Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De profetieën van Zacharia

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De profetieën van Zacharia

11 minuten leestijd

HET VIJFDE VISIOEN

III.

Wie zijt gij, o groote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen, met toeroepingen: „Genade, genade zij denzelven!"

Het woord des Heeren geschiedde verder tot mij, zeggende; „De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat de Heere Mij tot ulieden gezonden heeft."

Zacharia 4 : 7—9.

Wij overdachten den vorigen keer, hoe de Heere, door den dienst van Zijn profeet, Zerubbabel kwam te bemoedigen. Zerubbabel stond immers voor een zware taak, welke onder moeilijke omstandigheden moest worden uitgevoerd. Vergelijkt zijn positie ten aanzien van den tempelbouw eens met die van Salomo. Zerubbabel was, evenals Salomo, uit Davids koningshuis gesproten. De laatste was een onafhankelijke vorst, bekleed met macht en majesteit; de eerste daarentegen miste allen luister, en moest, tot in de onderdeelen van zijn bestuur over de Joden, verantwoording doen aan den Perzischen monarch, aan wien hij onderworpen was. Salomo beschikte over ruime geldmiddelen — zijn vader David had voor den bouw reeds groote sommen apart gelegd; de beurs, waaruit Zerubbabel het werk moest bekostigen, was echter slechts matig gevuld. Salomo kreeg steun van zijn buurman Hiram, den koning van Tyrus, die zorgde voor den aanvoer van bouwsteenen, balken en planken; de buren van Zerubbabel (allereerst de Samaritanen) deden niet anders dan dwarsboomen. Aan Salomo stonden bekwame ambachtslieden ruimschoots ten dienste; maar Zerubbabel had weinig vakkundig personeel. Salomo verrichtte den arbeid, terwijl zijn land in vrede was en er geen oorlogsgevaar dreigde; Zerubbabel moest gedurig op vijandelijke aanvallen voorbereid zijn. Och, wanneer Zerubbabel op den Sionsheuvel stond, stond hij op een berg van puin, afkomstig van Salomo's verwoesten en ingestorten tempel. (Denkt aan de ruïnes, welke na den laatsten oorlog in Duitschland en elders worden aangetroffen, en welker opruiming een schier onbegonnen werk is.) Zerubbabel stond op een berg van puin, en... voor een berg van bezwaren, met het oog op den herbouw.

Door den mond van Zacharia bemoedigde Jehovah dezen man in zijn benarde omstandigheden: „Wie zijt gij, o groote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld. De berg van bezwaren, die deed zuchten en vreezen, en die bijkans onoverklimbaar was, zou ineenzakken; als over een vlak veld zou Zerubbabel mogen voortgaan. De harten der aardsche machtheb-

bers zou de Heere ten gunste van Zijn bondsvolk neigen gelijk waterbeken; de booze plannen van de tegenstanders zou Hij verijdelen; en de aanslagen van de vijanden afweren. Jehovah zou een effen baan maken voor Zerubbabels voet, bij het voortbouwen aan het heiligdom; het werd aan Davids nazaat bevestigd, wat een latere dichter zong: „Voor hen, die 't heil des Heeren wachten, zijn bergen vlak en zeeën droog."

„Wie zijt gij, o groote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld." Niet alleen op den berg van bezwaren, doch tevens, letterlijk genomen, op den berg van puin, die den Sion bedekte, doelde het woord des Heeren. De tweede tempel werd gebouwd met de steenen van den eersten. De waardevolle blokken en brokken werden uit de ruïne uitgezocht, afgebikt, bijgehakt en pasklaar gemaakt, terwijl men de rest naar elders vervoerde. Wanneer de tempel gereed zou zijn, was zoodoende meteen de groote berg van puin verdwenen, en de top van den Sionsheuvel tot een vlak veld geworden. Uit dien slinkenden puinhoop zou Zerubbabel ook den hoofdsteen nemen — den gevel-of topsteen, welke het laatste op zijn plaats werd ingemetseld, als bekroning van het geheele werk. En bij die feestelijke gelegenheid zou het volk Gods gunst over het voltooide huis inroepen: „Genade, genade zij denzelven!"

Lezers, lezeressen, ongetwijfeld hebt gij meermalen huiverend voor een berg gestaan — voor een berg van stoffelijke zorgen, voor een berg van smart en rouw, voor een berg van zonde en schuld, voor een berg van geestelijke benauwenissen. En is het u nooit gebeurd, dat de berg inkromp op 's Heeren bevel, zoodat gij verruimd mocht adem halen na zooveel bangen tegenspoed? Hebt gij, zij het in het klein, Zerubbabels verrassing wel eens doorleefd? Dan zal het in uw hart en op uw lippen zijn geweest: „Dit werk is door Gods alvermogen, door 's Heeren hand alleen geschied!" De Heere Heere maakt voor Zijn keurlingen groote bergen tot vlakke velden; bij Hem zijn uitkomsten, zelfs tegen den dood — opdat Hij geprezen worde.

Met hun ervaringen over bergen, die tot een vlakte worden, zoo het den Heere behaagt — met hun ervaringen staan Gods kinderen nevens Zerubbabel. Er is echter méér. Want Zerubbabel, de telg uit Davids huis, is ook een type, een voorafschaduwing van den Christus Gods; en het gebouw, dat onder zijn leiding op den Sion verrees, wees heen naar den geestelijken tempel, de levende Kerk, het Koninkrijk Gods. Zoo is de groote berg, waarover onze tekst spreekt, een zinnebeeld van de machten in de wereld, die zich, onder aanvoering van den satan, tegen den Allerhoogste, Zijn Gezalfde, Zijn werk en Zijn volk verzetten. Velen weerstonden Zerubbabel, omdat hij Jehovah's heiligdom oprichtte; dezelfde vijandschap ontmoet een iegelijk, die op eenigerlei wijze in den wijngaard des Heeren werkzaam is. Gods Kerk blijft de eeuwen door het mikpunt van hen, die den Koning der koningen verwerpen. Aan alle kanten rijzen de bergen voor de Sionieten dreigend op. De gemeente wordt bestookt, nu eens van de zijde der burgerlijke overheid, en dan weer van den kant der wetenschap. De bondelingen ondervinden om den wille van hun belijdenis allerhande grimmigheid, welke de ongeloovige wereld hun aandoet. De tegenpartijders zijn talrijk en sterk; zij beschikken over een reeks middelen, om hun doel te bereiken. En de keurlingen zijn, op zichzelven beschouwd, verre in de minderheid; Jesaja vergeleek hen bij een nachthutje in den komkommerhof. Och, het volk, dat genade kent, kan tusschen de bergen zoo in de engte zitten. Zal het Koninkrijk Gods niet van de aarde worden verdreven, zal de naam van Christus niet worden uitgeroeid, zal het geslacht der vromen niet uitsterven? Neen, neen; de meerdere Zerubbabel houdt stand, want de Oppermajesteit bevestigt Hem op Zijn plaats; Hij bouwt op het fundament van Zijn borgwerk voort, naar het gemaakt bestek; de Sionieten mogen zich rondom Hem scharen, en deelen in de gunst, welke op Hem rust. Nog klinkt het uit de hoogwaardige Heerlijkheid: „Wie zijt gij, o groote berg van haat en bestrijding jegens Mij en Mijn erfdeel? Gij zult instorten en tot een vlak veld worden, zoodat er niets van u overig blijft." Ondanks hun snoevende taal, en veelomvattende plannen, en indrukwekkende daden, zullen de verachters van Gods Naam en Rijk beschaamd, vernederd worden.

Onwillekeurig slaan wij den 68en Psalm op; het 8e vers bevat dezelfde waarheid als Zacharia's boodschap:

Dat Basans hemelhooge berg met al zijn heuv'len Sion terg', en wane t' overtreffen; wat springt gij, bergen, trotsch omhoog? wat wilt g' u, in der volk'ren oog, bij Sions berg verheffen? God Zelf heeft dezen berg begeerd ter woning, om, aldaar geëerd,

Zijn heerlijkheid te toonen. De Heer', die hem verkozen heeft, die trouwe houdt, en eeuwig leeft, zal hier ook eeuwig wonen.

* * * Nu kan Zerubbabel toch wel gerust zijn! Want de Heere heeft hem immers genoegzaam verzekerd, dat de tempelbouw niet op een mislukking zal uitloopen. Zerubbabel aarzelde misschien nog; misschien vroeg hij in stilte: „Zal het werkelijk aldus geschieden? Zullen de natiën teruggedreven worden; zullen wij verder kunnen werken, en het heiligdom aanschouwen, met een gevelsteen gesierd? " Het kwam hem bijna ongelooflijk voor. Jehovah weet, wat maaksel wij zijn; goedertieren boog de Eeuwige Zich tot Zijn twijfelmoedig kind neer, en nogmaals betuigde Hij, door den dienst van Zacharia, dat Zerubbabel zich op Hem mocht verlaten. „Het woord des Heeren geschiedde verder tot mij, zeggender De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat de Heere der heirscharen Mij tot ulieden gezonden heeft."

Het 9e vers is opmerkenswaardig. Jehovah heeft verkondigd, dat Hij Zelve het werk te Jeruzalem doen zal door Zijn Geest — doch nu lezen wij, dat Zerubbabels handen het huis hebben gegrondvest, en dat zijn handen het ook zullen voleinden. De geloofswetenschap, dat de Heere Zijn tempel bouwt en voltooien zal, leert de bondelingen geenszins werkeloos neerzitten, met de handen in den schoot; de steile afhankelijkheid, die ons van onszelven doet afzien, om op God te letten, kweekt allerminst luiaards. De Heere was bezig op den Sion; Hij regelde alles zóó, dat de uitslag verblijdend zou wezen; indien Hij de zaak niet voor Zijn rekening had genomen, zou er geen spaan van terecht komen. Maar... daarom stoot Jehovah den mensch niet terzijde; integendeel, gewoonlijk behaagt het Hem, Zijn gunstgenooten in Zijn arbeid te betrekken.

Het 6e vers: „Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest" wordt somwijlen misbruikt voor een valsche lijdelijkheid. De duivel is er tuk op, ons zulk een Schriftuurplaats verkeerd te doen uitleggen en toepassen. Het 9e vers beware ons voor het helschfc verdraaien van Gods getuigenis. De Heere zal een volkomen werk te Jeruzalem doen; en nochtans: Zerubbabels handen hebben het huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden. Het eene is niet in tegenspraak met het andere. Laat uw ervaring aan het woord komen, Sionieten! De 127e Fsalm belijdt: „Zoo de Heere het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan." Niettemin roept Jehovah de bouwlieden, om troffel en hamer te hanteeren; zij mogen niet ledig rondloopen. Nog hoor ik het mijn leermeester, wijlen prof. Hugo Visscher, zeggen: „De mannen van de praedestinatie zijn ook altoos de mannen van de daad geweest." Zij, die, door de onderwijzing des Geestes, Gods souvereiniteit kregen in te leven, zitten niet traag aan den kant van den levensweg neer, maar steken de handen uit de mouwen, vragende: „Heere, wat hebt Gij, tot roem Uws Naams, voor ons te cjpen? Wilt Gij ons besturen en bekrachtigen, opdat wij, als Uw knechten, Uw werk mogen verrichten. Bekwaam ons, Heere, zoo zullen wij een goed instrument < — meer niet — in Uw hand wezen, en U, zij het nog met veel gebrek, eere toebrengen, gelijk de engelen in den hemel."

Het is zoo wonderlijk. Het is zoo groot. De Heere heeft ons niet noodig; Hij wordt niet van menschenhanden gediend, als iets behoevende (Hand. 17:25). En evenwel verwaardigt Hij zulken, die niet anders deden dan Zijn schoone schepping ontluisteren, om in Zijn dienst te treden en bij te dragen aan den opbouw van Zijn heerlijk Koninkrijk. Wij denken aan het slot van den 84en Psalm: Hij zal genade en eere geven." Zerubbabel ontving de genade, bij den tempelbouw te zijn inge-

schakeld; en de eere, dat zijn handen in het 9e vers tot twee malen toe werden genoemd, hoewel feitelijk Gods handen het geheel hadden gewrocht. Lezers, lezeressen, zij het onze begeerte, deel te hebben aan Zerubbabels hooge voorrecht; anders toch behooren wij tot de werkers van het kwaad, die vallen zullen in een akeligen jammerstaat.

„Opdat gij weet, dat de Heere der heirscharen Mij tot ulieden gezonden heeft." Een soortgelijke betuiging lazen wij in Zach. 2 : 9 en 11, waar de Engel des Verbonds aan het woord is. Kennelijk heeft ook bij Zach. 4 : 8 deze Engel (Christus vóór Zijn vleesch wording) het woord genomen, en is de tolkengel, dien wij in het voorgaande hoorden spreken, weder ter zijde getreden. Tegen alle menschelijke verwachting in zal Zerubbabel den gevelsteen inmetselen, en de voltooide tempel mag een bewijs wezen, dat de Heere Zijn belofte vervult. Zoo zal het ook in de toekomst zijn. Hij, die als Engel des Verbonds, als Gods Afgezant, in het nachtgezicht aan Zacharia verscheen, zou straks, overeenkomstig de belofte, als Zoon des menschen nederkomen, om in Zijn bloed het Koninkrijk te stichten, waarvan Zerubbabels tempel een zinnebeeld en profetie was.

„Opdat gij weet, dat de Heere der heirscharen Mij tot ulieden heeft gezonden." Ja, de levende Kerk kreeg van geslacht op geslacht de bevestiging, dat Jezus Christus Gods volkomen Zaligmaker is, Wiens daden samenstemmen met Zijn woorden. Lezer, lezeres, weet gij het ook — niet slechts verstandelijk, maar bevindelijk — dat de Heere der heirscharen Zijn Borg en Middelaar uitgezonden heeft, opdat ook gij — ook gij! — uit genade een plaatsje zoudt ontvangen in het onverwoestbare heiligdom?

Opdat gij weet — zielszaligend weet — dat in den meerderen Zerubbabel een Koning geschonken is, met Wien geen aardsche vorst is gelijk te schatten... daartoe werd Zacharia tot profeet geroepen, daarvoor mag ik deze meditatiën schrijven, daarheen strekke zich uw hartsbegeeren onder Geestes-aandrang uit.

Utr.

E. v. M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De profetieën van Zacharia

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken