Bekijk het origineel

De profeet Elia

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De profeet Elia

13 minuten leestijd

DE ONTMOETING MET OBADJA

II.

Als nu Obadja op den weg was, ziet, zoo was Elia hem tegemoet; en hem kennende, zoo viel hij op zijn aangezicht, en zeide: ijt gij mijn heer Elia? Hij zeide: k ben het; ga heen, zeg uw heer: ie, Elia is hier. Maar hij zeide: at heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij doode? Zoo waarachtig als de Heere, uw God, leeft, zoo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft, om u te zoeken; en als zij zeiden: ij is hier niet — zoo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af, dat zij u niet hadden gevonden. En nu zegt gij: a heen, zeg uw heer: ie, Elia is hier. En het mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des Heeren u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zoo zou hij mij dooden; ik, uw knecht, nu vrees den Heere van mijn jonkheid af. Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten des Heeren doodde? Dat ik van de profeten des Heeren honderd man verborgen heb, elk vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb? En nu zegt gij: a heen, zeg uw heer: ie, Elia is hier; en hij zou mij doodslaan. En Elia zeide: oo waarachtig als de Heere der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertoonen. Toen ging Obadja Achab tegemoet en zeide het hem aan; en Achab ging Elia tegemoet. I Koningen 18:7—16.

Elia ontving 's Heeren opdracht, om zich aan Achab te vertoonen, want de tijd der groote droogte spoedde ten einde. Gehoorzaam trok de profeet uit Zarfath; hij wist evenwel nog niet, wat hij zou hebben te zeggen en te doen. Het is begrijpelijk, dat hij zich naar Samaria, de hoofdstad, begaf. En ziet, daar ontmoette hij Obadja, 's konings hofmeester, die was uitgezonden, om gras voor de paarden en de muilezels van Achab te zoeken. Dit was natuurlijk geen toeval, doch Jehovah's beschikking. Elia heeft het verstaan, dat de Heere zijn pad baande; door bemiddeling van Obadja zou hij in aanraking komen met Achab. Het zal een bemoediging voor den profeet zijn geweest, dat de goede hand Gods hem leidde tot een der weinigen, die door den band des waren geloofs met hem verbonden waren.

Vereerders van Baal, en halfslachtigen, die Jehovah en Baal tegelijk wilden dienen, zal Elia op zijn reis overvloedig hebben aangetroffen; doch thans mocht hij de gemeenschap der heiligen vieren. Kent gij ook de verrassing, wanneer er, temidden

van andersdenkenden, iemand blijkt te zijn, die de oude, beproefde Waarheid voorstaat? Is het u een vreugde, met hem (haar) een gesprek aan te knoopen, of... houdt gij u liever op afstand van zulk een? Het antwoord op deze vragen kan licht werpen over uw staat en toestand.

Obadja erkende den man Gods als zijn meerdere; daarom boog hij met Oostersche hoffelijkheid diep ter aarde voor hem. De hofmeester was beduusd, dat de profeet, die gedurende drie jaren spoorloos verdwenen was, eensklaps in levenden lijve vóór hem stond; zekerheidshalve vroeg hij daarom: , , Gij zijt toch mijn heer Elia? " In zijn vraag beluisteren wij tevens de blijdschap: , , Is het werkelijk waar, dat ik mijn heer Elia mag weerzien? " Och, Obadja zal zich menigmaal eenzaam hebben gevoeld in het elpenbeenen paleis. De Schrift zegt, dat Lot's ziel gekweld werd door de gruwelen, welke hij in Sodom aanschouwde; hetzelfde is van toepassing op Obadja aan Achabs hof. Er bevond zich niemand in zijn naaste omgeving, met wien hij van hart tot hart kon spreken - — welk een geluk was hem dus beschoren, den man uit Thisbe te mogen begroeten.

Elia beantwoordde Obadja's vraag bevestigend: „Ja, ik ben het." Aanstonds liet hij er op volgen: „Ga heen. zeg uw heer: Zie, Elia is hier." Ontweek hij een onderhoud met den hofmeester? Stellig niet. Het zou hem even aangenaam zijn geweest als Obadja, om over de eeuwige dingen te spreken. Doch het was er thans de tijd niet voor. Elia moest zijn taak vervullen, en zich aan Achab vertoonen, in verband met de droogte. Voor Gods roeping hebben onze lusten terug te treden. Elia sneed dan ook voor het oogenblik een verder gesprek af, en hield, door den Geest gedreven, het doel van zijn reis in het oog. Hij stuurde Obadja weg, hoewel hij hem gaarne bij zich had gehouden: „Zeg aan uw heer, den koning: Zie, Elia is hier." Ik heb een echtpaar gekend, dat een paar malen per week op gezelschap ging, en de nog vrij jonge kinderen onverzorgd tehuis liet. Zij werden boos, toen ik opmerkte, dat hun handelwijze geen welgevallen van den Heere kon trekken. Hun oudefplicht stond toch bovenaan; zij moesten dan ook maar beurtelings het gezelschap bezoeken, en er elkaar verslag van geven. Elia geeft ons een beter voorbeeld: de hemelsche opdracht had den voorrang boven een broederlijk samenzijn met Obadja.

In Elia's woorden treft ons een mengeling van ootmoed en fierheid. Obadja had hem aangesproken als „mijn heer"; doch Elia wees deze betiteling van de hand: Zeg aan uw heer".., t dat beduidt: Obadja, al is Achab een onwaardige vorst, toch is hij, naar Gods bestiering, uw meester; en ik ben het niet." Aan dezen ootmoed paart zich zijn fierheid. Hij liet immers aan Achab zeggen: Zie, Elia is hier"; en daarin lag opgesloten: Hij wacht u hier; gij koning, kunt tot hem komen." Was de profeet dus hoogmoedig? Neen, neen, maar hij wist zich Jehovah's afgezant, om Diens boodschap aan Achab over te brengen. De vorst zou dus eigenlijk niet naar Elia gaan. maar tot den Heere der heeren naderen, dien hij zoo schandelijk smaadde en verloochende, door den Baalsdienst te bevorderen. In zichzelven aangemerkt, was Elia een mensch van gelijke bewegingen als wij — niet voornamer dan Obadja; als Jehovah's vertegenwoordiger kon hij zelfs Achab bij zich ontbieden. Ootmoed en fierheid dooreengemengd — zij treden eveneens in de apostelen aan den dag. Petrus en Johannes stonden stil bij den kreupelen bedelaar aan de tempelpoort, zeggende: Zie op ons." Zij waren het aankijken waard, want zij kwamen tot den man in Jezus' naam. met Jezus' genezing. Doch als de kerkgangers hen aangapen, en met ontzag over hen spreken, wijzen zij de eerbetooning af, vragende: Wat ziet gij zoo sterk op ons? " Zij waren slechts gewone menschen, die geen extra belangstelling verdienden (Hand. 3 : 4, 12). Ootmoed en fierheid — gij vindt ze in ieder kind des Heeren terug. Het volk van Sion denkt zoo gering van zichzelf; het belijdt: Ik heb tegen U, o Heer', zwaar en menigmaal misdreven", en wederom: Onbekwaam ben ik tot eenig goed, maar geneigd tot alle kwaad." Dit nederige volk mag echter tevens roemen, dat het in Christus een koninklijk priesterdom is en eeuwig blijven zal, verkoren om de deugden te verkondigen van Hem, die Zijn erfdeel geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Ootmoed en fierheid — zij zijn samengebundeld in de versregels: Niets in mijzelven, alles in Hem, zoo reis ik naar Jeruzalem." Lezer, lezeres, deze mengeling van schijnbare tegenstrijdigheden is een kenmerk van een oprecht geloot. Zijt gij er door genade niet vreemd aan?

Obadja wa's aanvankelijk niet bijster ingenomen met de hem verstrekte opdracht. Hij vroeg: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij doode? " De hofmeester was derhalve beducht, dat hij er het leven bij zou inschieten, en gaf een nadere verklaring van zijn vrees. Achab had Elia allerwegen gezocht. De profeet had immers gezegd, dat er geen dauw of regen zou vallen, tenzij dan naar zijn woord. En de koning had zijn uiterste best gedaan, om Elia terug te roepen naar het paleis, opdat hij het verlossende woord zou spreken. Ook naar de omringende landen stuurde Achab zijn dienaren; zij moesten informeeren, of Elia zich aldaar ophield. Het was den koning hooge ernst, want hij liet de naburen, die den profeet niet hadden gezien, hun getuigenis met een eed bekrachtigen. Kennelijk wist Obadja niet, dat Jehovah Zijn knecht een schuilplaats bereid had te Zarfath. Elia was onvindbaar geweest, en de hofmeester verklaarde dit feit aldus: anneer er gevaar dreigde, nam de Geest des Heeren hem weg, opdat hij elders veilig zou wezen. (Vergelijkt Hand. 8 : 39; na den doop van den Moorschen kamerling nam de Geest Filippus weg, en bracht hem te Azote.) De hofmeester veronderstelde. dat het wonderfeit zich zou herhalen; hij zeide: Het mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des Heeren u wegnam, ik weet niet waarheen." En wat zou het gevolg zijn? Indien Achab kwam op de plaats, door Obadja aangewezen, en er Elia niet vond, zoo zou hij zijn hofmeester in toorn dooden. Misschien zou hij Obadja voor een leugenaar houden, die den koning een vergeefsche reis liet maken; misschien zou hij Obadja verwijten, dat deze den man Gods niet had vastgehouden, en iemand anders had gezonden, om Achab te roepen. In elk geval zou hij vergrimmen tegen Obadja, en voor een moord niet terugdeinzen.

Sommige Schriftverklaarders hebben het gedrag van den hofmeester gelaakt; zij meenen, dat Obadja zich een lafaard betoonde. Staande in het geloof, had hij zich moeten verblijden, dat de droogte eerlang een einde zou nemen. Hij had moeten denken aan zijn volk, hetwelk verhongerde < — en niet zoo druk mogen bezig zijn met het risico, dat hij zelf liep. Hij, die den Heere zeer vreesde, zou in die oogenblikken zijn God hebben losgelaten. Wat hebben wij van dit ongunstig oordeel te denken? Op zichzelf beschouwd, is het geenszins onmogelijk, dat Obadja niet op zijn plaats was. De Schrift maakt Gods keurlingen nimmer mooier dan zij zijn. Eerlijk vertelt de Bijbel ons de afdwalingen van 's Heeren lievelingen. En Obadja was niet beter dan zijn vaderen. Wij meenen evenwel, dat den hofmeester in dezen geen blaam treft. De uitleggers, die Obadja misprijzen, letten, ons inziens, te veel op de eerste woorden, door den hofmeester gesproken, en veronachtzamen, hetgeen hij liet volgen. Luistert: „Ik, uw knecht, nu vrees den Heere van mijn jonkheid af.' Is dat de taal van een Sioniet, die het rechte spoor kwijt is, en geen crediet heeft op zijn God? En dan verder: „Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten des Heeren doodde? Dat ik van de profeten des Heeren honderd man verborgen heb, elke vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb? " Hier ligt de oorzaak van Obadja's aarzeling, om tot den koning te gaan, en zich in levensgevaar te begeven. Wie zou voor de profeten in de beide spelonken zorgen, als hij het niet meer doen kon? En indien de profeten omkwamen, wie zouden het volk dan moeten onderwijzen naar den regel van Gods woord, wanneer de gelegenheid zich daartoe voordeed? Neen, Obadja was niet bevreesd voor zijn eigen leven, maar hij was bezorgd over de profeten; dat beteekent: hij was bekommerd over het welzijn van Israël en over de eere van Jehovah. Obadja was er van overtuigd, dat, naar den mensch gesproken, de zaak des Heeren samenhing met de profeten, en dat hijzelve daarom voorloopig nog niet gemist kon worden. Verdenkt den hofmeester dus niet van kleingeloof en lafhartigheid, maar ziet hem kloekmoedig op de

bres staan voor zijn volk en voor zijn Koning, tegenover zijn aardschen vorst, den afgodischen Achab. Paulus betuigde, dat ontbonden te wezen en met Christus te zijn zeer verre het beste was, doch dat het terwille van de gemeenten nuttig was, zoo hij nog een poosje gespaard bleef. Op soortgelijke wijze kon Obadja verklaren: , , Als Achab mij doodde, zou mijn God mij opnemen in Zijn heerlijkheid; doch voor mijn taak in Jehovah's Koninkrijk is het beter, dat Achabs toorn mij niet neervelt."

Elia heeft den hofmeester verzekerd, dat er geen reden was tot ongerustheid. Plechtig sprak hij: , , Zoo waarachtig als de Heere der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem (Achab) vertoonen." De profeet zou derhalve gedurende Obadja's afwezigheid niet uitwijken naar een ander oord, maar de komst van Achab afwachten op de plaats, waar hij zich thans bevond. De bezwaren van den hofmeester waren weggenomen: , , Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zeide het hem aan." En de koning ging op zijn beurt Elia tegemoet.

„Ik zal voorzeker mij heden aan Achab vertoonen" — dat heeft Elia op beslisten toon, onverschrokken, gezegd. Hoe kon hij het? Omdat hij niet bouwde op zijn eigen kracht (die slechts zwakheid was), maar stond in de mogendheid zijns Heeren. Eenzelfde dapperheid bespeuren wij in Paulus, die naar Jeruzalem toog, hoewel hij wist, dat banden en verdrukking aanstaande waren; en in Luther, die voor den rijksdag te Worms verscheen, al raadden zijn vrienden het hem ten sterkste af; en in Calvijn, die zich naar Genève begaf, ofschoon het er krioelde van grimmige belagers. Ook de kleineren in het Koninkrijk bewijzen in hachelijke oogenblikken, dat zij omgord zijn met heldenmoed. Treffende blijken daarvan leest gij in het historieboek van ons vaderland. Maar heden ten dage wordt het eveneens gezien, al maken de couranten er geen melding van. Wat stelt de Sionieten er toe m staat? De gewisheid, door den Heiligen Geest in hun hart gelegd: Zie, de meerdere Elia is hier." Zoo krijgen zij den 118en Psalm in te leven: Daar Hij mijn heil en schild wil wezen, wat zal een nietig mensch - — doch tevens de duivel en de dood — mij doen? " De keurlingen zijn veiliger, dan de honderd profeten in de spelonken onder Obadja's hoede. Zij mogen vragen: Bewaar m' als d' appel van Uw oog, wil mij met Uwe vleug'len dekken"; want de Heere heeft door den mond van Zacharia (2:8) gesproken, dat wie Zijn erfdeel aanraakt, Zijn oog appel aanraakt. Jehovah maakt, naar Zijn welbehagen, dat Zijn gunstgenooten ongrijpbaar zijn voor degenen, die het op hun ondergang hebben gemunt. „Uwe ziel zal Hij bewaren", zingt de 121e Psalm.

Leert dan uw Baal prijs te geven, lezers, lezeressen; vraagt, dat de Geest des Heeren u wegneme uit uw ellende, en voere tot den Christus, Wiens wegbereider Elia was. Dan zult gij — met Elia, en Obadja's profeten, en alle heiligen — een lid mogen zijn van het groote koor, dat 's Heeren lof vermeldt: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen."

Utr.

E. v. M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 november 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De profeet Elia

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 november 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken