Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze Vader, Die in de hemelen zijt

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze Vader, Die in de hemelen zijt

13 minuten leestijd

4.

Matth. 6 : 9 (midden): ie in de hemelen zijt.

De aanspraak, waarmee God wordt aangesproken in het allervolmaaktste gebed, is wel zeer heerlijk. Dat zagen wij enigszins bij het mediteren over deze twee woorden: Onze Vader". Die kleine woordjes spreken ons van grote zaken, van nederbuigende goedheid in Christus Jezus, Die de weg is van God tot de zondaar, maar ook van de zondaar tot God. De heilige en rechtvaardige God kan met zondaren geen gemeenschap oefenen dan alleen in Zijn eniggeboren Zoon, in Dewelke Hij Zijn welbehagen heeft: n de schuldige, bezoedelde zondaar kan tot de hoge, heilige God alleen naderen in de naam van Hem, Die spreekt: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij" (Joh. 14:6).

„Onze Vader." Die twee kleine woordjes bepalen ons bij een werk van verzoening en van verlossing zo groot, dat wij het niet uit kunnen spreken, zo groot, dat de engelen er in aanbidding van zongen: „Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen."

Het „Onze Vader" spreekt ons van een innige, tere verhouding, het bepaalt ons bij de immanentie Gods. De dichter van Psalm 103 vertolkte de gedachte, die er in ligt aldus: „Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vrezen" (vs 13).

Maar de aanspraak van het gebed des Heeren bepaalt ons niet alleen bij dat Zich nederbuigen, bij die Vaderlijke bemoeienissen, zorg en liefde van God, bij Zijn immanentie. Zij herinnert er ons ook aan, dat God de hemel heeft tot Zijn troon en de aarde tot een voetbank Zijner voeten, dat Hij is de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens naam heilig is. Zij bepaalt ons bij de transcendentie Gods, bij Zijn opperhoogheid, die aldus wordt bezongen in Psalm 104:

1. „Loof de Heere, mijne ziel! o Heere, mijn God! Gij zijt zeer groot. Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.

2. Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed, Hij rekt de hemel uit als een gordijn.

3. Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt. Die op de vleugelen des winds wandelt.

De Heere Jezus wil, dat de Zijnen getroost en verkwikt worden door de immanentie Gods, dat blijkt uit het: ; , Onze Vader!" — Maar Hij wil tevens, dat zij niet zullen vergeten, dat God hoog zit, dat wij hebben te denken aan de transcendentie Gods. Vandaar, dat Hij het. niet laat bij het: „Onze Vader!" maar dat Hij er aan toevoegt: „Die in de hemelen zijt."

„Die in de hemelen zijt." De Heilige Schrift geeft ons duidelijk te onderscheiden de wolkenhemel, de sterrenhemel, en de derde hemel, de hemel der hemelen, waarin de apostel Paulus opgetrokken is geweest, en waar hij gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken (2.Cor. 12 : 4). Aan deze derde hemel, aan deze hemel der hemelen, hebben wij in het bijzonder te denken, als de grote Profeet Zijn Goddelijk onderricht aan Zijn discipelen geeft op hun vraag: Heere, leer ons bidden". Dat onderricht luidt aldu» „Wanneer gij bidt, zo zegt: nze Vader, Die in de hemelen zijt!"

„Die in de hemelen zijt." Wij moeten dus, ook al mogen wij Zijn kinderen zijn, of liever, juist, omdat gij tot Zijn kind zijt aangenomen, om Christus' wil, wij moeten tot God naderen met verlangen, met blijdschap, met kinderlijke vreze en met kinderlijk vertrouwen, maar tevens met eerbied en ontzag, als kleine, zwakke mensen tot de grote en machtige God, als onreine mensen tot de vlekkeloos Heilige, te rein van ogen, dan dat Hij het kwade zou kunnen zien, en gedogen. Moeilijk, maar toch ook zalig is het zo te mogen toetreden tot Hem, van Wie wij al zo dikwijls gezongen hebben, en toch nog maar zo zeer ten dele weten:

Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, Op hen het oog, Die need'rig knielen;

Maar ziet van ver met gramschap aan De ijd'le waan Der trotse zielen.

„Die in de hemelen zijt." Wij komen nu tot de gedachte: „O, wat zijn die hemelen al niet voor Hem, Die daar woont onder de lofzangen Israëls! Daarom is het ook zo goed te verstaan, waarom in het oorspronkelijke, in de Griekse grondtekst, het woordeke „zijt niet voorkomt. Om dat te zien behoeft gij de grondtekst niet op te slaan. Trouwens, in de meeste gevallen zou dat ook niet mogelijk zijn. Neen, dat het woordede „zijt" in de aanspraak van het „Onze Vader" ontbreekt in het Grieks, dat kunt gij ook zien in de Staten-vertaling. Onze Staten-vertalers waren uit eerbied voor het Woord van God zo nauwgezet, dat zij, als zij een woord ter verduidelijking van de zin invoegden, dit altijd aangaven door zulk een woord cursief te laten drukken. Als gij in de Staten-vertaling woorden tegenkomt, die cursief zijn gedrukt, dan zegt u dat met duidelijke druk: dit woord staat in het oorspronkelijke niet.

En lees nu met deze wetenschap (die vele lezers natuurlijk van hun catechisatietijd af al hebben), Mattheüs 6:9 maar eens na. Daar staat het woordeke „zijt" cursief gedrukt, en dus is het ingevoegd tot verduidelijking. De aanspraak is in het Nederlands niet af, als gij dat „zijt" weglaat, en dus is het: Onze Vader, Die in de hemelen".

Maar nu ligt daar ook in een rijke gedachte, nu dat woordeke „zijt" niet staat in de grondtekst. Nu hebben wij dus de vrijheid zonder de Schrift te verdraaien, om er andere woorden voor in de plaats te stellen. Nu kunnen wij b.v. lezen: „Onze Vader, Die in de hemelen woont". Zoals wij op de Zondagsschool, waarop ik als kind heb gegaan, en daarna als onderwijzer werkzaam ben geweest, zo dikwijls zongen het mooie kindervers, dat ik nu nóg wel eens zing:

O Heer', Die in de hemel woont, En Die ons kind'ren ziet, Zie Gij in gunst op ons ter neer, En hoor ons stamelend lied. O, zend ons Uwe zegen, Heer', Schenk ons Uw goede Geest; En wees voor ons, wat Gij op aard' Voor kind'ren zijt geweest.

Nu het woordeke „zijt" niet in de grondtekst staat, kunnen wij ook zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen troont'', want wij lezen: De hemel is Zijn troon". En Jesaja schrijft in het begin van zijp roepingsvisioen: In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heere, zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel" (Jes. 6:1).

Daar zit Hij op de troon des gerichts. Voör die troon moet de ontdekte zondaar verschijnen, om daar door de Geest der uitbranding en des oordeels zijn eigen vonnis te vellen, maar ook, om daar alleen om gratie te vragen. Zie het maar in de tollenaar: „Van verre staande, wilde hij ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig" (Luc. 18).

Een verblijdende gedachte is het, dat die troon ook is de troon der genade. Immers aan de rechterhand des Vaders is zittende de barmhartige en getrouwe Hogepriester, Die met Zijn eigen bloed en voorbede tussentreedt bij de Vader voor goddelozen. En op grond daarvan ontvangen dezulken volledige vrijspraak. Als de Heilige Geest ze daarvan de verzekering geeft in de toepassing van Gods Woord aan hun hart, dat nu met het geloof gemengd is, dan mogen zij met de Kerk des Heeren van alle tijden en van alle plaatsen van Gods vrije gunst aldus getuigen: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus; door Welke wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hope der heerlijkheid" (Rom. 15 : 1 en 2). O, gelukkig degene, die zo voor de troon des gerichts en der genade mag staan!

Nu het woordeke „zijt" niet in de grondtekst staat, nu kunnen wij ook zeggen: „Onze Vader, Die in de hemelen ontvangt!" — Ja, de hemel is Zijn ontvangzaal, waar Hij zondige mensen in audiëntie ontvangt. Daar komen arme smekelingen met schuldbekentenissen, die zij niet betalen kunnen, ja, waarvan zij geen penning af kunnen doen.

Daar komen er van Zijn kinderen met veel zorgen en bekommering, lichamelijk en geestelijk, voor de tijd en voor de eeuwigheid, om met hun Vader in de hemelen eens te spreken over die benauwende moeilijkheden, om het Hem alles voor te leggen. Hem, Die ze Zelf nodigt met Zijn: Doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen" (Ps. 81 : 11). En de Heilige Geest heeft u de vrijmoedigheid om te komen gegeven door u zo krachtig en zo liefelijk te bepalen bij Hebreën 4:16: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd."

En hier iseen Vader, Die geen van Zijn kinderen afwijst. Hij ontvangt ze met open armen. Hij geeft ze raad. Hij geeft ze uitkomst. Er is bij Hem een volheid van heil en genade. Christus heeft Zijn strijd zien bekronen met gaven tot der mensen troost, opdat zelfs 't wederhorig kroost altijd bij Hem zou wonen. O, van wat al uitreddingen getuigt uw leven, kind van God! Wat is het bij de Heere al dikwijls meegevallen, en eens zal het eeuwig meevallen. Hier is een Vader in de hemelen, Die uit de geopende schatkameren doet nederdalen, van dag tot dag, nooddruft naar het lichaam, en uitkomsten voor de tijd, maar ook en vooral nooddruft der ziel, en uitkomsten voor de eeuwigheid. Heerlijk is het, daar een oog voor te ontvangen. Dan zingt gij wel eens uit volle borst:

'k Riep God niet vruchtioos aan; Hij wil mij niet versmaan In al mijn tegenheden; Hij zag van Zion neer, De woonplaats van Zijn eer, En hoorde mijn gebeden.

Och, dat wij dan ook voor de toekomst maar alles, alles, alleen van Hem leren verwachten, Die u in zes benauwdheden nabij is geweest, en Die u in de zevende niet zal verlaten. Vraag de Heere maar veel om dat kinderlijk toevoorzicht!

Nu het woordeke „zijt" niet in de grondtekst staat, nu mogen wij ook zeggen: Onze Vader, Die in de hemelen uw Vaderhuis hebt." Het is dat Vaderhuis, waarvan de Heere Jezus verzekert: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben" (Joh. 14:2 en 3).

O, wat een liefelijke gedachte, die gedachte aan het Vaderhuis met zijn vele woningen, waar de verhoogde Middelaar bezig is plaats te bereiden voor al de Zijnen, om ze op Zijn tijd tot Zich te nemen! Dat is een gedachte, waar gij wel eens even over moogt doormediteren. De plaatsruimte, mij toegemeten, is te klein om er veel van te zeggen. En bovendien: dat zal de eeuwigheid eerst openbaren, als het zal zijn: „de helft is ons niet aangezegd." Maar die gedachte aan het Vaderhuis met zijn vele woningen wordt wel zeer in het bijzonder opgewekt door de aanspraak van het gebed des Heeren: „Onze Vader, Die in de hemelen zijt".

In dat Vaderhuis is een Hogepriester met de borstlap met de namen van al de stammen Israëls op Zijn hart. Hij vergeet er geen enkele. Geen enkele van de Lutherse kerk. Geen enkele van de Gereformeerde kerken. Geen enkele van de Christelijk Gereformeerde kerk. Geen enkele van de Gereformeerde Gemeente. Geen enkele van de Oud-Geref. Gemeente. Geen enkele ook van de Hervormde Kerk. Hij denkt aan al de gegevenen des Vaders. Hij treedt biddend voor hen tussen bij de Vader. Hij haalt eens allen bij elkander. En dan en daar maken geen kerkmuren meer scheiding, zoals dat bij tijden en ogenblikken ook hier wel eens mag zijn.

O, heerlijke en begeerlijke eenheid van wat bij elkander behoort. Och, dat er

maar veel gebeden moge worden in deze angstige tijd om die enigheid des waren geloofs van die gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, en om dat uiteindelijke samenvergaderd worden in het Vaderhuis met zijn vele woningen!

„Die in de hemelen zijt. < — Ja, onze Staten-vertalers hebben wel goed vertaald, want alles wat wij u noemden, ligt daarin opgesloten.

Mijn lezer, wie is uw vader? Als gij nog niet hebt leren spellen op de School des Heiligen Geestes het: „Onze Vader Die in de hemelen zijt", dan geldt u het woord van de waarachtige Getuige: „Gij zijt uit de vader de duivel." En vergeet toch niet: „die was een mensenmoorder van den beginne."

Ach, vraag toch, om nu het nog is het heden der genade, uit die sterke klauwen verlost te worden. Wat is dat een wonder, uit het geweld des duivels verlost en nu voor rekening van de getrouwe Zaligmaker! Dat is een eeuwig wonder! O, verwacht dan maar alles van boven. Want al zijn wij nu niet bezig met de Catechismus te verklaren, wij mogen u toch niet onthouden Vr. en Antw. 121 van de Heidelberse Catechismus Z. 46:

121 Vr. Waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt? — Antw. Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aardselijk denken, en van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.

Hij is rijk over allen, die Hem aanroepen. O, dat de Geest der genade en gebeden u lere Hem in Christus' naam aan te roepen met de wondervolle aanspraak, in uw ledigheid, en in aanbidding: „Onze Vader, Die in de hemelen zijt!"

Z.

S. v. D.

Naschrift. Met de drie laatste artikelen is, naar ik hoop, voldaan aan de wens van een mijner briefschrijvers, H. B. te W. „Ik hoop, dat u er nog eens over schrijft in het Geref. Weekblad, wie wel en wie niet de Vadernaam op de lippen mag uitspreken." Moge de Heilige Geest Zelf deze naam u en velen in het hart en op de lippen leggen. Dan alleen hebben wij de ware vrijmoedigheid om die naam ook uit te spreken.

En dan is het misschien ook goed hier een plaatsje te geven aan het gedichtje van haar overleden vader, dat Mevr. R.v. d. B. mij naar aanleiding van deze meditaties toezond.

Bede om waar gebed.

Trouwe Vader, Als ik nader Voor Uw heilig aangezicht. Als ik kniele. Schenk mijn ziele Uw vertroostend, heerlijk lichtE

Dierb're Heiland, Schenk m' Uw bijstand. Als ik tot de Vader kom. Sla mij gade, In genade, Uit Uw hemels heiligdom.

Geest des Heeren, Wil toch weren. Wat niet is naar Uwen wil. O, bid mede In mijn bede, Maak het om en in mij stil!

God Drieënig, Geef mij menig Waar en kinderlijk gebed; Al het spreken In mijn smeken Uit mijzelve is besmet.

't Ware vragen, 't Smeken, klagen, Dat bij U verhoring vindt, Wekt Gij, Heere, Tot Uw ere, In het harte van Uw kind.

Gij zult horen En verhoren Elke beê door U gewekt. En haar geven Wat voor 't leven Tot een eeuw'ge zegen strekt.

Maak mij stille. Naar Uw wille, Als mijn bede tot U stijgt. Geef m' in 't smeken, Heer', een teken. Dat Uw oor zich tot mij neigt!

Als ik nader, O, mijn Vader, En ik voor U nederkniel, Laat mijn vragen U behagen; Geef die zegen aan mijn 2iel.

Moge de Heere ook dit eenvoudige gedichtje, dit gebed uit de diepte, maar ten zegen stellen!

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 juni 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Onze Vader, Die in de hemelen zijt

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 30 juni 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken