Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Adventsgedachten over de Doorbreker

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Adventsgedachten over de Doorbreker

10 minuten leestijd

(2)

De Doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken en hun Koning zal voor hun aangezicht heengaan en de Heere in hun spits.

Micha 2 : 13.

Een van de vele namen van de Heere Jezus is dus de naam „Doorbreker". Door deze naam worden wij er bij bepaald, dat de zondaar in een versterkte plaats is opgesloten, en tevens vestigt die naam onze aandacht op het moeilijke, noodzakeliike, maar ook volkomene werk tot verlossing van zondaren.

Die zondaren worden voorgesteld als te zijn gezeten in een nare gevangenis met dikke muren en zware poorten. Daar zitten zij niet buiten hun schuld. Neen! wie ook onschuldig in de gevangenis kwam, om daar te zuchten over zulk gruwelijk onrecht, zij niet.

In een zalige vrijheid waren zij geschapen, slechts aan God onderworpen. Waar is het schone woord van Augustinus: , , God dienen is vrijheid."

Maar helaas! hoe raadselachtig het ook schijne, die heerlijke vrijheid was de mens nog niet groot genoeg. Hij wilde door de duivel verleid, liever niet staan onder de Vader van alle barmhartigheid, hoewel Die hem Zijn teerste liefde schonk.

Zo gaat de Beelddrager Gods aan het zoeken naar een hogere vrijheid. Maar in zijn blindheid bemerkt hij niet, dat de poorten van een donkere gevangenis zich voor hem openen, doch ook achter hem toegesloten worden. In zijn doofheid hoort hij niet het knarsen van de ijzeren grendels.

Zij, die in die gevangenis heerschappij voeren, treden niet met nors gelaat op hem toe, om bijtend te spreken: „Ons doel is bereikt; nu zijt gij in onze macht!" Zij komen hem tegen met vriendelijk lachend gelaat. Zij doen alle moeite om het verblijf in de gevangenis zo aangenaam mogelijk te maken, met allerlei ijdelheid en zingenot. Ondertussen echter wordt hij, die door zijn God zo rijk was begiftigd, heimelijk beroofd van zijn heerlijke gaven en van zijn begeerlijke vrijheid. En wel in die mate, dat nu naar waarheid kan worden verklaard: „Hij heeft verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God had ontvangen, en heeft niets anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen" (Bel. des Geloofs, art. XIV).

Zo is dan de mens geworden een gevangene in het huis van de sterke. En die sterkgewapende bewaakt en bewaart zijn hof met grote oplettendheid. Satan is zeer machtig. Hij is de overste dezer wereld, de vorst der duisternis. Blijkt zijn macht niet uit de vele en grote overwinningen, die hij heeft behaald? Onder zijn bevelen staan talrijke van God afgevallen, maar toch nog machtige engelen. Vele en velerlei zijn de strikken en werktuigen en listen, die hem ten dienste staan. En hoevele mensen zijn in zijn macht! Van nature allen! En hoe vaak laat ook Gods volk zich misleiden.

Bovendien heeft hij machtige bondgenoten, die hem trouw helpen bij het bewaken der gevangenen, het nauwer aanhalen van de banden, het versterken van de gevangenis. Het zijn de zonde en de wereld, met al haar bekoring en verleidende kracht.

De zonde heeft een ontzettende macht over de mens. Hij is vleselijk, verkócht onder de zonde. Zij heeft hem aangetast in al zijn vermogens: in zijn verstand, zijn wil, zijft genegenheden. Er is in de zondaar dan ook geen kracht om die vreselijke heerschappij te breken. Hij kan dat juk niet van zich werpen.

En alsof de gevangene nog niet genoeg was gebonden, komt nu de wéreld met haar strikken en netten, om hem er hoe langer hoe meer in te verstrikken. Ook de macht van de wereld is niet gering te achten. Dat ondervindt Gods kind. Zijn gehele leven is nodig om der zonde, om der wereld gekruisigd te worden.

In die schrikkelijke gevangenis, in het huis van de sterke, liggen de zondaren nu, gebonden naar het rechtvaardig oordeel Gods. Zijn Majesteit is geschonden, Zijn Wet is overtreden. Zulke gruwelijke zonden kunnen niet ongestraft blijven. En nu moet satan zelfs nog dienst doen, om de wil en de straf Gods ten uitvoer te leggen als „Gods cipier".

Een huiveringwekkende meditatie is deze meditatie over de gevangenen. Maar zij is nodig. Zo komen wij alleen tot het mediteren over verlossing. Na de donkere gevangenis, de verbreking Van de koperen deuren en het licht der verlossing. O, welk een rijke adventsgedachten, achter de Doorbreker, Jezus Christus aan. Hij voor hun aangezicht. Zij achter Hem aan. Ja, zij zullen doorbreken, en door de poort uitgaan, en door dezelve uittrekken. Hij is het, Die heeft gezegd: „Indien gij Mij zoekt, zo laat dezen heengaan." Het is in de diepere zin de' geschiedenis van Jezus en Bar-Abbas.

De Doorbreker heeft, zoals wij vorige week overdachten, Zijn werk verricht: met grote stem heeft Hij het uitgeroepen: „Het is volbracht!"

En wat is nu de heerÜjke vrucht? Dit: dat van Zijn volk staat geschreven: „Zij zullen doorbreken, en door de poort gaan en door dezelve uittrekken."

Wat de Doorbreker vóór de Zijnen heeft gedaan, moet aan hen worden toegepast en in hen worden uitgewerkt. De Doorbreker, Jezus Christus, is door de poort heengebroken. Zegevierend trok Hij voort.

De gevangenen blijven echter zitten, alsof er niets is gebeurd, ja, - nog erger, in de grond der zaak haten zij de Doorbreker, die 't hen toeroept: „Vliedt uit het midden van Babel en redt, een iegelijk zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid."

Zij beminnen hun gevangenis, hebben hun ketenen lief. Hoe zouden zij dah künnen begeren de Doorbreker te volgen? Hun hart is met bittere vijandschap vervuld.

Er moet dus een wonder aan hen gebeuren. De ogen moeten geopend worden, want zij zijn met een vreselijke blindheid geslagen van hun geboorte af aan. Vandaar, dat de Heere van de Messias eerst zegt: „Ik zal U geven, om te

openen de blinde ogen", en daarop laat volgen: „om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis". De ogen moeten geopend worden voor de ellende, de duisternis van de gevangenis; voor de vreselijke, rechtvaardige straf, waarvoor de gevangenen worden bewaard; voor de noodzakelijkheid der bevrijding, en voor de heerlijkheid van de vrijheid.

Wanneer van dat alles iets wordt gezien, dan verdwijnt de vroegere gerustheid. De gelaatstrekken van de gevangene* verraden, dat hij aan hevige onrust ten prooi is. De tranen biggelen hem wel eens langs de wangen.

Er moet verandering komen. Dat gevoelt hij. Die toestand is niet om uit te houden. Wat zal hij doen? Hij wil trachten zichzelf te verlossen. Hij bindt de strijd aan tegen de zonde, de wereld, en de duivel. Al zijn krachten verzamelt hij. Maar ach! het is hem onmogelijk door te breken. Zijn bewakers omringen hem, werpen hem neer in de gevangenis, en de boeien worden nog nauwer aangehaald.

Al zijn pogingen falen. Uitgeput, afgemat, moedeloos, en bedroefd, ligt hij ter neder. En hij klaagt: voor mij is geen verlossing mogelijk. Zou zulk een machtige de vang ontnomen worden?

Toch is hij gelukkig, die zich zijn zelfvertrouwen ziet ontzinken. Tot zulken juist komt de Heere om hen te wijzen op de Doorbreker Jezus Christus, zó, dat er weer een vonkske van hope begint te gloren in zijn hart.

„Er is een Doorbreker!" — Heuglijke tijding voor een afgetobde gevangene. Nu gaat hij aan het roepen, aan het bidden en smeken: „ach! machtige Doorbreker, ontferm U mijner!" Nu bevochtigt hij de gevangenis met zijn tranen.

Maar! de Heere komt niet zo terstond om de banden te verscheuren. Hij wil, dat de gevangene goed zal gevoelen al het bittere van te zondigen tegen een rechtvaardig God. Hij wil, dat gij Zijn recht toevalt in het erkennen van eigen zondeschuld en doemwaardigheid.

De duivel en de wereld trachten zulk een smekeling de mond te snoeren. Nu eens beproeven zij 't met harde, dan weer met zachte middelen. Zij vrezen dat gekerm. Zij weten, hoe onheilspellend 't is voor hun macht.

Zolang de gevangene aan het werk was om zich door eigen kracht te verlossen, konden zij hem ter neer werpen. Nu echter vermogen zij niet hem het zwijgen op te leggen. Telkens weerklinkt zijn hulpgeroep. De Geest is hier aan het werk. En zelfs zonde, satan en wereld zijn niet in staat een werk, dat uit God is, te breken.

Ter rechter tijd schiet de Doorbreker toe: Hij trekt voor zijn aangezicht op. En de gevangene, Hem volgende, breekt door, gaat door de poort, en trekt door dezelve uit in de kracht des geloofs, in Gods kracht dus.

Bij dit doorbreken zijn de vijanden als met lamheid geslagen. De Heere werkt, wie zou 't dan keren?

Voor hèn is het een pijnlijk ogenblik, zo hun prooi aan hun macht te zien ontglippen, zonder er iets aan te kunnen doen. Voor de verloste is het een ogenblik van ongekende vreugde: de Heere heeft naar hem gehoord. Zich tot hem gewend, ja! hem genadiglijk verlost. Verlost uit de gevangenis!, o, heerlijke, beminnelijke verlossing en vrijheid! Vooral na zoveel leed. Dit is de ware vrijheid, verworven door Jezus Christus.

Hoe zalig verlost. Verlost van het liggen voor eigen rekening, aan zichzelf ontrukt, en aldus geworden het eigendom van de getrouwe Zaligmaker. Verlost van de vloek der Wet, want de Heiland is een vloek geworden voor de Zijnen; voor al hun zonden heeft Hij met Zijn dierbaar bloed volkomenlijk betaald. Bevrijd dus ook van de dienstbaarheid der ongerechtigheid: „de zonde heerst niet meer over u." — Ja! ook verlost uit alle geweld des duivels.

De grootheid van zulk een verlossing kan wel eens zulk een indruk maken op de ziel, dat zij haar geluk niet kan uitspreken? dat zij met verwondering en bewondering staart op het werk van de Doorbreker. Dan gaat het de verlosten als de wederkerenden uit Babel. Zij zingen met hen:

, , 't Scheen ons een blijde dróóm te zijn. Wij lachten, juichten; onze tongen Verhieven 's Heeren naam en zongen."

Alles is hun zó wonderlijk, dat 't hun bij ogenblikken voorkomt, als ware 't geen wèrkelijkheid, maar slechts een blijde, schone dróóm; een droom, waarvan de bekoring en begoocheling straks verdwenen zullen zijn, als de slaap geheel is verdreven, en het klare bewustzijn teruggekeerd. Ja, zo kan het zijn met een, wiens boeien zijn verbroken. Het genot is zo vol, zo rijk, dat hij zich afvraagt: „droom ik of waak ik? Zou het wel werkelijk waar zijn? "

Die bevrijding geeft ruime juichensstof. Vol vreugde wordt "'t uitgeroepen tot ere van God: „De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd." Die blijdschap is groter dan enige andere. Toen koning Manasse uit de kerker werd verlost, waarover zou hij toen meer vreugde in zijn hart hebben gesmaakt, over de losmaking van de koperen boeien, die zijn lichaam hadden omkneld, óf over de verbreking der banden, die zijn zièl hadden omvangen? < — Toch zeker wel over het laatste.

Het is een blijdschap, waarin doorstraalt het vuur der lièfde, der wederliefde tot de machtige, barmhartige, getrouwe Doorbreker. Overdacht wordt de weg van lijden en smart, de weg van de kribbe tot aan het kruis, die Hij heeft afgelegd. Iedere voetstap daarop gezet geeft nieuwe stof tot roemen in de Heere. „O, welk een ontferming, gadeloos groot! o, welk een genade, rijk en vrij! Zoveel leeds is er geleden, zoveel strijds gestreden door de Zone Gods, Die het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn, en dat voor mij, een nietig, een arm, een ellendig zondaar", zo is het van binnen. In die ogenblikken vloeit het hart over in geloof, in hoop, in liefde, in lofzang en aanbidding. Dan is uw ziel als een gewaterde hof. Dan trilt het lichaam van innerlijke ontroering. Dan is het zalig te mediteren over de gevangenen en hun verlossing.

Kent gij iets van dat genot, van die Adventsgedachten over de Doorbreker? , of, o vreselijke toestand!, is uw gevangenis u nog zo lief? — Vreest gij dan niet voor de eeuwige gevangenis?

Z.

S. v. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 december 1953

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Adventsgedachten over de Doorbreker

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 12 december 1953

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken