Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

ZIET GIJ DEZE VROUW?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

ZIET GIJ DEZE VROUW?

11 minuten leestijd

(2)

Ziet gij deze vrouw? Lukas 7 : 44(m).

In onze vorige meditatie letten wij naar aanleiding van de vraag van de Heere Jezus: „Ziet gij deze vrouw? " op hem, tot wie deze vraag werd gericht, namelijk de gastheer van de Heiland, Simon de Farizeër. Zonder aanzien des persoons komt de grote Profeet tot zondaren met Zijn ernstige, Zijn ontdekkende vragen. Het is wel beschamend en pijnlijk, maar toch zo onafwijsbaar noodzakelijk met die vragen in te keren tot onszelf, en biddend om het licht van de Heilige Geest te onderzoeken, wat zij ons te zeggen hebben, aan welke breuken zij ons ontdekken willen. Hebt gij dat reeds mogen doen? Indien niet, ach, dat dan deze 2de meditatie over de ontdekkende vraag: „Ziet gij deze vrouw? " daartoe een middel moge zijn door de onwederstandelijke kracht van de Heilige Geest,

Wij stonden stil bij Simon de Farizeër, als bij een mens bij wie veel goeds was op te merken: hij vraagt de Heere Jezus in zijn huis, hij ontvangt Hem als gast aan zijn maaltijd, hij wil wel eens wat meer van Hem horen, er is blijkbaar enige toegenegenheid bij hem voor die wonderlijke Rabbi yan Nazareth. Maar toch, zo zagen wij, nog een vijand. Daarbij bepaalt zijn gast, de Heere Jezus, hem door middel van zijn ernstige, ontdekkende vraag: „Ziet gij deze vrouw? " Hij is, — o, schrikkelijke gedachte! — een kind des Koninkrijks onder de dreiging van buitengeworpen te zullen worden. Hij is een van degenen op wie van toepassing is het aangrijpende woord van de Zaligmaker: „En de kinderen des Koninkrijks zullen buitengeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn en knersing der tanden."

Op hoe vele lezers van het Gereformeerde Weekblad zal dit woord ook van toepassing zijn! — Och, dat wij vrezen met een heilzame, op de knieën dringende vrees, en dat wij de Heere smeken om het licht der ontdekking van Zijn Heilige Geest, en om de wedergeboorte door diezelfde Geest, opdat wij waarlijk mogen zijn kinderen des Koninkrijks in de diepste zin des woords, en eens thuisgehaald mogen worden in het eeuwige licht, waar eeuwige blijdschap op de hoofden zal zijn.

En nu komt weer op ons aan de persoonlijke, de ontdekkende vraag van de Heere Jezus: „Ziet gij deze vrouw? " Maar nu komt deze vraag op ons aan niet om alzo onze aandacht te vestigen op hen, tot wie de vraag allereerst werd gericht, en dus op Simon de Farizeër en op allen, die op hem gelijken, die geestelijk zijn van dezelfde familie. Neen, nu leggen wij niet de nadruk op het woordje „gij", ziet gij deze vrouw? , nu willen wij uw aandacht vragen voor de woorden: „deze vrouw": „Ziet gij deze vrouw? " — Ook dat is voor ons nodig en ontdekkend, maar ook beschamend, ook opwekkend en uitlokkend. Gelukkig degene, die zo met de stof van onze meditatie te doen krijgs, wiens oog door de Heere Zelf gericht wordt op „deze vrouw". — In „deze vrouw" mogen wij immers toch zien een zondares in de hope van aan te mogen zitten met Abraham, Izak en Jako*b. Wij mogen in haar zien een getrokkene, een begenadigde, een, die veel is vergeven, en die nu ook door genade veel lief mag hebben.

„Ziet gij deze vrouw? " — O, welk verschil tussen Simon de Farizeër en de vrouw, die zijn huis is binnen gekomen, en die nu wenende staat achter aan Jezus' voeten. Ik hoop van harte, dat gij geen broeder of zuster zult zijn, zelfs geen neef of nicht, van de vrome, eigengerechtige Farizeër. Dat geslacht zal zonder wedergeboorte het Koninkrijk Gods niet zien. Och, dat gij een broeder of zuster moogt zijn of worden van die wenende vrouw, al is zij dan ook een zondares. Ook wij moeten, zal het wel zijn, worden een zondares, een zondaar in ons eigen oog voor God. Die familie van zondaren en zondaressen heeft de Zaligmaker lief. En Hij openbaart Zijn liefde heerlijk. Lezen wij niet van het huisgezin te Bethanië: „Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief"?

Wat is dat kostelijk te mogen delen in de liefde Gods, in de vergeving der zonden, en als vrucht daarvan te mogen getuigen: „Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn sterkte!"

Maar, keren wij terug tot onze tekst. Daarin vraagt de Heere Jezus u: „ Ziet gij deze vrouw? " — Heerlijk is het die vrouw te zien, niet, zoals Simon de Farizeër haar zag, neen! haar te zien met begerige ogen, haar te zien in begrijpend meeleven, omdat haar toestand u niet vreemd is.

Ziet gij deze vrouw aldus bij haar binnentreden? Wie is zij? zo vraagt gij misschien. Sommigen menen, dat zij Maria is, de zuster van Martha en Lazarus, die eens binnenkwom ook bij een Simon, bijgenaamd de melaatse, ook om Jezus te zalven. Er is echter zoveel verschil tussen deze beide gebeurtenissen, dat, al heet de gastheer in beide Simon, er geen enkele gegronde reden is, om Maria van Bethanië te vereenzelvigen met de zondares van Lucas 7.

Ziet gij deze vrouw? Wie is zij? Anderen menen, dat zij Maria Magdalena is, uit wie de grote Medicijnmeester zeven duivelen heeft geworpen. Deze gedachte is al in de vroegste tijden van de christelijke Kerk opgekomen. Daarom heeft de Roomse kerk dit Evangelie - van Lucas 7 bestemd voor de gedenkdag van Maria Magdalena, d.i. 22 Juli. Ook dit echter is een vermoeden, waarvoor alle bewijs ontbreekt.

Nog eens dus: Ziet gij deze vrouw? " Wie is zij? Zij is een onbekende. Haar naam is in de Bijbel niet te vinden. Maar wel is hij opgetekend in het boek des levens des Lams. Bij ons onbekend, maar bij de Heere bekend. Hij zegt ook van haar: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid" (Jer. 31:3).

Mijn lezer, het is niet erg, als gij als een onbekende door het leven moet gaan. Maar het is wel heel erg, als de Heere van u zegt: „Ik heb u nooit gekend, gaat weg van Mij. gij, die de ongerechtigheid werkt."

„Ziet gij deze vrouw? " De Verlosser ziet haar. En Hij ziet haar als een van de gekenden des Heeren, als een van degenen, die liggen onder het zegel van de eeuwige verkiezing. Welk een voorrecht,

als Hij ons zo ziet, als Hij ons zo kentl Dan is het niet erg, al wordt uw naam op aarde vergeten.

Ziet gij deze vrouw, zoals zij gaat staan achter aan de voeten van de Heere Jezus? Zij heeft gehoord met vreugde, dat de Heere Jezus in de stad was, dat Hij aanlag in het huis van Simon de Farizeër. Het was wel heel wat voor een vrouw met zulk een verleden, om hier binnen te komen. Zal zij niet worden geweigerd? Maar, zij kon niet anders. Zij gevoelde de trekking van Jezus' liefde. En nu kómt zij. In haar hand heeft zij een albasten fles met zalf. Ootmoedig gaat zij staan achter aan Jezus' voeten. O, als zij maar bij Hem mag zijn! De laagste plaats, achter aan Zijn voeten, is al zo'n begeerlijke plaats. Zij denkt niet aan een zitten aan Zijn rechter-of aan Zijn linkerhand, als de moeder van de zonen van Zebedeüs dat voor haar kinderen vurig begeerde en dringend vroeg.

Ziet gij deze vrouw, bitterlijk wenende, maar ook in zoete tranen? Als zij daar staat achter aan Jezus' voeten, dan barst zij in tranen uit. Zij heeft het er zo slecht afgebracht. Zou Hij haar niet verstoten? Dat heb ik verdiend, zo is het in haar binnenste. Zij staat daar dan ook wenende èn biddende. Met de tollenaar bidt deze vrouw: „O God! wees mij zondaar genadig."

Deze vrouw staat daar ook met grote dankbaarheid en liefde in haar hart, want de Heere heeft haar, zo onwaardig, zo schuldig, eerst liefgehad. Onder Zijn prediking van genade overvloeiende voor de voornaamste der zondaren is zij geraakt en getrokken. Aan haar eigen ziel heeft zij het ervaren: Hij spreekt als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden. De Heilige Geest heeft haar overtuigd van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Nu is zij waarlijk zondares geworden, zondares in haar eigen oog voor God. Maar zij ontving ook de vergeving van haar zonde en schuld alleen door het alreinigende bloed van Jezus Christus, Gods Zoon. En van dit alles is de kostelijke vrucht, dat zij veel heeft liefgehad, en dat zij zich onweerstaanbaar gedrongen gevoelde die liefde ook te tonen.

Zo gaat het als ons hart vol mag zijn van de goedheid, van het welbehagen, van de vrije gunst des Heeren. Dan kan dat niet in dat hart besloten blijven. Het moet naar buiten doorbreken in woord en daad, in belijdenis en leven, in dankzegging en lofgezang, en ook in zelfverloochening en in tranen.

Ziet gij deze vrouw, staande achter Jezus' voeten, wenende? Weent gij met haar mede? Weent gij een ieder over zijn eigen zonden? O, dat zijn de tranen, waarvan gezongen mag worden:

Mijn tranen hebt G'in Uwe fles vergaard; Is hun getal niet in Uw boek bewaard, Niet op Uw rol geschreven?

Dat zijn de tranen, die tegelijkertijdzijn, het is wonderlijk om het te zeggen, bitter, bitter als gal, en zoet, zoet als honing.

Die het vatten kan, vatte het. Dat zijn ook de tranen, die God Zelf afwissen zal, hier al bij tijden en ogenblikken, en eens voor eeuwig, want er staat in Zijn Woord zo liefelijk en zo wonderlijk teer: „En God zal alle tranen van hunne ogen afwissen."

„Ziet gij deze vrouw? " — Wat doet zij nu toch in de diepte van haar verbrokenheid? O, zie haar, hoe zij begint de voeten van de Heere Jezus nat te maken met haar tranen. En, waar zij geen doek heeft, daar droogt zij de voeten van haar Heiland, natgemaakt met haar tranen, af met het haar van haar hoofd. - — Dat was wat voor een Joodse vrouw, heur haar te ontbinden in het openbaar, in een gezelschap van mannen! — Maar, geen vernedering is deze zondares te groot, in de verbrijzeling haars harten, gedrongen door de liefde harer ziel tot de Heere Jezus, en sterker nog door Zijn wonderlijke liefde tot haar. Ja, als de liefde Gods door de Heilige Geest is uitgestort in uw hart, als gij een gezicht krijgt op uw onwaardigheid en op 's Heeren liefde tot zulk een, dan wilt gij wel laag bukken, dan is het: „Heere, geef mij maar minder te worden, opdat Christus wasse voor mijn zielsoog." Dan zijt gij gelijk aan de myrten, die in de diepte te zijn. Dan hebt gij smaak in een ontdekkende prediking, maar tegelijkertijd bovenal een prediking, waarin de gekruiste Christus verhoogd wordt, gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, opdat alle gebetenen door de vurige slangen zouden zien op de koperen slang, en genezen worden.

„Ziet ge deze vrouw? " Daar staat zij achter aan Jezus' voeten, wenende. Zij heeft al de liefde van haar hart geopenbaard aan Hem, Die haar onmisbaar en noodzakelijk en gepast is. Kent gij daar iets van? Van dat uitgieten van uw ziel als water? , van dat verlangen naar Jezus? , van dat u zelf kwijt raken aan die enige en volkomen Zaligmaker?

Ziet gij deze vrouw, alsof gij uzelf ziet in de weg der ontdekking? , in de weg van het toevluchtnemend geloof? Ziet gij haar op het smalle pad, op de weg naar Zion, waar zij zal aanzitten met Abraham, Izak en Jakob? Ja, in haar komt het weer zo zonneklaar aan de dag: vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten, want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Verschrikkelijk is het deze vrouw te zien van uit uw eigengerechtige, vrome hoogte, en haar te oordelen en te veroordelen. Ach, wat maken wij ons daar dikwijls schuldig aan. Dan staan wij schuldig tegenover onze naaste, die wij niet kennen misschien in zijn verbrokenheid en smart. Dan staan wij als Simon de Farizeër schuldig tegenover de Heere Jezus, Die gekomen is om het verlorene te zoeken en zalig te maken, de enige en volkomen Zaligmaker zelfs van de voornaamste der zondaren. Diep schuldig tegenover Hem, Die met innerlijke ontferming is bewogen over verloren schapen, omdat wij Hem dat kwalijk nemen. En als wij daarin blijven volharden, zal ook ons lot dan niet zijn als kinderen des Koninkrijks buitengeworpen te worden? O, vrees daar toch voor!

„Ziet gij deze vrouw? " — Wat is het een zegen, als het zien op die vrouw ons ook tot wenen dringt over ons zelf en ons neer doet knielen achter aan Jezus' voeten, op de laagste plaats, omdat wij door Zijn liefde worden getrokken, en door Zijn liefde tot wederliefde gewekt! Och, dat het zien op deze vrouw door de Heilige Geest zo op u in moge werken, dat gij op haar zien moogt verootmoedigd, maar ook bemoedigd, beschaamd, maar ook vertroost, zielsbegerig om iets te mogen kennen van die liefde tot de Heere Jezus!

Z.

S. v. D.

Dit artikel werd u aangeboden door: https://www.hertog.nl

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 januari 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

ZIET GIJ DEZE VROUW?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 januari 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken