deze kennis is ons te wonderbaar, wij kunnen er niet bij. Hier blijft alleen aanbidden over. Hier duizelen wij voor de onbeperkte diepten Gods. En dat blijft eeuwig zoo! Dat nu, wat uit Maria geboren wordt, de Zoon des Allerhoogsten zal genaamd worden, leert ons, dat het Kindeke niet alleen mensch, maar ook God is. God-mensch. Immanuël, God met ons. Hier huwen God en onz^ natuur op het innigst en toch vervloeien zij niet in elkander.

Maar toch zijn God en mensch zóó nauw vereenigd, dat zij nimmermeer kunnen worden gescheiden en zelfs in den dood bleef de Zone Gods verenigd met Zijn geest in de handen des Vaders en met Zijn lichaam in het graf, anders ware Hij niet de Zaligmaker geweest en zou de buit der verlossing Hem zijn ontgaan, juist toen Hij hem verwierf, en in de opstanding opleverde en aan het licht bracht. ...en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden...

De Allerhoogste, de Hooge en de Verhevene, zendt Zijnen Zoon op aarde, in de kribbe. Hij had maar één Zoon en Hij zond Hem, gaf Hem, leverde Hem over in de handen der ^ondaren, wie kan deze liefde Gods verstaan, deze heilige rechtvaardige liefde? Zij gaat al ons begrip ver te boven.

Wij zien het, maar doorgronden 't niet. En toch zal het licht der genade en de Geest des geloofs dit wonder, in het Vaderharte Gods zoo diep verborgen, ontdekken. De Kerk zal ervan zingen, de hemel met zijn lof worden vervuld.

Hij zal de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden.

Genaamd worden, dat is: alzóó genoemd, bekend en aangebeden. Hoe diepzinnig heeft de apostel Johannes geschreven over dit noemen en geleerd dat wie Hem alzoo niet noemt, erkent en belijdt en in Hem gelooft, niet is uit God.

De engel profeteert hier van de Kerk van Christus, waarin de zalige Petrus-belijdenis zal worden vernomen: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Dit hebben zij bekend en geloofd.

Zalig zijt gij, Simon bar-Jona, want vleesch en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. Ja, deze belijdenis des harten schenkt in het geloof de zaligheid in dezen naam besloten, door dezen Christus verworven en in Hem geschonken. Is Hij dit nu voor u?

Kennen wij ook den uitroep van Thomas: Mijn Heere en mijn God!

Ware Hij niet geboren Kind, Hij kon geen Zaligmaker van zondaren zijn: ware Hij niet de Zoon des Allerhoogsten, Zelf God, Hij had den last van Gods toorn niet kunnen dragen, noch een eeuwig geldende gerechtigheid kunnen aanbrengen.

De Zoon des Allerhoogsten... Hem in wezen gelijk en in macht, en in heerlijkheid. Het noemen heeft het zijn tot veronderstelling, en wil zeggen, dat het zijn ook uitkomt in het noemen, zichtbaar wordt, erkend en geprezen wordt.

En God, de HEERE, zal Hem den troon Zijns vaders Davids geven en Hij zal over het huis Jacobs Koning zijn in der eeuwigheid en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn (vs. 32b en 33).

God, de schepper van hemel en aarde, de Hooge en Verhevene, maar tevens de HEERE, Zich in genade nederbuigend tot Zijne verloren menschenkinderen. Heft uwe oogen op omhoog, en ziet wie deze dingen geschapen heeft; die in getal hun heir voortbrengt, die ze bij name roept, vanwege de grootheid zijner krachten.

Hij is aller schepselen gebieder en Koning. De naam Heere nu brengt bij Maria in gedachtenis Gods trouw en belofte aan de vaderen. En deze naam wordt ontsloten in het Kindeke dat Maria baren zal, de Zone Gods in het vleesch. Vader, Ik heb' Uwen naam geopenbaard. God de Heere — zalig Hem zóó te mogen en te kunnen aanspreken in blijde en droeve dagen, in vreugde en smart.

God, de HEERE, zal Hem geven... de Messias krijgt dus van den Vader een troon, wordt Koning gemaakt... zoo wordt ons gewezen op Zijn ambt als de Christus, op Zijn dienst als Knecht des Vaders, in de verlossing.

De Zoon in het vleesch krijgt een troon, een bestelde troon, vanouds gesteld door Gods welbehagen. Ik heb eens gezworen bij Mijne heiligheid, zoo ik aan David lieg: Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen en uwen troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela. Dies loven de hemelen Uwe wonderen, o Heere, ook is Uwe getrouwheid in de gemeente der heiligen. O Heere, God der heirscharen; wie is als Gij, grootmachtig. O Heere, en Uwe getrouwheid is rondom U (Ps. 89).

Van oude tijden had de Heere hierop de aandacht Zijns volks gevestigd, en deze belofte van het eeuwige koningschap moest hen troosten in druk en lijden. De Messias zou zitten op Davids troon, het rijsje uit den afgehouwen tronk van Isaï, de scheut uit zijne wortelen, zou vrucht dragen.

De Heere heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal zeggende: van devrucht uws lijfs zal Ik op uwen troon zetten (Ps. 132).

Israël zag dus een Koning tegemoet, wiens troon geen opvolger zou kennen, de meerdere David, wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.

Amos profeteerde: Te dien dage zal Ik de vervallen hut Davids wederoprichten... en de ploeger zal den maaier, en den druiventreder den zaadzaaier genaken, en de bergen zullen van zoeten wijn druipen en de heuvelen zullen smelten.

De Messiaansche tijd wordt geteekend in beelden aan Kanaan's landbouw ontleend. Zaaien en oogsten zullen samen vallen, altijd en enkel oogst zal het zijn. Ploegen en maaien gaan hand aan hand. De wijn zal van de berghellingen stroomen, want de wijnstok draagt zeer overvloedig.

Het zal alles door den vrede bloeien, zingt David in psalm 72.

Welke gedachten van rijkdom, vrede en welvaart moest dit alles oproepen voor Israël, vaak bezocht met een koning, die onderdrukte, 'met misgewas en schaarschte des velds.

In aardsche beelden wordt hun de komende heerlijkheid en overvloed van het Rijk van Vorst Messias gepredikt. Zoo verlangden zij naar Zijn komst, zagen uit met vurig verlangen, leerden dat ten slotte niet David, noch zijn opvolgers de Messias waren, doch Zijn komst slechts aanwezen en uitbeeldden.

De tijd der vervulling is gekomen.

Maria leefde als vrome Israëlietische maagd bij het Woord der vervulling, putte er Jioop en kracht uit, nu de hutte van David was vervallen. Ook Nathan had van dezen Vorst geprofeteerd tot David. Wanneer de dagen zullen vervuld zijn, en gij met uwe vaderen zult ontslapen zijn, zal Ik uw zaad na u doen opstaan... en Ik zal den stoel Zijns Koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid.

Hoe ontroerd was David toen, en hij ging naar zijn huis en stamelde: Wie ben ik, Heere HEERE en wat is mijn huis...! En wat zal David nog meer zeggen, want gij kent uw knecht wel! Davids troon is opgericht in een bangen weg van lijden. • Hoelang was Hij niet gezalfd aleer hij koning werd over het huis van Juda, aleer hij de ark v kon opvoeren naar Jeruzalem. Hij heeft moeten strijden en lijden, oorlogen voeren, barrevoets gaan!

Hoor nu Maria, het gaat over den troon van vader David! Gij zult moeder zijn'van den eeuwigen David, die zitten zal op den troon, en geen opvolger kent, noch voorganger. De man naar Gods hart toch was wel type van den Messias, maar niet Zijn voorganger.

David is des Messias' vader naar het vleesch, en toch is Hij tevens Davids Heere. De dochter Davids mag den troonbeklimmer van vader David dragen onder haar hart, Hem haar vleesch en bloed schenken, opdat Hij de ware Messias zal zijn. Uit den zade Davids. Zij krijgt een zoon en deze Zoon krijgt den troon, die geen opvolger kent, want Hij zal eeuwig Koning zijn.

De troon van Zijn vader David... God de Heere zal Hem dien geven. Koninklijke macht en heerschappij zal Hem ten deel vallen door den wil des Vaders. Zoo dikwijls als de profeten spreken van stichting en bloei der Kerk, roepen zij de gansche verwachting en hoop der geloovigen terug tot het koningschap van David (Calvijn).

Maar laten we een oogenblik toeven bij de vraag of Maria een Davidide was. Sommigen toch zeggen dat zij uit het huis van Levi was. Jezus zou dan zoon van David heeten in verband met Jozef, die stamde uit Davids geslacht (b.v. Zahn).

Indien Maria geen Davidide was kon zij dan de aankondiging van den engel

verstaan, daar zij juist van elke verbintenis in deze zaak met een man, en dus ook met Jozef afziet (vs. 34). Neen. Er is alle grond aan te nemen, dat Maria van David afstamde. Dan sprak het vanzelf dat haar Kind, hoe zij dat ook mocht ontvangen, en wat Jozef ook mocht doen, David tot voorvader had, en gezegd kon worden dat Hij den troon van Zijn vader David zou ontvangen. Hoe sterk spreekt de Schrift van deze afstamming van David in 2 Samuël 7 en de apostel Petrus verwijst daarheen, om niet meer te noemen. Zoowel Jozef als Maria zijn Davididen geweest, maar aangezien Jozef slechts pleegvader is geweest, zien wij het Zoon van David van den Christus in de lijn van Maria. Zoo kon de engel nu zeggen: Ik zal Hem den troon van Zijnen vader David geven. Er zat geen Davidide op den troon maar een Idumeër, Herodes. Davids huis was een afgehouwen tronk. Maria's Zoon is een rijsje uit dezen tronk, eene spruite Davids. Wie den Zoon krijgt ontvangt in Hem den troon.

Het is niet een herstelling van Davids troon, , maar vervulling, gelijk Ezechiël in zijn raadselachtige voorstelling van den Kerstboom (Ez. 17 : 22, 23) een takje ziet afgeplukt van den stamboom van Juda-Israël, en dus weggenomen van den ceder om zelf een grooten heerlijken ceder te worden, waarin vogels van allerlei gevleugelte zullen nestelen en schaduw vinden. Met Christus komt de hemelsche vervulling van Davids koningschap en wordt losgemaakt in die vervulling van Israël als natie, en van David als koning, al moet Hij uit Davids huis en geslacht zijn. Zijn komst in de historie, uit David, maakt Hem tegelijk los van het aardsche koningschap en zoo verschijnt Zijn Rijk als een eeuwig Koninkrijk. Christus is de ware David. Davids rijk is type van het Rijk Gods.

Hoe wonderlijk handelt de Héere hier en hoe teer, zoodat Gabriël nog niet zegt wat Simeon, met het Kindeke in zijn armen, zal profeteeren tot Maria: een zwaard zal door uwe ziel gaan. Christus ontvangt Zijn Rijk als gifte des Vaders. En met den troon ontvangt Hij ook Zijn volk. om het te verlossen en vrij te koopen, te regeeren en te beschermen, leven en vrede te schenken.

En, zoo voegt Gabriël eraan toe: Hij zal over het huis Jacobs Koning zijn in der eeuwigheid en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

David was koning over het huis Jacobs over Israël. Welnu, dit Koningschap tot hooger plan opgeheven, ontvangt de Messias, uit Davids huis; de zaligheid is uit de Joden, zegt Paulus. Maar, nu moeten de Joden gelooven in dien Vorst, zullen zij zalig worden en losgemaakt worden uit hun nationaal bestaan om ingevoegd te worden in het Koninkrijk Gods, dat geen nationale grenzen meer heeft, en met den Pinksterdag doorbrak door den middelmuur des afscheidsels, om naar het profetische Woord over de wereld verspreid, alle volken in zich op te nemen, opdat een schare onderdanen zal verschijnen voor den troon, uit alle geslacht, tale. tong en natie.

Koning over het huis Jacobs, zoo zegt Gabriël. Dit was voor Maria verstaanbare taal. Allereerst kwam de Messias tot de verloren schapen van het huis Israëls, maar Hij zou het volksbestaan van Israël niet herstellen, want Zijn Koninkrijk was niet van deze wereld. Een ster zou opgaan in Jacob... ja. de Zon des heils verrijst aan de kimme, de dageraad gaat op en het licht der wereld verschijnt, de Zoon des allerhoogsten, de Koning over het huis Jacobs. Een Koning over een onwaardig volk.

Hoe diep worden wij beschaamd, wapneer de Heilige Geest onze onwaardigheid doet zien; dan worden wij onttroond en ontkroond, opdat Jezus Koning zal zijn in ons hart.

Jezus bezit niet alleen Koninklijke waardigheid, doch oefent ook Koninklijke heerschappij. Het voorzetsel over. wijst daarop. Hij oefent heerschappij, Hij regeert. De naam Jacob wordt gebruikt opdat wij zouden denken niet alleen aan de tien stammen, maar aan gansch Israël, het volk der verkiezing. Zoo wordt hier door het bondsvolk heen gewezen op geestelijk Israël, de Kerk Gods aller eeuwen. Maar dit punt wordt door Gabriël thans niet nader toegelicht. Daarom ging het heden niet, maar om de ontvangenis van den Messias, uit de maagd Maria geboren.

Zoo heeft de Heere Hem tot Koning gezalfd over Zion, den berg Zijner heiligheid.

Hij zal Koning zijn, onze God voert heerschappij. Zacharia zong ervan: Hij heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijnen knecht, gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn... Dat wij verlost •zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreeze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de - dagen onzes levens.

Hier zijn de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid Gods, met welke ons bezocht heeft de opgang uit de hoogte.

Zie, de vijanden worden verslagen, Hij sticht Zijn vrederijk, waarvan werd gezongen in de velden van Efrata: Vrede op aarde, in menschen een welbehagen.

En Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. Rijken bloeiden op en gingen ten onder in der eeuwen loop, maar Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijne heerschappij is van geslacht tot geslacht.

Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uwe mogendheden uitspreken.

Alle Uwe werken, Heere, zullen U loven, en Uwe gunstgenooten zullen U zegenen.

Ja, de koningen, hoezeer geducht, zijn met hun heiren weggevlucht, zij vloden voor Zijn oogen. Wel was de aanval verwoed, want de draak stond voor de vrouw, die het kindeke baren zou om het te ver slinden, maar Hij is weggerukt tot God en Zijn troon. Hij regeert eeuwiglijk door Zijne macht.

En welk een Vorst is Hij, voor Zijne onderdanen! Zijn juk is zacht en Zijn last is licht. Hij regeert rechtvaardig, wijs en zacht. Hij voedt, kleedt en onderhoudt Zijne onderdanen, wil met hen eten aan dezelfde tafel en biedt zichzelf tot spijze en drank.

In Zijne dagen zullen de rechtvaardigen bloeien en een veelheid van vrede zal er zijn. Neen, Zijn onderdanen zullen de nederlaag niet lijden, want Hij staat voor ons in.

Zij hebben overwonnen door het bloed des Lams. En terwijl de eeuwen voortwentelen. rijken op-en ondergaan, blijft Zijn Rijk bestaan, worden nieuwe onderdanen toegevoegd, door den loop van het Evangelie des Koninkrijks, dat als het eeuwig Evangelie allen volken moet worden gebracht.

Zalig, een onderdaan van dezen Koning te zijn. van dit derde Rijk, dat geen einde heeft. Straks hooren we den zegezang: Nu is de zaligheid en de kracht en het Koninkrijk geworden van onzen God en van Zijnen Christus. Bedrijft vreugde, gij hemelen, want de Heere heeft Zijn volk vertroost.

Zie, de Bruidegom komt, ga uit Hem tegemoet, de lenden opgeschort en de kaarsen brandende. Hij is in blinkende wapenrusting gekleed, die niet doorboord kan worden. Hij overziet met arendsoog het slagveld der volken. Hij zal voor eeuwig regeeren.

Er moge verandering komen in de wijze Zijner regeering, wanneer de gansche schepping tot volle gehoorzaamheid aan God is teruggebracht en satan met de zijnen is uitgebannen, zijn regeering neemt toch geen einde.

Deze zal groot zijn...

Ook als Hij komt in Zijn Koninkrijk, op de wolken des hemels, met de weegschaal der gerechtigheid in de hand. De aarde zal wankelen, jammérkreeten zullen worden gehoord: gij bergeen valt op ons en de blijde uitroep worden vernomen: Gij hebt als Koning geheerscht.

Zoo richten we op dezen laatsten Adventszondag onzen blik naar Bethlehem. Daar werd Hij geboren, in doeken gewonden, neergelegd in de kribbe, in den stal.

Wat aller heiligen hope was, Wat Adam reeds verwachtte, Wat de ziel van Job genas, Temidden van zijn klachte; Wat Jacob droomde, David zong, Heel Israël moest ontvouwen; Wat als de ziel heel 't Woord doordrong, Is alles hier t' aanschouwen.

Laten we, met een zanger uit het Jodendom geboren, zingen van dezen Spruite Davids, die voor eeuwig den troon beklom:

Looft dien Spruit, gij uitverkoren, Gij verborgen Bethlehem. Looft dien Heerscher u geboren, Burgers van Jeruzalem. Looft, gij heem'len, loof gij aard, God in 't vleesch geopenbaard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 december 1948

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Christus’ geboorte aangekondigd

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 18 december 1948

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken