Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het huwelijk van MOZES

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het huwelijk van MOZES

12 minuten leestijd

Zooals we weten is Mozes gevlucht uit Egypte, nadat hij een Egyptenaar had verslagen. Mogelijk, dat hij niet aanstonds de vlucht nam, maar eenigen tijd na het gebeuren, toen de zaak aan Farao was ter oore gekomen en deze hem wilde laten terechtstellen. Deze vlucht wordt in Hebr. 11 vers 27 opgevat als geloofsdaad. Mozes doet geen moeite zich met Farao te verzoenen, maar blijft zich stellen aan de zijde van zijn eigen volk.

Toen Mozes vluchtte was hij meer dan 40 jaar oud en de Farao, die hem zoekt te dooden is Thutmes III (1501 — 1447 v. Chr.). Hatsjepsoet, de dochter van den vorigen Farao, die Mozes in het biezen kistje uit den Nijl had gehaald, is blijkbaar gestorven. Mozes dan vlucht naar Midian, dat lag ten Zuiden en Zuid-Oosten van Kanaan. Ook het Noord-Westelijk deel van het Sinaï-schiereiland werd tot Midian gerekend, evenals de berg Sinaï. De Midianieten waren zwervende steppebewoners, afstammelingen van Abraham en Ketura (Gen. 25 : 2). Zij waren, evenals de andere zonen van Abrahams bijvrouwen, naar het Oosten van Kanaan weggezonden (Gen. 25:6).

Op zekeren dag komt hij bij een put, in den omtrek. Daar komen meisjes het vee drenken. Dit waren nu zeven dochters van de priester te Midian, te weten van dit deel van Midian. De godsdienst was wel heidensch, maar kon toch nog wel eenige overlevering van hun voorvader Abraham hebben opgenomen. Patriarchenverhalen zijn er zeker nog in omloop geweest.

De zeven dochters van dezen priester van dit deel van Midian moesten nu eerst het water putten en in een drinkbak storten, waaruit de schapen of het kleinvee (voor rundvee was de streek zeker niet vruchtbaar genoeg) hun dorst konden lesschen. Mozes kan het niet hebben dat er nu herders komen, die deze meisjes wegjagen van den put. Zijn oude drang om het verdrukte te helpen komt weer boven.

In het voorbijgaan kunnen we opmerken dat die priester blijkbaar niet zoo heel veel ontzag had, zoodat althans zijn dochters ontzien zouden worden, wat echter niet gebeurt, zooals we lezen (Ex. 2 : 11—22). Mozes helpt de herderinnen, dochters van den priester. Het schijnt gewoonte te zijn geweest en nóg te zijn trouwens, dat de meisjes op het Sinaï-schiereiland als herderinnen werkzaam zijn, en bij de Bedoeinen meer vrijheid genieten zelfs dan getrouwde vrouwen. '

Onwillekeurig denken we aan het gebeuren van Eliëzer, den knecht van Abraham, bij den waterput, met Rebecca, de dochter van Laban (Gen. 29).

Die priester van Midian, van wiens zeven dochters we hier hooren, heette zelf Re'oeël (Rehuël) wat beteekent vriend Gods, al zegt dit op zichzelf niet van welken god. Deze priester toch was een heiden, al weten we niet of nog meer of minder trekken van den waren godsdienst in het geloof van deze stammen was opgenomen uit de overlevering van de aartsvaders. Waarin het priesterwerk van dezen man bestond weten we niet, maar we leeren hem wel kennen als een verstandig man, die verder ook belang stelt in het lot van het volk Israël in Egypte, zooals later blijken zal.

Nu is er echter iets merkwaardigs omtrent zijn naam, waarop wij wijzen. In Exodus 3 vers 1 heet deze Re'oeël toch Jethro. Dit zal wel een ambtsnaam zijn en kan beteekenen: hoogheid, eminentie.

Mozes nu wordt door de dochters van Rehuël of Jethro aangezien voor een Egyptenaar, zeker op grond van zijn kleeding en taal. De dochters vertellen aan hun vader van hun ontmoeting met Mozes en deze dringt erop aan Mozes gastvrijheid te verleenen.

s Mozes nu laat zich overhalen bij dezen priester van Midian te blijven. Deze geeft hem dan, na verloop van tijd, zijn dochter Zippora (beteekent: kleine vogel) ter vrouw. De macht van den vader toch beschikte over de dochters bij het uithuwelijken in die dagen. Mozes krijgt bij deze vrouw Zippora een zoon, dien hij Gersom heet. Het blijkt bij deze naamgeving dat Mozes heimwee heeft naar Egypte, niet om dit land of hetgeen hij verliet aan kansen en rijkdom, maar om zijn volk, om Israël. Daar wonen zijn broeders en worden verdrukt op het snoodste. De verlosser in hem blijft leven. „Ger" beteekent vreemdeling en „sjoom" hangt samen met „daar". Hij spreekt uit, dat hij een vreemdeling is, die weliswaar onder bescherming staat, in een land, dat aan een vreemd, een niet-Israëlietisch volk toebehoort óf door niet-Israëlieten wordt bewoond. Met al de vriendelijkheid, die hij ondervindt en den zegen, dien hij geniet hierin Midian, óók in zijn huwelijk door het ontvangen van een zoon, voelt hij zich in ballingschap, in den vreemde, dat wil ook zeggen: in loutering. Mozes, de vreemdeling!

We slaan nu verscheidene jaren over

uit het leven van Mozes. waarin wij trouwens ook niet veel van hem hooren, om de lijn te vervolgen die ons bezig houdt, de verhouding van Mozes tot Zippora, zijn vrouw, dochter van Jethro den priester van Midian, en zijn ervaringen in zijn huwelijk.

In Exodus 3 vers 1 tot 4 vers 17 wordt ons dan verhaald de verschijning van den Heere aan Mozes in den brandenden braambosch.

Een belangwekkend stuk Godsopenbaring van de grootste beteekenis voor de heilshistorie en de redding van Israël uit het diensthuis van Egypte.

Dit gebeuren verplaatst ons vele jaren na Mozes' huwelijk en verblijf in Midian. Hij is herder van het kleinvee van zijn schoonvader geworden en heeft die geweldige ontmoeting bij den brandenden braambosch, waar hij wordt geroepen, in den naam des Heeren, Israël te verlossen uit Egypte en zijn getuige te zijn voor Farao en zijn eigen volk. Maar dat belangwekkende stuk openbaringsgeschiedenis laten we heden rusten. Alleen willen we terloops opmerken, dat de brandende braambosch is gekozen als kerkzegel van de Fransche kerken (1583) met den naam Jehova in het middelpunt en als omschrift: „Ik brand, maar ben niet verteerd." De lezers weten dat dit was na de bloedbruiloft, toen het Protestantisme in Frankrijk een vernietigenden slag had ontvangen.

Van Frankrijk ging dit devies over naar Schotland en verscheen het eerst als titelpagina van een boek; verder op de acta, handelingen van de Assemblee en thans heeft de Schotsche kerk het tot zinnebeeld, embleem, kerkzegel, evenals de zusterkerken in Schotland en andere landen. De brandende braambosch als embleem en de woorden: en werd niet verteerd (nee tamen consumebatur) als motto.

Dit echter in het voorbijgaan, want het gaat ons nu alleen om de geschiedenis van Mozes en zijn gezin.

In Exodus 4 vers 18 tot 23 lezen we van Mozes vertrek uit Midian naar Egypte. Mozes keerde terug met zijn kudde naar zijn schoonvader Jethro, die hier Jether wordt genoemd. Mozes deelt hem zijn plan mee om zijn volk te gaan bezoeken in Egypte. Jethro was blijkbaar vrij inschikkelijk van aard en laat Mozes gaan, terwijl hij de beste wenschen uitspreekt voor Mozes' heil op dezen tocht, hoewel Mozes toch bij hem in dienst was. Hieruit blijkt ons dat Mozes zijn zelfstandigheid toch had bewaard tijdens zijn verblijf in Midian. Ook de Heere openbaart zich nog eens in Midian en wel met een nieuwe bemoediging, door hem bekend te maken dat degenen, die zijn ziel zochten, allen dood waren. In Egypte is men dien doodslag vergeten, een veertig jaar geleden gepleegd door Mozes.

Nu lezen we in vers 20: Toen nam Mozes zijn vrouw en zijne zonen, liet hen op een ezel rijden en keerde terug naar Egypteland: ook nam Mozes den staf Gods in zijne hand.

We hoorden nog alléén maar van de geboorte van Gersom, en vernemen nu hier dat er zonen zijn, meer dan één dus (2 : 22). Blijkbaar was ook Eliëzer reeds geboren toen Mozes zich opmaakte om naar Egypte terug te keeren, teneinde Gods opdracht te vervullen. Wel valt het ons op dat in vers 25 weer maar van één zoon sprake is, waarover straks. Mozes zelf ging te voet, een klein gezelschap dus, dat naar Egypte trekt met het groote doel Israël te verlossen uit de tyrannie van Farao. Dit laatste had Mozes niet meegedeeld aan zijn schoonvader Jethro, dan had deze ook niet de kans om het verder te vertellen, zoodat het op de een of andere wijze als gerucht ontijdig Egypte bereikte.

Verder zal ons blijken dat Zippora straks terugkeert naar haar vaders huis en Aaron zich bij zijn broeder Mozes voegt, zoodat ze getweeën naar Egypte trekken. Mozes heeft den staf Gods in zijn hand en gaat te voet; Zippora en de kinderen zitten op zijn ezel. Die staf had God gemaakt tot een instrument om wonderen mee te verrichten; hij is door God geheiligd.

In hoofdstuk 18 vers 4 wordt de tweede zoon van Zippora, genaamd Eliëzer, voor het eerst met name genoemd. Het zijn vooral kinderen van Zippora, zij stonden blijkbaar Mozes, hun vader, niet zo heel na naar het gevoelen van Zippora, wier houding jegens haar .wettigen man vrij koel moet zijn geweest, blijkens de verschillende kleine trekjes, die wij tusschen de regels door lezen van haar verhouding tot Mozes (let o.a. op het „haar" in de verzen 3 en 6 van hoofdstuk 18). Eliëzer nu beteekent letterlijk: , Mijn God (is) hulp" (vgl. Deut. 33 : 26, Ps. 146 : 5). Uit vers 4 blijkt dat Mozes dezen zoon kreeg, toen hij zich geheel veilig voelde voor Farao's zwaard en nog aan die dreiging terugdacht. We zullen dus wel niet mistasten wanneer wij veronderstellen dat Gersom aanmerkelijk ouder was dan Eliezer, de jongste zoon. Drukte de naam Gersom nog uit, dat hij zich vreemdeling gevoelde, Eliëzer vertolkt zijn vertrouwen op den God des verbonds en zijn dankbaarheid. Al schijnt het dus dat Zippora de kinderen meer van haar dan van Mozes acht, het blijkt dat Mozes als vader de namen geeft en niet in de spheer van het heidensche Midian deze zoekt, doch bij den God zijner vaderen.

Zoo weten we nu dat de vrouw van Mozes Zippora heette en zijn twee zonen Gersom en Eliëzer, toen hij op weg ging naar Egypte om zijn opdracht te vervullen, die God hem bij den brandenden braambosch had gegeven en later nog bij zijn optrekken na het afscheid van Jethro, ad herhaald, met een rijke bemoediging erbonden. De Heere licht hem verder in ver den gang van zaken, hoe Farao zijn art zal verstokken en Israël niet laten rekken, totdat hij door den dood der erstgeborenen zal worden gedwongen.

Maar nu geschiedt er onder weg iets eel merkwaardigs, dat onze bijzondere andacht vraagt en waarbij we de uitdrukking tegenkomen van bloedbruidegom uit den mond van Zippora.

De volgende maal hopen we bij de verzen 24 tot 26 van Ex. 4 met u stil te staan. Thans maken we nog een paar opmerkingen over het huwelijk van Mozes en zijn gezinsleven, om er bij hoofdstuk 18 op terug te komen.

De Midianieten waren rondtrekkende stammen, gesproten uit Ketura, bijvrouw van Abraham. Wanneer wè~hi^r Jethro en zijn dochters ontmoeten in d£ gewijde historie, dan moeten we bedenken dat sedert Abraham 600 jaren zijn verloopen en dus een heele geschiedenis achter den rug ligt. Het stamverband was zeer vlottend. Er zal nog wel wat hebben voortgeleefd van de traditie der aartsvaders, toch kunnen we met zekerheid zeggen, dat de Midianieten door en door heidensche stammen zijn geweest.

Vrij vroeg verdwijnt Midian uit de geschiedenis, door de vernietigende oor-

deelen Gods. Een paar voorbeelden van het optreden van Midianieten halen we aan. Ge weet, dat Jozef, de zoon van vader Jacob, is verkocht door zijn broeders aan Potifar van Egypte door Midianietische kooplieden. Zij deden dus aan slavenhandel, reeds eeuwen vóór we hier met Mozes te doen hebben.

In den tijd der Richteren (hoeveel eeuwen is dat weer later dan Mozes leefde? ) die donkere periode uit Israëls volksbestaan, lezen we van de invallen der Midianieten in Kanaan. Denk aan Gide-

on, die hen versloeg. In Richteren 8 vers 21 wordt ons verhaald van de kameelen der Midianieten, die maantjes (amuletten) aan den hals droegen, waardoor rijdier en berijder gesteld werden onder de bescherming van den maangod, wiens bijstand men noodig heeft, omdat men bij voorkeur des nachts reist.

In Psalm 83 vers 10 herinnert de dichter aan den vernietigenden slag, die aan de Midianieten in het verleden is toegebracht. „Behandel hen als Midian, als Sisera, als Jabin bij de beek Kison." De Midianieten, die hunkerden naar de weiden van Kanaan, deden hun overstelpende macht gevoelen aan Israëls stammen, door hun strooptochten, maar de Heere gaf mannen als Barak en Gideon, en de vlakte van Jizreël en het bergland van Gilead waren getuigen van des Heeren wondermacht. De vijanden werden gewoon weggevaagd. De Heere stormde en donderde, verzengde en vernietigde.

Uit deze Midianieten dan nam Mozes zijn vrouw Zippora, dochter van Jethro, den priester van een stamdeel der Midianieten. Deze was dus een heidensch priester. Wel is waar heeft Mozes den dienst zijns Gods rein bewaart, maar dat zijn huwelijk daartoe heeft bijgedragen blijkt zeker niet. Eer het tegendeel kan worden afgeleid uit de weinige gegevens, die ons ten dienste staan.

Zippora gaat blijkbaar niet op in den dienst van Israëls God en staat daarom meermalen ook tegenover Mozes, haar man. Dit zal zeker voor de opvoeding

der kinderen niet bevorderlijk zijn geweest. zooals een gemengd huwelijk dat nooit is, zeker niet van deze samenstelling.

We zullen straks nog gelegenheid hebben op het wangedrag van Zippora te wijzen. Het is merkwaardig dat huwelijk en gezinsleven in de gewijde historie van Mozes zoo op den achtergrond treden. Bij de patriarchen Abraham, Izaak en Jacob is dit geheel anders. Daar is het leven van de aartsvaders geheel verweven met hun gezin; de openbarende daden Gods worden ons geteekend in verband met het familieleven, dat een breede plaats inneemt in hun historie. Bij Mozes vinden we als terloops vermeld, dat hij twee zonen had bij Zippora en wat van zijn gezinsleven wordt verhaald, is onmiddellijk betrokken op het leiderschap van Mozes over Israël.

Nu behoeft ons dit verschijnsel niet te bevreemden, want de plaats, die Mozes inneemt in den gang der Godsopenbaring, is een geheel andere dan die van de aartsvaders. Daar ging het bovenal om de worsteling om zaad, om de aanvangen van een volk des verbonds. dat tot een groot volk zou worden, als zand aan den oever der zee, in menigte.

In dat licht verschijnt Mozes niet, doch als leider wordt hij geroepen, van het volk der aartsvaders om hen te leiden uit Egypte naar Kanaan.

Daarbij treedt de persoon van Mozes sterk op den voorgrond en treedt zijn gezin geheel op den achtergrond, ook al heeft dit natuurlijk wel zijn beteekenis in het leven van Mozes, en voor henzelf.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 oktober 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Het huwelijk van MOZES

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 oktober 1949

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken