Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wat leert Comrie over voorafgaande genade?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wat leert Comrie over voorafgaande genade?

11 minuten leestijd

Er zijn vele onderwerpen, die onze aandacht vragen. Schreven we een vorige keer over de gave der gezondmaking, nu is er weer iets geheel anders.

Prof. J. Waterink heeft er het zijne van gezegd, dat er in Amsterdam een professor benoemd is om aan de studenten schrijven en spreken te leren, 't Klinkt ook een beetje vreemd natuurlijk, dat men de lagere school gepasseerd is en de middelbare school heeft afgelopen, en dat men dan nog niet kan schrijven. Maar de professor moest toch eens weten, hoe moeilijk het is om zo z'n gedachten uit te drukken, dat elke lezer het er mee eens is en op de goede wijze Verder gaat denken. Ik voor mij denk er tenminste sterk over om de colleges van prof. Garmt Stuiveling, die opdracht heeft om de studenten spreken en schrijven te leren, bij te gaan wonen. Wel, zegt u, wat is er aan de hand? O, ik moet nog eens terugkomen op een onderwerp, dat ik reeds enige malen besprak. Het gaat over een zinsnede uit het Weekblad van over een zinsnede uit het Gereformeerd Weekblad van 17 November j.1.

In verband met vroegere artikelen schreef ik daar: „Ik kan mij ontslagen rekenen van de plicht om uit Brakel en Comrie en van der Groe aan te tonen, dat zij alle drie plaats laten en zelfs eisen voor een voorafgaande genade." Die zinsnede las een schipper op de binnenwateren van Nederland en hij zette er een streepje bij. Toen sloeg hij de verhandeling van Comrie op over Zondag 7 en meende daar juist het tegenovergestelde te vinden, van wat ondergetekende schreef. Comrie schrijft daar: „zodat gij hier ziet, dat er voor de levendmaking niets, niets ter wereld kan begrepen worden, als enigszins de mens daartoe voorbereidendende." Gelukkig nu maar, dat ik niet van voorbereidende genade heb gesproken, gelijk Brakel spreekt van voorbereidende bewegingen. Tot goed verstand van Comrie mag ik er ook de aandacht wel op vestigen, dat hij in dit stuk, waaruit onze schipper een zin aanhaalde, spreekt over voorbereidingen, die van de mens zouden kunnen uitgaan. Als ik blz. 396 opsla van „De Heidelbergsche Catechismus" door A. Comrie, uitgave „De Banier", lees ik daar de vraag: „Of er voor de levendmaking en instorting van 't waar zaligmakend geloof, dat ons wederbaart en ons tot nieuwe schepselen maakt, met enige voorafgaande geschiktheden, hoedanigheden en werkzaamheden van onze zijde voor~ gaan, als voorbereiding tot de levendmaking en instorting van het geloof? " Voorbereidingen die van de mens uitgaan, snijdt Comrie volstrekt af. Maar als Comrie op blz. 405 vermeldt: „De vermaarde Perkins en ook Amesius, beide Engelse Godgeleerden, hebben in hun schriften over de gevallen der conscientie geleerd, dat er enige voorbereidingen tot de bekering of levendmaking zijn", dan wijst hij deze voorbereidingen niet af. Hij acht het een woordenstrijd als men het woord voorbereiding in dit verband bestrijdt. Want, schrijft Comrie, „er is niets klaarder dan dat de Geest eerst de Wet gebruikt om de zondaar te doden, door derzelver eis en vloek in de conscientie te doen indringen, om de zondaar te benauwen, te verschrikken en te doen wanhopen om ooit door iets in zichzelf tot de genade te komen. voor en aleer Hij het evangelie gebruikt om hem levend te maken." Dus deze voorbereiding, die van de Heilige Geest uitgaat, aanvaardt Comrie van harte, al noemt hij het liever niet met de naam voorbereiding. Daar komt nog bij, dat Comrie onder voorbereidselen verstaat, dat er een soort begin in de mens zou zijn gemaakt, een soort beginsel van nieuw leven in de mens zou zijn gelegd, voor de grote daad der levendmaking. In dit licht moeten wij de uitspraak zien, die Comrie doet op blz. 411: „Gij ziet hoe er eigenlijk gesproken geen voorbereidselen tot de levendmaking zijn en dat er nochtans enige dingen voorgaan." Ook deze zinsnede haalt de schipper aan en stelt dan de vraag: „Moet ik onder voorafgaande dingen hetzelfde verstaan als voorafgaande genade? " En hier antwoord ik op: precies, schipper, daar moet u hetzelfde onder verstaan. In verband met Comrie, Brakel en van der Groe had ik de keus uit drie uitdrukkingen. Brakel spreekt van voorbereidende bewegingen in zijn boeken van „De Redelijke Godsdienst", deel I en dan het hoofdstuk over de „Wedergeboorte", paragraaf XII. Comrie spreekt ovet voorafgaande dingen, en van der Groe noemt het voorbereidende genade. Alle drie bedoelen ze dezelfde dingen. Ik heb uit deze drie mijn omschrijving getrokken: voorafgaande genade. Past die nu ook op Comrie? Mijn briefschrijver meent van niet. Daarom wil ik nog wel eens met hem nagaan welke grote stukken Comrie onder die voorafgaande dingen verstaat. Op blz. 406 van genoemd werk schrijft de dominee van Woubrugge, dat er tussen dood en leven geen tussenstaat is. Aan de wedergeboorte in engeren zin kan dus niets voorafgaan, dat daartoe bekwaam maakt.

Comrie verwerpt dan het woord voorbereiden, omdat men er onder zou kunnen, verstaan, dat wij iets doen kunnen, hetwelk enige invloed heeft op de wedergeboorte, hoewel er zeker dingen zijn, die er aan voorafgaan.

Die dingen zijn dan de genoemde, n.1. dat de H. Geest de Wet gebruikt om de zondaar te doden. Ik zou hier mijn schipper willen vragen, of hij het geen genade van God acht, wanneer een zondaar zo door de wet overtuigd wordt van zonde? Dan zijn dus de voorafgaande dingen : gelijk te stellen met voorafgaande genade. Wie werkt die voorafgaande dingen? Die werkt de Geest Gods door het woord, ofschoon de Geest geen bovennatuurlijk lestort. Wij hebben door deze bearbeiding des Geestes geen bovennatuurlijk leven, doch door de kracht van de Geest verstaan wij het Woord, worden verschrikt, komen tot wanhoop aan eigen krachten, 't Zijn werkingen, die niet het geloof instorten, niet van de Geest van Christus zijn, doch wel van de Geest Gods. Comrie wil deze werkingen algemene werkingen des Geestes noemen, waarbij de Geest der dienstbaarheid tot vreze de vurige wet Gods aandringt tot vrees, schrik en benauwdheid. Doch de Geest werkt ook in de harten blijdschap en verlichting en smaak van de hemelse gaven. Deze toestanden van

blijdschap duren maar kort. doch ze zijn er ook vóór de wedergeboorte. De uitwerkingen van deze Geesteswerkingen kunnen zeer groot zijn. Als deze mens zijn zonde en vervloeking ziet, kan hij vreselijk ontroerd worden. Anderzijds kunnen de evangelische werkingen iemand opgetogen van blijdschap maken. Dit alles gaat nog buiten de wedergeboorte om. De grote benauwdheid over de zonde, de vreselijke ontsteltenis, het wenen en misbaar maken is een gevolg van een ontwaakt geweten en maakt de mens niet in het minst aangenaam bij God. En als nu iemand uitverkoren is tot een nieuw leven in Christus, heeft hij dan deze dingen ook vóór zijn wedergeboorte? Ja, de uitverkorene volgt deze zelfde weg. Ook hij leert, vóór de wedergeboorte, zijn ellende door de Wet kennen. Comrie spreekt hier een weinig met stemverheffing: „hoewel ze in hun eigen natuur niet zaligmakende zijn, nochtans is het Gods gemene weg om altoos de Wet op de consciëntie van bejaarden eerst te gebruiken, om hen daardoor hij zichzelf rampzalig te maken; en zo men dat niet wil toestaan, dan spreekt men het Woord Gods en de bevinding van alle eeuwen tegen en maakt zichzelve ten enenmale bespottelijk en verachtelijk en geeft een duidelijk bewijs dat men nooit zijn ellende door de Wet heeft leren kennen."

Dus vóór de wedergeboorte wordt de zondaar onder de tucht van de Wet gesteld. Dat openbaart zich in een kennis der zonde en ellende, in een angst en benauwdheid, ook wel in blijdschap en smaak van de hemelse dingen. Zulke dingen gaan gewoonlijk de bekering vooraf, doch men vindt ze ook bij verworpenen. Als men ze bij iemand vindt, moet men het werk in deze mens maar rustig nakijken, 't Kan op niets uitlopen en het kan door de wedergeboorte worden gevolgd. Welk oogmerk heeft God nu met deze voorafgaande dingen? God wil de uitverkorenen onder de tucht van de vurige Wet doen vallen en in hen ten onder brengen al de hoogten van eigen werk, die zich tegen de vrije genade verheffen en om zijn weg voor Christus en de vrije genade te banen, zodat de Heiland, als Hij hen levend maakt, hen gestaltelijk dood bij henzelf vindt. De dingen, die hen gewin waren achten zij nu schade en drek. Zij gevoelen, dat ze helemaal dood zijn, dat zij voor de zaligheid niets kunnen doen, en dat zij eeuwig verloren zullen blijven, als voor de zaligheid zoveel als een schrapsel van een nagel moet betaald worden. De uitverkorenen blijven gestaltelijk dood, totdat de vrijmachtige God hen levend maakt en door de werking van Zijn Geest Zijn Zoon in hun zielen openbaart. Tot zover Comrie. Ik heb alleen een enkel streepje onder belangrijke gedeelten gezet.

Nog eens, ik heb goede hoop, dat de vraagsteller en ieder van mijn lezers, het met mij eens zal zijn, dat het grote genade van God is, als hij ons tot deze gestaltelijke doodstaat brengt. Maar nu mocht de Heere al deze, die de voorafgaande dingen van Comrie, de voorbereidende bewegingen van Brakel en de voorbereidende genade van van der Groe bij bevinding kennen, levend maken en tot het geloof in Christus brengen. In zijn boekje: et schadelijke misbruik van een algemene overtuiging tot een valsen grond van rust voor de ziel, gebruikt v. d. Groe zijn term in het volgende verband op blz. 10: Het woord des Evangelies wordt gezonden tot een iegelijk mens, die hetzelve hoort verkondigen en verzekert hem in de naam van een God der waarheid, Die niet liegen of bedriegen kan, dat Christus met al zijn zaligheid en algenoegzaamheid, gewisselijk ook de zijne is, indien Hij Hem met een oprecht geloof waarlijk begeert te ontvangen, zoals Hij ons geheel om niet aangeboden en geschonken wordt en ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking, en verlossing, 1 Cor. 1 : 30. Doch hoe wijd de weg tot Christus door God Zelve in het Evangelie, voor een ieder ook worde opengezet en dat die dorst heeft vrijelijk mag komen en die wil, het water des levens om niet voor zich mag nemen, Openb. 22 : 17, zo zal toch nimmer enig zondaar om de Heere Jezus waarlijk verlegen zijn of Hem oprecht gelovig voor zijn Verlosser en Heere met volkomen verzaking van alles, begeren te omhelzen, tenzij hij alvorens zulk een levendig en geestelijk gevoel van zijn rampzaligen en doemwaardigen staat buiten Christus bekome, als hem gans verloren en radeloos bij zich zeiven doet nederzinken. Hij zal anders nooit met een volkomen hart daartoe kunnen besluiten, om zich, als een vervloekt en onmachtig goddeloze uit enkel genade, door Christus te laten zaligen en al zijn beminde boezemzonden en wereldse begeerlijkheden gewillig te verzaken, tenzij dan, dat de last zijner zonden en van Gods vloek en toorn, hem zo zwaar op het hart drukte, dat hij het daar onmogelijk langer onder kan stellen. En ziet, hiertoe komt nu de H. Geest de wereld van zonde overtuigen, teneinde Hij, door dat middel, der mensen gemoederen voor de Heere Jezus zou bereiden en openen om Hem oprecht gelovig in hun binnenste te ontvangen. Maar-die overtuiging ielve is het geloof in Christus niet; zij is slechts een voorbereidende genade tot het geloof, evenals het omploegen en week maken van de grond eens akkers, een voorbereidend werk is om het zaad te ontvangen en te doen wassen in de aarde? " Dat waren nu eens geen nieuwe dingen. Doch als ik mee mag helpen om de oude schrijvers weer of meer ter hand te doen nemen en mee mag helpen, om ze goed te doen verstaan, dan ben ik daar erg blij mee. Er zijn schatten van onderricht in hun geschriften verborgen — van Calvijn af tot op van der Groe toe — die ons wijs kunnen maken tot zaligheid in zoverre zij ons duidelijk het evangelie van Christus prediken. En hoe gaat het hen om Christus. Niet het voorafgaand of voorbereidend werk maakt zalig. Christus, de openbaring van Christus in het hart, aangenomen door het geloof, alleen Hij maakt zalig. Doch door de Wet is eerst de kennis der zonde. Predikt dit door heel onze Kerk heen.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 januari 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Wat leert Comrie over voorafgaande genade?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 januari 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken