Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET „ONZE VADER”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

HET „ONZE VADER”

11 minuten leestijd

3.

Mattheüs 6 : 9. Onze Vader.

Onze Vader! — De vorige week hebben wij meer in het bijzonder overdacht de zo heerlijke, wonderlijke, tere Vadernaam. Die naam als onze aanspraak in het gebed te mogen gebruiken, dat is voor een zondaar een genade zo vrij en zo overvloeiende, dat hij in verwondering en aanbidding moet uitroepen: Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht. En weer wat verder in datzelfde 8ste vers van Psalm 89: Door U, door U alleen om 't eeuwig welbehagen.

Ziet gij, mijn lezer, daar misschien heerlijkheid en zaligheid in voor degenen, die dit op hun bede: „Heere, leer ons bidden", van de grote Profeet, Christus Jezus, geleerd hebben? Maar, durft gij voor uzelf die Vadernaam niet op de lippen te nemen? — Ja, dat kan ik verstaan. Het is ook zo geweldig. Maar toch mag ik daarin niet te ver met u meegaan. Dan zou ik u immers helpen in het te klein denken van Gods ontferming. Dat is toch zulk een grote zonde. Te groot denken van uzelf, en u tengevolge daarvan maar alles toeëigenen, ook zelfs de Vadernaam, dat is zo verschrikkelijk. Gelukkig degene, die er bang voor is en de Heere vraagt: „O, grote Ontfermer, wil mij daarvoor bewaren!" — Maar klein te denken van Hem, Die zo groot is, dat een Frans prediker eens naar waarheid uitriep: „God alléén is groot", dat is ook een krenkende belediging van dat hoge Wezen. Hij is het toch, Die zó diep is afgedaald, dat Hij Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, om goddelozen met Zich te kunnen verzoenen, en ze tot Zijn lieve kinderen aan te nemen. Onder een diepe indruk van Gods grootheid juist in het Zich neerbuigen tot schuldige zondaren, zong de dichter van Psalm 103:

vs 10: Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

vs 11: Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid gewéldig over degenen, die Hem vrezen.

vs 12: Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons. vs 13: Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vrezen.

vs 14: Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.

Is dat niet een God grootmakend, maar ook een beschamend en nochtans bemoedigend woord? < — O, mijn vriend of vriendin, ik wens u van harte toe, dat gij er heilbegerig, biddend mede werkzaam moogt zijn, en er in het geloof houvast aan moogt krijgen. Ik wens u zo van harte toe, dat ge aldus moed grijpend, en verwonderd, moogt leren vragen: Zou dat ' m ij toch nog kunnen? Zou het dorpsge\\voor mjj nDg mogei^ dat ik komen mag tot dat zo rijke: Onze Vader?

Ja, daartoe moet het komen, zal het wel zijn, want in dat „ónze Vader" ligt opgesloten het „Mijn Vader". Tot die Vader, Die wij in ons hondshoofd Adam verlaten hebben, om alzo te worden verloren zonen en dochteren, tot die Vader in de hemel moeten wij terugkeren. Hij is het immers, Die ons zo dringend, zo aanhoudend, nodigt: Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen." En heerlijk is het, als daarop mag volgen het antwoord van verloren zonen en dochteren: Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Heere, onze God!" Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen, en de menigte der bergen; waarlijk in de Heere, onze God, is Israëls heil" (Jer. 3:22 en 23).

Tot het „mijn Vader" komt het alleen door de Heilige Geest. Die is de Geest der aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: „Abba, Vader." Als dit u te beurt mag vallen, wat zijt gij dan gelukkig! O, vraag toch maar telkens weer in de binnenkamer, in de kerk, onder uw werk om de bearbeiding van die Geest. En dat gebed kan verhoord, en zal verhoord worden, omdat in de Heere Jezus op aarde is gekomen de Middelaar Gods en der mensen, Die, Zichzelf openbarende, zeggen kan: „Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij."

De weg terug uit het vergelegen land van wereld en zonde is alleen in Hèm gegeven. De weg van God af is door ónszelf gekozen. Het is de brede weg, die tot het verderf leidt, en waarop wij allen van nature wandelen. Het is de weg, waarop wel veel verschil is tussen de wandelaars, in lichamelijk, in cultureel, in financieel, in maatschappelijk, in godsdienstig opzicht. Veel verschil! Maar, in dit opzicht is er geen verschil, van de jongste tot de oudste, van de armste tot de rijkste, van de domste tot de verstandigste, van de atheïst tot de streng godsdienstige, van de slechtste tot de deugdzaamste, zijn zij allen verloren zonen en dochteren. O, die weg van de Vader af! Het is een weg de wereld en de zonde in. Het is een weg zonder waar geluk en zonder vrede. Het is een weg van veel ellende. Het is het hellend vlak, dat eindigt in het verderf, het eeuwig verderf, als het niet tot bekering komt.

Maar! wie nu op die weg staande gehouden wordt en vervuld met droefheid vanwege de zonde, met droefheid naar God, die werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid, die leert vragen naaide weg terug, terug naar het Vaderhuis, terug naar de Vader. Het is dan met de verloren zoon: „Hoevel huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, maar ik verga van honger. Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen." En die weg terug, dat is alleen de weg, die in Christus Jezus is gelegd. Het is de weg door de Rode Zee van het bloed van de Heere Jezus. Het is een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees. Welk een zegen is het, dat er zulk een weg terug is gegeven en gelegd, daar er toch geen weg tot God, tot het Paradijs, meer was! Er waren na de val in en de uitdrijving uit het Paradijs alleen cherubim, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom des levens.

Maar nu, in de uit de hemel nedergedaalde en naar de hemel opgevaren Verlosser en Zaligmaker, Die aan het recht Gods volkomen heeft genoeg gedaan, nu is er in Hèm weer een weg terug, een weg naar het Vaderhuis, een weg naar het Vaderhart, een wel nauwe, maar toch aangename en schone weg. Het is een weg, waarop het van al de reizigers, die er langs voorttrekken geldt, ondanks alle tranen zelfs: hij reisde zijn weg met blijdschap" (Hand. 8:39).

En als gij geleid zijt door het geloof in de Heere Jezus Christus op die weg terug, die weg van veel geween, maar van zoete vreugde tevens, en gij moogt zo komen tot het Vaderhart, tot het omhelsd worden door de Vaderarmen, dan moogt gij onder de leiding des Heiligen Geestes stamelen, en het uitsnikken in verbrekende blijdschap: Mijn Vader!" Zovelen immers, als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods" (Rom. 8 : 14).

Maar, nu mag het bij het: Mijn Vader!" niet blijven. Gij zijt het toch niet alleen, die door aanneming en wedergeboorte een kind Gods moogt worden. De Vader leidt véle kinderen tot de heerlijkheid, tot de heerlijkheid van het kindschap Gods, tot de heerlijkheid van het: Deze Mijn zoon, deze mijn dochter was dood, en is weder levend geworden, en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn" (Luc. 15:24). Met het oog daarop leert de Heere Jezus de Zijnen: Gij dan bidt aldus: nze Vader!"

Dat is een nieuwe genade, namelijk, dat gij, als er een wonder van genade aan u wordt gedaan, niet alleen blijft staan. Dezulken komen in een nieuwe verhouding tot God, maar ook in een nieuwe verhouding tot de mensen. Er moeten banden worden verbroken, al de banden die gelegd zijn in het samen dienen van wereld en zonde. Met uw herberg-, met uw kaart-, met uw dans-vrienden móógt en künt gij niet verbonden blijven. Wel is het uw roeping ze te waarschuwen, ze te nodigen in de naam des Heeren: „Kom, ga met ons, en doe als wij."

Het mag niet gebeuren, dat het gaat, zoals het mij ging, toen ik, op huisbezoek met een ouderling bij een atheïst, voor de vraag werd gesteld: „maar, Dominé, wat zegt nu hiervan? Ik had een vriend, die avond aan avond bij ons kwam, om te kaarten. Maar toen is hij, zoals de mensen zeggen bekeerd, en ik heb hem nooit meer bij mij gezien; nooit heeft hij met mij over zijn bekering gesproken. Ik geloof, als ik bekeerd kan worden, dat ik het dan iedereen toe zou roepen: „mensen nu is er voor jullie ook nog hoop, nu ik nog bekeerd ben geworden." — Mijn ervaren Ouderling en ik, als jonge Dominé, wij zaten voor een lastige, voor een pijnlijke vraag. Maar het beste was toch eerlijk te zeggen, dat wij zulk een houding van onze vriend, die werkelijk krachtdadig bekeerd was, niet goed konden keuren, maar dat onze opponent zich met te wijzen op de schuld van anderen, toch zeker niet vrij kon praten. En dus, mijn lezers, breken met uw vrienden en vriendinnen. die willen voortgaan met het dienen van de wereld en van de zonde, maar niet zonder waarschuwing, lokking en gebed.

En nu blijft gij niet alleen staan, al moet gij met velen breken, en al zullen velen u verlaten. Neen, gij komt blijkens het „ónze Vader!" in een nieuwe gemeenschap. Het is een familiegemeenschap, want het zijn kinderen Gods:

Zoete banden, die mij binden Aan des Heeren lieve volk; Wis, het zijn mijn hartevrinden, Hunne taal, mijn hartetolk.

Het is een gebedsgemeenschap. De Heere Jezus leert immers Zijn discipelen bidden: „Onze Vader!" En wat is dat heerlijk! — mét elkander te bidden, met een eenparig gebed, maar ook vóór elkander te bidden, elkander te dragen op de vleugelen des gebeds, elkander neer te leggen in allerlei nood en dood aan de troon der genade!

Het is een geloofs-en werkgemeenschap. In onze Heidelbergse Catechismus Z. 21 Vr. 51 wordt toch gevraagd: „Wat gelooft gij van de heilige, algemene, Christelijke Kerk? " En het antwoord, waaruit deze geloofsgemeenschap blijkt, luidt: „Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord in enigheid des waren geloofs van het begin der wereld tot het einde, vergadert, beschermt, en onderhoudt; en dat ik daarvan e^ ^ in lidmaat ben en eeuwig zal blijven. - • vt )a<

Ja, die enigheid des waren geloofs, wat ook ligt in de naam van onze belijdenisgeschriften, nl. „De drie Formulieren van Enigheid", ligt ook al opgesloten in het: „Onze Vader". Jammer, dat ook dit alles zo ten dele is in deze bedeling! O, dat wij die geloofsgemeenschap zoeken onder biddend opzien tot God! En dat wij er voor vrezen mede een oorzaak te zijn Z van haar verstoring!

En die geloofsgemeenschap is dan vanzelf ook een werkgemeenschap. Het ware geloof is toch immers geen dood, maar een levend geloof. Het is het geloof door de liefde werkende. En die werkgemeenschap openbaart zich in beginsel, als er mag zijn een gemeenschappelijk strijden tegen de zonde en tegen de dwaalleer, als er mag zijn een verheerlijken van des Heeren naam, als de liefde van Christus dringt tot evangelisatie en tot zending. Ach, wat is ook dit alles gebrekkig en met zonden bevlekt. Maar geheel ontbreken doet het niet. In iedere ware christen zit toch iets van een evangelist, van een zendeling. Heerlijk is het in dat werk samen bezig te zijn!

Een rijk genot is het iets te mogen genieten van de gemeenschap der heiligen, hetzij onder de prediking, hetzij aan het Avondmaal, hetzij in het gebed, hetzij in het gemeenschappelijk Psalmgezang, hetzij in het werk, dat de Heere u opdraagt. Ja, mijn Vader!" dat is groot, maar dan ook in nauwe aansluiting daaraan: Onze Vader!

En al hebben wij nu geen Catechismusbehandeling, wij kunnen toch niet nalaten deze meditatie over de woorden: „Onze Vader" te besluiten met wat de Heidelb. Cat. Vr. en Antw. 120 hiervan zegt:

Vr. 120: „Waarom heeft ons Christus geboden, God alzo aan te spreken: „Onze Vader"?

Antw.: „Opdat Hij van stonde aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinder-lijke vreze en toevoorzicht tot God ver wekke, welke beide de grond onzes ge beds zijn, nl. dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen, dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen."

Is die vraag wel eens op u aangekomen? Is dit antwoord üw antwoord reeds geworden?

Z.

S. v. D.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juni 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

HET „ONZE VADER”

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juni 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken