Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DE PROFEET ELISA

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE PROFEET ELISA

16 minuten leestijd

DE KRIJGSTOCHT TEGEN MESA

I.

Is hier geen profeet des Heeren, dat wij door hem den Heere mochten vragen?

II Koningen 3:11.

Het teksthoofdstuk begint met de vermelding van twee koningen, Joram en Josafat, die in het vervolg onze aandacht zullen vragen. „Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, den koning van Juda; en hij regeerde twaalf jaren" ^11 Kon. 3:1).

Na den dood van Achab beklom Ahazia, zijn zoon, den troon (I Kon. 22 : 40). Slechts een paar jaren voerde hij het bewind over het Noordelijke rijk der tien stammen; toen stierf hij tengevolge van een val (II Kon. 1:2). En daar hij geen kind had, om hem op te volgen, werd zijn broer Joram, een andere zoon van Achab, tot koning over Israël gekroond (II Kon. 1 : 17). Aangaande dezen Joram staat opgeteekend, dat hij deed, wat kwaad was in de oogen des Heeren. Wel ging hij minder ver dan zijn beruchte ouders Achab en Izébel. Zij hadden in de hoofdstad des lands een Baalsbeeld opgericht, en zoo doende-Jehovah op zijde gedrongen voor den afgod van Tyrus en Sidon. Aan dezen hemeltergenden gruwel maakte Joram een einde, door het beeld te laten verwijderen; maar overigens drukte hij de voetstappen «zijner voorgangers: Evenwel hing hij de zonde van Jerobeam, den zoon van Nebat, aan, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af" (II Kon. 3:2, 3). Gij weet, dat Jerobeam tempels bouwde te Dan en te Bethel, om zijn onderdanen uit Jeruzalem weg te houden; en die tempels trachtte hij aantrekkelijk te maken, door er het beeld van stierkalveren bij te plaatsen. Voor de heidenen was de stier èn om zijn kracht èn om zijn vruchtbaarheid het dier, dat bij uitstek aan de godheid gewijd was. Jerobeam — en Joram volgde hem hierin — erkende Jehovah wel als Israëls Koning, doch in den eeredienst hield hij zich niet aan Jehovah's inzettingen, maar nam hij de heidensche gebruiken tot voorbeeld; hij wilde dus het eerste gebod handhaven, terwijl hij het tweede met voeten trad.

Even halfslachtig was Joram. Een Baaisbeeld in het midden van Israël was hem te bar; doch een onvoorwaardelijk buigen voor den levenden God en Diens woord was hem te gestreng. In het wezen der zaak was Joram niet beter dan zijn ouders. Wellicht heeft de wijze, waarop zijn vader Achab en zijn broer Ahazia hun einde vonden, hem bevreesd gemaakt voor den toorn Gods, en ruimde hij daarom het schandelijke beeld op. Van een waar berouw en oprechte bekeering is evenwel geen sprake, indien wij enkel de zonden nalaten, die ons nadeelig voorkomen, en de anderen onbeschroomd vasthouden. Heeft Joram wel werkelijk met Baal gebroken? Toen Jehu na hem op den troon kwam, bloeide de afgoderij in Israël (II Kon. 10 : 19).

Ach, de Joram-gezindheid waart nog menigvuldig onder ons rond. Buitensporigheden in het kwade keuren wij scherp af; aan den dienst des Heeren met een volkomen hart komen wij echter niet toe. Het slappe geven en nemen lokt ons aan; met Gods wil en wet hebben wij „natuurlijk" rekening te houden, maar het is te veel gevergd, indien wij daarom de wereld ganschelijk zouden loslaten. O, dat hinken op twee gedachten! Wij waggelen er het eeuwig verderf mede tegemoet. De Heilige Geest dreune de geduchte waarheid door onze ziel: „Wie met Mij niet is, die is tegen Mij." Indien wij niet geheel vóór Hem zijn, zijn wij in het geheel niet vóór Hem. De Schrift kent een nauwen en een breeden weg, doch niet bovendien nog een derde pad, dat tusschen de beide anderen in loopt. Hoe noodzakelijk is de bede: „Neig mijn hart en voeg het saam tot de vreez' van Uwen Naam"; het hart, dat van nature naar verschillende kanten trekt, worde beteugeld tot de ééne onberouwelijke keuze: „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde." En hoe onmisbaar is de kracht uit de Hoogte, om onzen onwil ten goede neder te werpen, en onze onmacht om te zetten in een volvaardig wandelen in het spoor van Gods gerechtigheid.

Mesa, de koning der Moabieten, was .schatplichtig geweest aan Achab. Hij betaalde de opgelegde belasting niet in zilver of goud, maar in natura. Zeer talrijke kudden weidde hij in de uitgestrekte grassteppen; zoo was het hem niet te bezwaarlijk jaarlijks honderd duizend lammeren en honderd duizend rammen met de wol als cijns op te brengen (II Kon. 3:4). Toen Achab aan zijn verwondingen was gestorven, meende Mesa een gunstige gelegenheid te hebben, zich van de dienstbaarheid vrij te maken. „En Moab viel na Achabs dood van Israël af" (II Kon. 1:1). Ahazia is nfet krachtig tegen Mesa opgetreden; misschien achtte hij er zich niet toe in staat, misschien ook heeft zijn kortstondige regeering het hem belet. Maar Joram nam er in elk geval geen genoegen mede: hij monsterde gansch Israël" (II Kon. 3:5, 6), hij hield een wapenschouw en berekende het aantal manschappen, ruiters, strijdwagens, dat hij tegen Moab in het veld kon brengen. Blijkbaar meende hij, dat zijn leger niet sterk genoeg was, want wij lezen, dat hij de hulp van Josafat inriep. Diens antwoord was bereidvaardig: Ik zal opkomen; zoo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zoo mijn volk als uw volk, zoo mijn paarden als uw paarden" (II Kon. 3:7).

Wij hebben nu eerst nader kennis te maken met dezen Josafat. Hij was koning over Juda, het Zuidelijke rijk der twee stammen, dat niet met de Noordelijke tien stammen zich geschaard had om Jerobeam, maar trouw was geleven aan Rehabeam, den telg uit Davids huis. De vijf en twintig jaren, dat Josafat regeerde (I Kon. 22:42), vormen een voorspoedige periode uit Juda's geschiedenis. Hij was een godvreezend man, want: hij wandelde in al den weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende wat recht was in de oogen des Heeren" (I Kon. 22:43). Van den Baalsdienst had hij een afkeer, en de bosschen, het heilige geboomte van het heidendom, roeide hij uit. Josafat ijverde tegen de binnengeslopen en voortwoekerende afgodische misstanden, en vóór een naar den Woorde Gods gezuiverde re-

ligic (godsdienst). Hij liet zijn volk allerwegen onderrichten in de Wet des Heeren, zoo lezen wij in II Kron. 17:9, en schuwde geen moeite om zijn onderdanen te doen gaan op de oude, beproefde paden der voorgeslachten. Gedurig stootte hij op hardnekkigen tegenstand, „want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot den God zijner vaderen" (II Kron. 20 : 33). Jehovah's welbehagen rustte op hem en kwam openbaar ook in den voorspoed, dien Josafat genoot: De Heere bevestigde het koninkrijk (Juda) in zijn hand... en hij had rijkdom en eere in menigte" (II Kron. 17:5). Het was, of de gulden dagen van David en Salomo in Jeruzalem en het rijk waren weergekeerd. De Filistijnen en Arabieren, de Moabieten,

Ammonieten en Edomieten moesten Josafats meerderheid erkennen, „en een verschrikking des Heeren werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat" (II Kron. 17:10).

In I Kon. 22 : 45 is opgeteekend: En Jos'afat maakte vrede met den koning van Israël." Er was sinds de scheuring van het rijk in tweeën, na Salomo's dood, veel verbittering geweest tusschen de broedervolken van Juda en Israël; de Schrift keurt het niet af, dat Josafat naar een betere verstandhouding streefde, maar... de wegen, die hij daartoe insloeg, deugden niet en wekken, bij een zoo godvruchtig man, onze verwondering. Hij ging namelijk veel te kameraadschappelijk met het goddelooze koningshuis in Samaria om: hij verzwagerde zich aan Achab" (II Kron. 18:1), hij nam zich dus een familielid van Achab ter vrouwe. Ook logeerde hij in het paleis, waar de verdorven Izebel heerschte, en maakte hij een verbond met Achab, om de Syriërs te beoorlogen ter bevrijding van Ramoth in Gilead (II Kron. 18:2). Wel drong Josafat er op aan, den Heere in de plannen te kennen; maar toen de profeet Micha, de zoon van Jimla, den krijgstocht ontraadde, zag Josafat het zonder protest aan, hoe de knecht van Jehovah smadelijk op het kinnebakken werd geslagen (II Kron. 18 : 23). De oorlog tegen Syrië ontbrandde en was rampspoedig voor de bondgenooten: chab werd doodelijk door een pijl getroffen, en Josafat kon nauwelijks ontkomen (II Kron. 18:31, 32).

Josafat, de overigens fortuinlijke vorst, had bitterlijk ondervonden, dat een innige omgang met Samaria's hof onheil baart. En toch! En toch knoopte hij weder vriendschapsbanden aan met Ahazia, Achabs zoon en opvolger, die het, onder invloed van zijn moeder Izebel, welhaast nog bonter maakte dan zijn vader. Broederlijk bouwden zij samen een vloot, die van Ezeon-Geber zou uitvaren naar het goudland Ophir. Het werd wederom een mislukking; de schepen toch sloegen in een storm te pletter (I Kon. 22:49; II Kron. 20:35, 36).

Josafat heeft nimmer vreugde beleefd van zijn innige bondgenootschap met Achabs huis. Bovendien liet Jehovah het niet aan waarschuwingen ontbreken. Wij herinnerden reeds aan het optreden van Micha, den zoon van Jimla. En toen Josafat, na den onvoorspoedigen tocht tegen de Syriërs, in Jeruzalem was teruggekeerd, verscheen de profeet Jehu, de zoon van Hanani, vóór hem, zeggende: Zoudt gij den goddelooze helpen, en hen, die den Heere haten, liefhebben? Nu is daarom van het aangezicht des Heeren groote toornigheid over u" (II Kron. 19 : 2). Toen hij, in vereeniging met Ahazia, de vloot te Ezeon-Geber bouwde, zond Jehovah tot' Josafat een derden profeet, Eliëzer, den zoon van Dodava: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de Heere uw werken verscheurd" (II Kron. 20:37). Ook deze waarschuwing des Hemels heeft Josafat in den wind geslagen. Eerst na de vernietiging der schepen is hij door schade en schande tot bezinning gekomen. Op Ahazia's voorstel toch, om een nieuwe vloot uit te rusten, is hij niet ingegaan (I Kon. 22 : 50). Later is hij evenwel weer in het oude euvel vervallen; op Jorams verzoek, mede ten strijde te trekken tegen Mesa, ging Josafat aanstonds in, en zijn woorden getuigden van de vroegere, laakbare hartelijkheid: , Ik zal opkomen; zoo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zoo mijn volk als uw volk, zoo mijn paarden als uw paarden" (II Kron. 3:7).

Wij hebben wat langer bij Josafat stil gestaan, omdat zijn geschiedenis een treffende illustratie is bij de apostolische vermaning: Trekt niet een ander juk aan met de ongeloovigen" (II Cor. 6 : 14).

Een os en een ezel, samen een ploeg trekkende, zijn een ongelijk tweespan; de Christenen zullen met ongeloovigen niet in één gareel loopen, en een ongelijksoortig gespan vormen. Geen verzwagering van Josafat aan Achab, geen innige banden tusschen Josafat en Ahazia of Joram! Gods misnoegen is over dergelijke verbintenissen. De Heere maakte Josafat voorspoedig, als de koning ijverde voor de eere van Jehovah; doch zoo vaak hij zich nauw aan het hof van Samaria bond, moest hij bezwijken onder ongelukken.

Hier ligt een les voor jongelui, die aan een verloving denken, of van zins zijn een huwelijk aan te gaan. Let toch niet alleen op een prettig uiterlijk en op een genoegzaam inkomen — maar geeft ook nog op iets anders acht: is het de begeerte van den jongen man of van het meisje, om naar Gods Woord te luisteren? Gij hebt niet te vorderen, dat uw aanstaande echtgenoot (e) waarlijk bekeerd is; maar wèl moogt en moet gij verlangen, dat uw levensgezel (lin) vraagt naar den Heere en Zijn sterkte. Bouwt geen luchtkasteelen in de toekomst. Meermalen hoorde ik zeggen: „Och, als wij maar eenmaal getrouwd zijn, dan krijg ik hem (haar) wel mee naar de kerk" — doch in de practijk komt daar doorgaans niets van terecht.

Juist het omgekeerde heb ik meermalen opgemerkt: at degene, die een meelevend gemeentelid was, naar de kerk niet meer omzag. En als er kinderen geboren worden, nemen de moeilijkheden en verdrietelijkheden nog toe, indien de echtelieden geestelijk een ongelijk tweespan vormen. Ziet toe, dat gij u samen niet alleen over het huishoudboekje, maar ook over den Bijbel buigt. Verbreekt om 's Heeren wil een verloving, waarbij de eenheid in de hoogere dingen zoek is; de verbreking zal u heete tranen kosten, maar beter voorloopig in treurnis, dan uw leven lang ongelukkig. De ongeloovige partij zal wel met allerlei schoon-schijnende redeneeringen aankomen, die u aan het wankelen moeten brengen. Houdt u echter aan Jezus' eigen woord: Die vader of moeder — of ook zijn (haar) verloofde < — liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig" (Matth. 10:37). Zoekt uw kracht in het gebed, want zonder 's Hemels bijstand zult gij de zwarigheden nooit overwinnen.

Indien gij reeds gehuwd zijt met een ongeloovige — wellicht ondanks de waarschuwing van uw ouders of welmeenende vrienden — zoo moogt gij niet scheiden, maar hebt gij de gevolgen van uw eigenzinnigheid te dragen en in het ongelijke tweespan voort te loopen. Vraagt om de genade, dat gij onder uw druk getrouw moogt zijn aan den God van uw doop en aan den Heiland van uw jonkheid; verzuimt niet, uw echtgenoot (e) te blijven opdragen aan den Troon des Heeren, al valt het u misschien zwaar; en staat er naar, uw kinderen te mogen opvoeden in de vreeze Gods, hoewel gij de medewerking van uw wederhelft smartelijk zult missen. Christus' kracht worde in uw zwakheid volbracht.

„Trekt niet een ander juk aan met de ongeloovigen" - — deze apostolische vermaning heeft niet uitsluitend op verloving en huwelijk betrekking, doch in het algemeen op ons verkeer onder de menschen. Natuurlijk kunnen wij den omgang met ongeloovigen niet vermijden; Paulus erkende, dat zulks onmogelijk is: anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan" (I Cor. 5 : 10). Gij woont naast ongeloovigen, gij hebt ze onder uw klanten, gij arbeidt nevens hen op den akker of in de fabriek, enz. Het kan niet, dat gij hen ganschelijk ontloopt, en... het mag ook niet; Christus wees er op, dat de vrienden der Waarheid een roeping hebben tegenover de anderen, toen Hij zeide: Gij zijt het zout der aarde; laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken." Het zout behoort niet angstvallig van de spijzen afgezonderd te worden, en het licht moet niet onder een korenmaat worden gezet — evenmin zullen zij, die voor den Heere buigen, zich afzijdig houden van degenen, die God verwerpen en Diens Woord verachten.

Elke aanraking met ongeloopigen kan en mag niet voorkomen worden. Doch ons geweten, door de Schrift voorgelicht en door den Geest bestierd, waarschuwe tegen de zonde van Josafat, tegen een kameraadschappelijk samengaan en meedoen met de lieden, die den Allerhoogste voorbijgaan. „Weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zoo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld" (Jac. 4:4). De ongeloovi-

gen zullen niets.winnen bij het nauwere contact met u: de Achabs en Izebels blijven bij hun Baaisbeeld en gaan niet met u naar Jehovah's tempel; maar gij dreigt schade te lijden aan uw ziel: gij moet deelnemen aan de feesten van Samaria, en zonder protest aanzien, dat de Micha's, Gods beminden, op het kinnebakken geslagen en beleedigd worden.

Vormt geen ongelijksoortig tweespan met degenen, die onverschillig zijn voor wat u heilig en dierbaar is. Loopt niet broederlijk in één gareel met hen, die den Heere gram zijn. Velen in onze dagen roepen: „Weg met de antithese! Geen scheiding tusschen de Christus-belijders en de Christus-loochenaars!" Men wil dan ook niet weten van een school met den Bijbel; van vereenigingen, die gegrond zijn op Schrift en Belijdenis; van een politiek, die vraagt naar 's Heeren ordinantiën. In de Hervormde Kerk nemen wij hetzelfde verschijnsel waar; van „richtingen" mag niet meer worden ge-SDroken, want wij allen gaan in ééne richting: naar Boven — er zijn nog wel „schakeeringen", doch die tasten de „fundamenten en perspectieven" niet aan. Josafat heeft alleen maar ellende geoogst van zijn verbondenheid aan Achab en Ahazia; toch is hij daarna arm in arm op stap geaaan met Joram, toen deze zijn hulp tegen Mesa inriep. Ja. maar Joram was toch veel beter dan zijn vader en zijn broer; heeft hij het afgrijselijke Baalsbeeld niet opgeruimd? Och kom! Voor het uiterlijke moge hij boven de vroegere koningen den voorrang hebben — in het wezen der zaak was hij geen haar beter, in zijn hart was hij een even groote vijand van God. In geen enkel opzicht was Josafat te verontschuldigen voor het kameraadschappelijke: „Ik zal opkomen; zoo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zoo mijn volk als uw volk, zoo mijn paarden als uw paarden."

„Trekt geen ander juk aan met de ongeloovigen." Griffele de Heilige Geest dit woord Gods in onze harten, en doe Hij ons de valsche leuzen van dezen tijd door-

schouwen, tegenstaan.

Uit het bovenstaande zoudt gij kunnen opmaken, lezers en lezeressen, dat ik u allen voor Josafats houd: wél overtredende. doch niettemin den Heere vreezende en in Zijn gunst deelende. Ware het aldus! Maar ook onder hen, die een Gereformeerd Weekblad ontvangen, bevinden zich Achabs en Izebels, Ahazia's en Jorams. Het moge al niet gekomen zijn tot uitbrekende, schreeuwende zonden, in hun hart is nochtans de afkeerigheid van den levenden God en de trekking naar de wereld, de wreede slavenhoudster. Ach, van nature wonen Achab en Izebel in ons aller binnenste, en alleen wederbarende genade formeert Josafats, in wie een nieuw beginsel tot openbaring komt, ofschoon de oude mensch nog gedurig het hoofd opsteekt.

„Vormt geen ongelijk tweespan met de ongeloovigen." Is deze vermaning niet op u van toepassing, daar gij nog tot de ongeloovigen behoort? Er hebben in de verloopen jaren zoo vele stormen gewoed, die de indrukwekkende schepen van Ezeon Geber, de vruchten van 's mensen kennen en kunnen, te pletter sloegen. Gods adem blies in hetgeen zonder en tegen Hem werd ondernomen. O, laat u toch gezeggen, Ahazia's, en volhardt niet in uw boosheid. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen. Leert uw ongelijk, uw schuld, uw verdoemelijkheid voor den driemaal Heilige erkennen. Dan zult gij benauwdheid en droefenis vinden, maar dan zult gij ook Christus mogen vinden, den Rechtvaardige, die onder één juk met goddeloozen wilde buigen ter verzoening en vernieuwing. Door Zijn Geest maakt Hij, naar 's Vaders wil en welbehagen, uit een ongelijk span — den Zoon der liefde en een verloren Adamskind — een tweetal, dat bijeen behoort — den volkomen Zaligmaker en een begenadigden zondaar. Eere zij den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest!

Utr.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Saturday 3 June 1950

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

DE PROFEET ELISA

Bekijk de hele uitgave van Saturday 3 June 1950

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken