Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De profetieën van Zacharia

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De profetieën van Zacharia

12 minuten leestijd

OVER HET VASTEN

V.

Alzoo zegt de Heere der heirscharen: aat uw handen sterk zijn, gijlieden, die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit den mond der profeten, die geweest zijn ten dage, als de grond van het huis des Heeren der heirscharen gelegd is, dat de tempel gebouwd zou worden. Want vóór die dagen kwam des menschen loon te niet, en het loon van het vee was geen; en de uitgaande en de inkomende hadden geen vrede wegens den vijand, want Ik zond alle menschen, een iegelijk tegen zijn naaste. Maar nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen, gelijk in de vorige dagen, spreekt de Heere der heirscharen. Want het zaad zal voorspoedig zijn; de wijnstok zal zijn vrucht geven, cn de aarde zal haar inkomsten geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles doen erven. En het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda, en gij, o huis van Israël, geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzoo zal Ik ulieden behoeden, en gij zult een zegening wezen; vreest niet, laat uw handen sterk zijn. Zacharia 8:9—13.

Het bondsvolk had tegen elk der Tien geboden zwaar en menigmaal misdreven (Zach. 7:9 e.v.), en nu kwam Jehovah — o, goddelijke wraak! — met tien heilstoezeggingen tot de gemeente, die op het tempelplein vergaderd was (Zach. 8). Weldra zouden Sarezer en zijn metgezellen de blijmare ook in Babylonië, aan de Joden aldaar, verkondigen.

De zesde belofte, welke wij thans hebben te behandelen, is zeer uitvoerig. Tot twee malen toe moest de profeet van 's Heeren wege Zerubbabel en diens mannen aanvuren tot den opbouw en de voltooiing van het heiligdom: „Laat uw handen sterk zijn" (9e en 13e vers). Jehovah's misnoegen kwam openbaar, toen de Joden weinig of geen zorg besteedden aan het huis van God, en schier uitsluitend met hun stoffelijke, tijdelijke belangen bezig waren. Ja, Jehovah's misnoegen openbaarde zich, want „des menschen loon kwam teniet, en het loon van het vee was geen" (10e vers); ten gevolge van herhaalde misoogsten was er weinig voedsel („loon") voor mensch en dier, ondanks hun beider noesten arbeid op de velden. Haggaï had er eveneens op gewezen, dat de vlijt niet werd bekroond

door ruime inkomsten, wijl de geestelijke traagheid der Joden den Heere griefde. Aldus sprak Zacharia's voorganger: „Gij zaait veel, en gij brengt weinig in. Gij ziet om naar veel, maar gij bekomt weinig; en als gij het in huis gebracht hebt, zoo blaas Ik daarin (wat nog in de schuren opgeslagen wordt, slinkt door schimmel, ongedierte, enz.) Waarom dat? — zegt de Heere der heirscharen. Om Mijns huizes wil, hetwelk woest (een puinhoop) is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis"

(Hagg. 1:6, 9). Het gebrek aan ijver voor den opbouw van het heiligdom was een uitvloeisel van het tekort aan eerbied en liefde voor Israëls Koning. Onder de bezielende woorden van Haggaï en Zacharia viel de lusteloosheid van de Joden af; met energie werd het werk op den Sion aangepakt, en dat trok een welgevallen van den Heere. Hij riep het Zijn bondelingen toe: Laat uw handen sterk zijn, laat u door de moeilijkheden niet ontmoedigen; Ik schenk u, die Mijn huis niet langer verwaarloost, de blijken van Mijn gunst: e wijnstok zal zijn vrucht geven, en de aarde (akkers en weiden) zal haar inkomen geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel dezes volks (de Joden in Kanaan) dit alles doen erven" (12e vers). Jehovah's misnoegen over het wangedrag van Zijn volk — dat zich enkel inspande voor eigen voordeel, en niet voor den dienst des Heeren — kwam tot uiting in de schrale opbrengst van den bodem, en tevens in de ongeregelde maatschappelijke toestanden. Wij lezen er over in de tweede helft van het 10e vers: En de uitgaande en de inkomende hadden geen vrede wegens den vijand, want Ik zond alle menschen, een iegelijk tegen zijn naaste." Het was dus niet geraden, zich ver van huis te begeven; struikroovers, die voor een moord niet terugdeinsden, maakten de wegen onveilig. De traagheid bij den tempelbouw was er een kenteeken van, dat de band met Jehovah aan verslapping leed; en waar geen nauw contact met den Heere werd gevonden, daar mankeerde tevens de rechte verhouding tot den naaste. God liet de Joden de bittere vruchten van hun boosheid eten; Hij trok Zijn goeden Geest, den Geest der samenbinding, terug; en zoo kreeg de geest van Kaïn, de geest der onbroederlijkheid, vrij spel. De maatschappelijke wanorde was een tuchtiging des Hemels: Ik zond alle menschen, een iegelijk tegen zijn naaste." Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen. Doch nu het bondsvolk zich bekeerd had van de dwaling zijns wegs, legde Jehovah de roede terzijde: een onderlinge kwaadwilligheid zou de ingezetenen des lands verontrusten. Zacharia mocht prediken: Maar nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen gelijk in de vorige dagen, spreekt de Heere der heirscharen; want het zaad zal voorspoedig zijn" - — beter vertaald: want Ik zal vrede zaaien" (11e en 12e vers). Toen men naar den vervallen tempel niet omzag, had Jehovah toegelaten, dat de Joden op voet van oorlog met elkaar verkeerden; doch nu de muren van Zijn heiligdom verrezen, „zaaide" Hij vrede, beschikte Hij harmonie, samenstemming en samenwerking, tusschen de zonen van hetzelfde volk.

Deze dingen zijn van beteekenis ook voor onze dagen, want Gods woord heeft gelding voor alle tijden. In het Nederlandsche volk vinden wij het kwaad, dat onder alle natiën voortwoekert, en dat overeenkomt met het euvel, hetwelk Haggaï en Zacharia bestreden. Hetgeen noodig, nuttig en aangenaam is voor het tijdelijke leven, neemt de honderdduizenden in beslag; maar wie bekommert zich om Gods tempel, om 's Heeren eere, woord en dienst? Aan de kerken loopt men voorbij, de Bijbel (indien men er nog een heeft) is een gesloten boek, het gebed heeft afgedaan. De heilige Wet telt niet mede in het particuliere bestaan, en evenmin op de publieke markt des levens; het Evangelie is geen blijde boodschap, omdat „zonde en genade" woorden zonder inhoud zijn geworden. Hoe zeer wordt de rustdag ontadeld; wat weinig achting voor God legt men aan den dag; hoe hooghartig halen velen de schouders op over het volk, dat den Heere vreest. Op ontstellende wijze vertoonen de vijandschap en het bedenken des vleesches zich ook binnen de gemeenten.

Slaat de statistieken op, en leest, welk percentage der ingeschreven kerkleden in de onderscheidene landen van belangstelling blijk geeft. De klacht van Haggaï, dat 's Heeren huis woest wordt gelaten, is ten volle op onzen tijd van toepassing. En ziet gij niet, hoe Gods roede slaat? Allerlei rampen teisteren nu dit, dan dat deel der aarde. Och, de meesten zijn er druk mede, de geleden schade naar vermogen te herstellen; maar zij verzuimen intusschen te hooren naar Hem, die de roede besteld heeft, en te vragen, waarom Hij zulks deed. „Des menschen loon komt teniet" — de bevestiging van Zach. 8:10 gevoelen wij aan den lijve; wij moeten ons het eene ontzeggen, en op het andere bezuinigen, om geldelijk niet in het ongereede te geraken. De loonen zijn in de laatste halve eeuw enorm gestegen, de sociale toestanden grootelijks verbeterd, de zorgen van breede scharen verlicht... maar is de levenshemel voor het gros der menschen waarlijk minder bewolkt? Telkens en telkens weer kan de echo van Hagg. 1 : 9 beluisterd worden: En als gij het in huis gebracht hebt, zoo blaas Ik, de Heere, daarin — om Mijns huizes wil, hetwelk woest is."

Ook de andere helft van Zach. 8:10 is als voor vandaag geschreven: De uitgaande en de inkomende hebben geen vrede wegens den vijand; want Ik zend alle mensen, een iegelijk tegen zijn naaste." Elke courant, die gij openvouwt, spreekt u van wantrouwen en wanorde tusschen de volkeren. Ministers vliegen van de eene hoofdstad naar de andere, afgevaardigden spoeden zich van conferentie naar conferentie, militaire en economische deskundigen voeren onverdroten besprekingen... wat haalt het uit? De dreiging is niet van de lucht, en de conflicten volgen elkaar op, nu hier, dan daar. Blijft eens binnen de grenzen van ons land. bepaalt u eens tot het kerkelijke leven, ziet eens rond in de families — is het daar beter? Wij, en Rusland, en Frankrijk, en Amerika, zijn God kwijt; wij missen Zijn Vredevorst, Zijn Geest des vredes, en dit gemis is door niets — door niets! — te vergoeden. Wij zijn God kwijt, en daarom zijn wij het rechte spoor bijster: ij loopen in een doolhof, en kun-nen den uitgang niet vinden. Wij zijn God kwijt, en daarom wil een ieder zelf koning zijn; wij duwen er den naaste voor op zij, wij vertrappen er hem desnoods voor — de wereld is vol van ruzie, nijd, argwaan, doodslag. De Heere heeft ons overgegeven aan de boosheid van ons hart. „Een iegelijk tegen zijn naaste" — „een iegelijk tegen zijn naaste"; zoo dreunt het oordeel van den Allerhoogste over de aarde.

De historie wijst uit •— en bevestigt daarmede de Schrift — dat er ten aanzien van de ongerechtigheid verschil moge zijn in trap en mate, wanneer het eene tijdperk met het andere wordt vergeleken, maar dat, wat het wezen der zaak betreft, de menschheid in den loop der eeuwen dezelfde blijft. O, hoe somber. Is er geen lichtpunt in deze duisternis? Hallelujah, ja! De Heere God heeft het liefste, dat Hij bezat — Zijn eeniggeboren Zoon — in de wereld gezonden, om Zich een volk uit het verderf vrij te koopen. Van die onuitsprekelijke Gave hoorden wij Zacharia reeds herhaaldelijk gewagen. En om Zijnentwille mocht Zacharia uitroepen: „O Israël, uw heilzon is aan 't dagen." De trage Joden werden door den Geest van Christus aangedreven, om den Sion te beklimmen, Gode eere te geven, en den tempel te herbouwen. De Heere wilde nog in het midden van Jeruzalem wonen (3e vers), en Hij bracht Zijn weldaden mede: Hij zaaide den vrede, waar een iegelijk zijn naaste vijandig bejegende; Hij deed de aarde haar inkomen geven, waar het loon des menschen teniet kwam, en schaarschte heerschte.

Terug naar Gods tempel, dien wij woest lieten! < — dat is ook voor onze dagen het wachtwoord, het geneesmiddel. Jesaja zeide het aldus: Tot de wet en tot de getuigenis; zoo zij niet spreken naar dit woocd, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben" (8 : 20). En Jeremia kreeg er aan toe te voegen: Vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, en wandelt daarin; zoo zult gij rust vinden voor uw ziel" (6 : 16). Om Christus' wille is er hoop en uitzicht voor een ieder, die zich leerde verootmoedigen. Laat het in de wereld rondom donker zijn — nochtans omstraalt het licht degenen, die in Gods tempel mogen knielen.

„En het zal geschieden, gelijk als gij. o huis van Juda, en gij, o huis van Israël, geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzoo zal Ik ulieden behoeden, en gij zult een zegening wezen; vreest niet, laat uw handen sterk zijn." Wanneer een Babyloniër zijn naaste in grimmigheid een ver-

wensching naar het hoofd slingerde, kon hij allerlei leelijke en grove woorden gebruiken; één daarvan was: , .Het moge je vergaan als den Joden" — Juda en Israël waren immers toonbeelden van jammer, toen zij de ballingschap werden ingedreven, en al hun bezittingen kwijt waren; hun God Jehovah had hen kennelijk in den steek gelaten, berooid stonden zij in de wereld. , , Het moge je vergaan als den Joden"; wie dat zeide, wenschte zijn medemenschen niet veel goeds toe. Zoo was Abrahams kroost , , een vloek", een naam voor vervloeking, onder de heidenen geweest. Maar het zal anders worden. Zacharia blaast op de feestbazuin: „Uw heilzon is aan 't dagen!" Wanneer in de toekomst iemand tot zijn naaste zegt: „Het moge je gaan als den Joden", dan zal hij een heilwensch uitspreken; want hij zal bedoelen: „Gelijk Juda en Israël door hun God mild beweldadigd worden, zoo dale ook op u welvaart neer." Abrahams nakroost zal „een zegening", een voorbeeld van gezegend zijn, onder de heidenen wezen. Welk een ommekeer zou er door den Allerhoogste tot stand komen. Zerubbabel en zijn mannen moesten, ziende op de velerlei bezwaren, niet moedeloos bij de pakken neerzitten, doch in 's Heeren naam het werk dapper aanvatten, en in 's Heeren kracht flink voortarbeiden. „Vreest niet, laat uw handen sterk zijn" — zoo luidde de hemelsche boodschap. Voor Sarezer en de andere afgevaardigden lag daarin de stille wenk, dat er geen reden was, om de dagen van treuren en vasten aan te houden. De Joden in Babel mochten niet aan het verleden blijven hangen, hun blik moest voorwaarts gericht zijn. De heilzon was aan 't dagen. Jehovah was weergekeerd tot Sion, Hij zou Jeruzalem tot een volkrijke stad maken, Hij zou de verstrooiden uit het Oosten en Westen naar het oude erfgebied terugleiden. Hij zou vrede beschikken, .en zoowel op stoffelijk, als op geestelijk gebied Zijn goedertierenheid aan Zijn bondelingen verheerlijken.

„Vreest niet, laat uw handen sterk zijn" •— deze opwekking geldt nog voor allen, die tot Sions God, tot den Vader des Heeren Jezus Christus werden getrokken. Er is in ons en rondom ons zoo veel, zoo veel, dat bang en benauwd kan maken. En de duivel is er op uit, juist de keurlingen onder hun last te doen bezwijken. De kinderen der wereld slaan zich soms door de bezwaren en gevaren fermer heen, dan Gods gunstgenooten. Och, de laatsten hebben ook niet alleen met'de tegenheden te kampen, doch worden bovendien bepaald bij den oorsprong daarvan: hun zonde, hun zonde voor God; zij moeten belijden: „Wij ontvangen waardig, hetgeen wij gedaan, misdaan, hebben."

Het gaat er hun dan ook niet enkel om, zich door de moeilijkheden heen te slaan, neen, zij begeeren Gods aangezicht te mogen aanschouwen, in gunst tot hen gewend. Daarom kunnen zij zichzelf niet helpen, gelijk de wereldlingen. Zij smeeken om de bemoediging van Omhoog:

„Vreest niet!" Dan zal hun hart gerust zijn gesteld, en dan zullen hun handen sterk worden gemaakt. De tegenspoeden zijn niet bij tooverslag weg, evenmin als voor Zerubbabel en de zijnen. Maar wij kunnen voort, want de heilzon is aan 't dagen; Jehovah's beloften, die in Christus Jezus ja en amen zijn, ondersteunen ons, totdat zij eenmaal wonderbaar zullen zijn vervuld.

Utr.

Utr.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 december 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De profetieën van Zacharia

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 december 1951

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken