Bekijk het origineel

De profeet Elia

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De profeet Elia

14 minuten leestijd

HET ONDERHOUD MET ACHAB

II.

Toen zeide hij: k heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmede, dat gijlielen de geboden des Heeren verlaten hebt en de Baals nagevolgd zijt. Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het gansche Israël op den berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baal, en de vierhonderd profeten van het bosch, die van de tafel van Izebel eten. Zoo zond Achab onder alle kinderen Israëls, en verzamelde de profeten op den berg Karmel. I Koningen 18 : 18—20.

Achab was er van overtuigd, dat hij Elia niet moest prikkelen of ontstemmen. Hij gevoelde zich immers afhankelijk van den profeet, die nadrukkelijk had gezegd: „Zoo waarachtig als de Heere, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord." Doch toen de koning den man Gods, naar wien hij ijverig had gezocht, weerzag op de plaats, door Obadja aangegeven, vergrimde hij; zijn gevoelens van wrok kon hij niet beteugelen, zijn bedachtzaamheid liet hem in den steek, en zijn opgekropt gemoed ontlastte zich in schimpende taal: „Zoo, zijt gij daar, beroerder van Israël!"

Elia droeg de beeltenis van Christus, die, als Hij gescholden werd, niet wederschold. Het heeft den Thisbiet ongetwijfeld gegriefd, met zulk een krenkende benaming te worden aangesproken; nochtans bewaarde hij zijn kalmte, en antwoordde hij niet met een snauw. De vrede

Gods woonde in zijn binnenste, en daardoor was hij in staat, de valsche beschuldiging op waardige wijze af te wijzen. Elia herinnert aan den Heiland, Wiens heraut hij was. Toen Deze voor den hoogepriester stond, gaf een der dienaren Hem een kinnebakslag, en de Heere antwoordde: , Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wèl, waarom slaat gij Mij? " (Joh. 18-:23). Hoe anders handelen wij menig keer. Wij • stuiven aanstonds op, als men ons te na komt, en behoeven niet naar scherpe uitdrukkingen te zoeken, om aan onze verbolgenheid lucht te geven. Later hebben wij er misschien spijt van (het is nog niet eens zeker); maar intusschen kwam openbaar, wat er in ons woont, zelfs al werden wij genadig bij Sions burgers ingelijfd. Hoe noodig is de smeeking van den psalmist: Zet, Heer', een wacht voor mijne lippen"; hoe noodig is de verzoening van den Borg, die ook de zonden der tong voor Zijn volk heeft willen boeten.

Rustig zag Elia zijn vijand in de oogen, en op beslisten toon klonk het: „Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmede, dat gij de geboden des Heeren verlaten hebt, en de Baals zijt nagevolgd." Ons treft de moed van den profeet. Vergeet niet, dat een Oostersch monarch naar willekeur kon beschikken over het leven zijner onderdanen. Wie iets zeide of deed, dat den vorst onwelgevallig was, liep gevaar met den dood te worden gestraft. Elia wist evenwel, dat hij de dienstknecht van den Koning der koningen was; daarom vreesde hij niet, evenmin als Nathan, die onverschrokken tot David zeide: „Gij zijt die man" — evenmin als Johannes de Dooper, toen deze zijn vorst, Herodes, op diens wangedrag wees. Wij hebben meermalen een grooten mond over anderen, maar... achter hun rug. In hun aangezicht durven wij ons afkeurend oordeel niet herhalen; vooral niet, indien het personen betreft, welke boven ons staan. Wanneer geen bedilzucht of leedvermaak ons drijft, doch de Heilige Geest ons dringt, zullen wij den moed hebben den naaste, tot bestwil, zijn verkeerdheid onder het oog te brengen.

Wijders treft ons in Elia zijn trouw aan de waarheid. Hij erkende Achab als den drager van de kroon, doch dit hield allerminst in, dat hij den koning vleide, of diens overtredingen goed praatte. De eerbied, aan zijn vorst verschuldigd, mocht de eerbied voor Jehovah en Diens geboden geenszins overvleugelen. Wij hebben de neiging om, wanneer het ons tegenloopt, de oorzaak nooit bij onszelven, doch steeds elders te zoeken. Evenals Achab, die aan Elia de schuld gaf van den jammer der langdurige droogte. En ja, de profeet had wel gebeden, dat Jehovah de roede zou opheffen ever Zijn afgodisch volk; maar hij vroeg het, niet om Israël te benadeelen, doch juist tot behoud. Der waarheid getrouw, klaagde Elia den koning aan: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis." Achabs vader, Ómri, deed, wat kwaad was in de oogen des Heeren; „hij deed erger dan allen, die vóór hem geweest zijn" (I Kon. 16 : 25). En Achab overtrof Ómri nog in snoodheid, toen hij Izebel huwde, en met haar, een toonbeeld van verdorvenheid, het bondsvolk op heillooze paden dreef. • „Gijlieden hebt de geboden des Heeren verlaten" — dat was het eene kwaad; en het andere sloot er bij aan: Gij zijt de Baals nagevolgd." In gelijken zin moest Jeremia (2-:13) betuigen: Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader des levenden waters, hebben zij verlaten" — de eerste boosheid; „om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden" — de tweede boosheid.

Gelukkig de gemeente, in welker midden mannen en vrouwen zijn, die moedig en getrouw, gelijk Elia, het woord des Heeren krijgen te spreken. Wij denken aan ambtsdragers, maar tevens aan hen, die buiten het ambt staan, en toch als vaders in Christus en moeders in Israël zijn te achten. Hun optreden zal soms gestreng moeten wezen, doch nimmer onbarmhartig en liefdeloos zijn; want de eere Gods en het welzijn van onsterfelijke zielen is hun op het hart gebonden. Dat zij voor hun boodschap een betere ontvangst vinden, dan Elia bij den koning. De ernstige aanklacht van den profeet heeft Achab evenmin tot schuldbesef en berouw geleid, als de teisterende droogte. Van nature zijn wij insgelijks onwillig om het hoofd in schaamte te buigen, en ons vonnis te onderteekenen. De Heilige Geest kan echter, wat zelfs een Elia niet vermocht, namelijk: een steenen hart verbrijzelen, en er een vleeschen hart voor in de plaats stellen. Zij er veel gebeds, dat de Geest Zich aan het woord pare; opdat het wonder gebeure, waardoor zulken, die familie zijn van Achab en Izebel, het vertrapte eerste gebod nog leeren eerbiedigen, liefhebben en, zij het in beginsel, betrachten.

Elia trad niet enkel als boetgezant op; hij zou ook kampvechter wezen, strijdende vóór Jehovah, en tegen Baal met diens aanhang. Het staat niet vermeld, wanneer dit aan den profeet is bekend gemaakt. Was het tijdens de reis van Zarfath naar Samaria, of in de stilte na Obadja's vertrek, of pas tijdens het onderhoud met Achab? Hoe het zij, Elia wist, wat hem te doen stond. Niet op eenmaal, doch allengskens, heeft hij aan Achab medegedeeld, wat er zou gebeuren. De koning hoopte op het wederkeeren van dauw en regen; deze verwachting is vervuld, maar er ging iets aan vooraf. De glorié van Jehovah zou voor aller oog uitschitteren, en de nietswaardigheid van Baal ondubbelzinnig openbaar komen. De wijsheid, die van Boven is, leidde Elia; daarom ontvouwde de profeet het geheele plan vooreerst nog niet aan Achab. Op aanstichten van Izebel mocht de koning eens verzet bieden tegen Elia's onderneming. Het was voorloopig voldoende voor Achab te weten, dat de profeet een groote vergadering op den Karmel wenschte te beleggen. „Nu dan. zend heen, verzamel tot mij het gansche Israël op den berg Karmel. en de vierhonderd en vijftig profeten van Baal, en de vierhonderd profeten van het bosch, die van de tafel van Izebel eten." Deze opdracht verdient om verscheidene redenen onze opmerkzaamheid.

Vooreerst: niet de koning, maar Elia heeft de leiding in het gesprek. Achab trachtte zich wel te doen gelden, door een grof optreden: „Zoo, zijt gij daar, beroerder van Israël? " — Hij was echter weldra van zijn voetstuk afgestooten door Elia's terechtwijzing; en daarna gebood de profeet zijn vorst, een bijeenkomst op den Karmel samen te roepen. Waaraan ontleende Elia zijn gezag? Niet aan eenige waardigheid, welke hem eigen zou zijn — maar aan het feit, dat hij de prediker van 's Heeren woord was. Recht beschouwd had de koning zich niet te schikken naar den Thisbiet, doch naar het woord Gods. Voor den gezant van de Oppermajesteit moest Achab bukken; als persoon was Elia 's konings onderdaan, ambtelijk evenwel vertegenwoordigde hij den hoogsten Koning, en in dat opzicht was hij de meerdere van "zijn vorst. Onthoudt het, lezers, lezeressen; uw leeraar is in zichzelven even verdoemelijk voor den driemaal Heilige, als gij. Nochtans beklimt hij den kansel, en vraagt hij gehoor voor zijn boodschap, als ware hij boven u verheven. Is dit een blijk van 's mans brutaliteit of zelfingenomenheid? Neen, neen, hij durft het enkel, omdat hij achter den opengeslagen Bijbel mag staan. Hij heet „verbi divini minister", dienaar des goddelijken woords. Niet zijn eigen ideeën draagt hij u voor — het zou niet de moeite waard zijn, er eiken Zondag naar te gaan luisteren; hij bepaalt u bij de gedachten Gods, die zooveel hooger zijn dan zijn en uw gedachten, als de hemel hooger is dan de aarde. Johannes de Dooper noemde zich de stem eens roependen in de woestijn; een stem, die het woord des Heeren spreekt, een echo, die het woord des Heeren herhaalt — meer was Johannes niet. En meer is ook uw leeraar niet, hij gaat in al zijn nietigheid schuil achter de boodschap van den Allerhoogste. Doch tegelijk staat hij met die boodschap gezaghebbend voor u, om leiding te geven — zooals Elia voor Achab stond.

Het tweede opmerkenswaardige hangt met het eerst-genoemde samen; de profeet zeide: „Verzamel tot mij het gansche Israël." Tot mij! Had Elia niet behooren te zeggen: „Vergader het volk voor Jehovah's aangezicht"; hij was toch niet de persoon, om wien het ging? Zeker, de Heere zou Zijn grootheid toonen; Elia kon dat niet, hij was immers een mensch van gelijke bewegingen als wij. Doch de Heere wilde het doen door den dienst van Zijn knecht. Elia was zóó nauw bij de zaak betrokken, dat hij mocht bevelen: „Verzamel tot mij." Het beteekende in den grond der zaak hetzelfde als: „Roep de menschen bijeen, om den levenden God te ontmoeten." Zoo had hij drie jaren tevoren verzekerd: „Er zal geen dauw of regen vallen, tenzij dan naar mijn woord." Ook toen was de profeet er van over

tuigd. dat zijn spreken zou samenstemmen met het spreken Gods. De Zaligmaker betuigde insgelijks: , Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, die Mij gezonden heeft" (Luc. 10:16). Wij belijden het priesterschap aller geloovigen; daarom is niet alleen op de ambtsdragers, doch op iederen Sioniet van toepassing, wat aan Jezus' discipelen is voorgehouden. Er zijn oogenblikken, dat het volk van God dit klaarlijk beseft. Dan zegt een kind des Heeren — zonder aarzeling, en zonder zelfoverschatting — tot den naaste: Gij zult geen vrede smaken, indien gij niet handelt naar het woord, dat ik tot u gesproken heb." Past op! Er wordt soms droevig misbruik gemaakt van Luc. 10 : 16 door zulken, die zich eigenmachtig den profetenmantel omslaan, en de vreeze Gods niet kennen. Ach, menige ziel zucht onder de tyrannie dier despoten, die een ootmoedige houding kunnen aannemen, maar ondertusschen hoovaardig de wijsheid in pacht hebben, en met een ijzeren roede heerschen. Gods genade ontrukkfc de gekrookte rieten aan hun wreede vuisten. Maar een oprecht kind des Heeren krijgt het profetenambt wel eens uit te oefenen, en te staan in de gewisheid, dat het woord, door hem gesproken, in waarheid Gods woord is, en derhalve zegen of vloek in zich bergt. Hoe afhankelijker, onbekwamer en onkundiger de Sionieten zich gevoelen, des te meer kan Jehovah in hun leegheid Zijn volheid leggen, en hen doen naspreken, wat Hij heeft voorgezegd. Als de Elia-gezindheid vaardig over ons is, mogen wij het „ik" en „mijn" op de lippen nemen, terwijl toch de Heere, Zijn woord en Zijn zaak worden bedoeld.

Een derde punt, dat aandacht verdient. Achab moest niet alleen het volk naar den Karmel ontbieden, doch tevens de profeten van Baal, en de profeten van het bosch, die van de tafel van Izebel aten. De profeten van Baal zijn de mannen, die dienst deden in de tempels van den afgod, welke Achab her en der in Israël had doen oprichten. En met de profeten van het bosch zijn bedoeld de lieden, die het bondsvolk verleidden tot de gruwelen, welke bedreven werden in de bosschen, gewijd aan Astarte (de maangodin; Baal was de zonnegod). Zij aten van de tafel van Izebel; dit beduidt natuurlijk niet, dat zij hun maaltijden in het paleis gebruikten — voor de elders wonenden was zulks immers onmogelijk. Maar het beteekent, dat Izebel, die hen uit Foenicië (haar vaderland) had laten overkomen, ook voor hun ' onderhoud zorgde — gelijk Obadja de profeten van Jehovah in de spelonken van het noodige voorzag.

Wij schreven reeds, dat Elia in de kracht Gods als kampvechter zou optreden. Nu, onversaagd daagde hij al zijn tegenstanders uit. Voor geen acht-, negenhonderd valsche priesters ging hij op den loop. Elia stond in de zekerheid, dat zijn Lastgever hem zou bekrachtigen, en Zelve de zaak tot een gofed einde zou brengen. Dewijl God zijn heil en schild wilde wezen, wat zou een nietig mensch hem doen? Op den Karmel zou het rijk des lichts zegevieren over het rijk der duisternis. Wederom zien wij Elia als een voorlooper van den Christus Gods. De Middelaar heeft alle machten, welke Zijn volk ten verderve waren, tegen Zich opgeroepen. Hij heeft ze verslagen, toen Hij proclameerde: „Het is volbracht", en ten derden dage opstond uit de dooden. Maar zoo wijst de strijd op den Karmel ook heen naar de uiteindelijke overwinning, welke Immanuël zal behalen, wanneer Hij wederkomen zal in groote kracht en heerlijkheid.

Ten vierde letten wij er op, dat Elia uitnemend op de hoogte was, van hetgeen er in Israël omging. Hij wist nauwkeurig het aantal profeten van Baal en Astarte, dat zijn volk verdierf. De eene groep telde yierhonderd en vijftig man, de andere groep was vierhonderd man sterk. (Over de profeten van het bosch zwijgt het vervolg der geschiedenis; blijkbaar zijn zij om de een of andere, ons onbekende, reden niet op den Karmel verschenen.) Elia was uitmuntend op de hoogte, van hetgeen er in Israël omging. Hier is een wenk voor ouders, voor ambtsdragers, in het algemeen voor allen, die leiding hebben te geven. Wij moeten thuis zijn in de Schrift, om op de rechte wijze te kunnen vermanen, aanraden en weerleggen; maar wij moeten eveneens weten, hoe het gesteld is met de personen, tot wie wij ons richten. Zoo wij vreemd zijn, aan wat de harten vervult en de gemoederen beweegt, zal onze boodschap - — naar den mensch gesproken — weinig of geen invloed oefenen. Iemand schreef eens over preeken, die op de maan hadden kunnen zijn gehouden; zij mochten in uitlegkundig en leerstellig opzicht onberispelijk wezen, maar legden toch geen beslag op de hoorders, omdat er niet gerept werd van hun speciale zorgen en zonden, twijfelingen en aanvechtingen. Een herder en leeraar — en elkeen, die een taak heeft in 's Heeren wijngaard — schiet te kort in zijn roeping, als hij enkel let op het Evangelie Gods, en niet overweegt, hoe het gesteld is met degenen, aan wie het Evangelie gebracht wordt. Ik zal nooit beweren, dat de Heilige Geest geen zegen kan gebieden over zulk een woord; maar ik verklaar wèl, dat het Oude en Nieuwe Testament ons een ander voorbeeld geven. Apostelen en profeten — bovenal de Heere Jezus Christus Zelve — verkondigden getrouwelijk den vollen raad Gods, en hielden daarbij rekening met de omstandigheden, waarin hun hoorders verkeerden. De liefde van Christus dringe ons, onderzoek te doen naar „de profeten van Baal en van het bosch", welke de zielen belagen, en een hinderpaal vormen op den weg van bekeering en geloof, zoodat wij Wet en Evangelie mogen verkondigen overeenkomstig de algemeene nooden, doch tevens met het oog op de bijzondere behoeften.

De koning kon zich niet onttrekken aan den indruk, dien de gehate beroerder van Israël op hem maakte. Zonder tegenspreken heeft hij gehoorzaamd: „Zoo zond Achab (boden) onder alle kinderen Israëls (om hen bijeen te roepen), en verzamelde de profeten op den berg Karmel."

Utr.

E. v. M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 december 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De profeet Elia

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 december 1952

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken