Bekijk het origineel

De vreze des Heeren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De vreze des Heeren

12 minuten leestijd

lk, uw knecht, nu vreze de Heere van mijn jonkheid af. 1 Kon. 18:12 (laatste ged.)

Belijdenis des geloofs hebben velen van onze lezers, misschien de meesten wel, eens afgelegd in het midden der gemeente. Voor de een is dat al lang, heel lang misschien, geleden, bij de ander ligt het nog vers in het geheugen, omdat het gebeurde maar een jaar, een paar weken geleden. De een deed belijdenis uit gewoonte, de ander niet zonder veel strijd. De een deed het met een bevend hart, de ander met innerlijke dankbaarheid en blijdschap. Aan hoevelen van mijn belijdeniscatechisanten, ouderen, maar ook jongeren, heb ik goede herinneringen. Zijn ze staande en trouw aan hun belijdenis gebleven? Is het alles verdiept en verder voortgeleid, als er een beginsel was van het ware werk Gods? Zijn er misschien ook afgeweken en afgevallen? Mooie bloesems, maar geen vrucht?

Bij de grote meerderheid van de catechisanten is het belijdenis doen, en zelfs de kennis van de waarheid, vrij oppervlakkig. Heerlijk is het, als het later mag komen tot een diepere kennis, en tot een belijdenis des harten! Dat gebeurt, Gode zij dank! ook. Ik ken daar meerdere voorbeelden van. Ook wel van het uitstellen van de belijdenis uit vrees voor de leugen in de rechterhand, en het toch later er toe over mogen gaan met vrijmoedigheid. Ik denk aan een meisje uit mijn eerste gemeente, dat belijdenis had gedaan, omdat het de tijd was geworden, en dus uit gewoonte. Daarna kwam dit door de invloed des Heiligen Geestes op haar aan. Zij kreeg haar zonde en ellende te zien, en worstelde met dit alles aan de troon der genade. En de Heere gaf uitkomst, door haar oog te richten op het Lam Gods, Christus Jezus. Dat is een rijke genade jong met deze zaken werkzaam te mogen worden gemaakt en te mogen komen tot de geloofsbelijdenis des harten: „Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid."

Wij willen thans met elkander overdenken zulk een ware, zulk een hartelijke geloofsbelijdenis, waartoe het reeds in de jonge jaren mocht komen. Zij is ons in Gods Woord opgetekend, en wel in 1 Koningen 18:12 (laatste gedeelte): k, uw knecht, nu vrees de Heere van mijn jonkheid af.

Het oordeel van de grote en langdurige droogte rustte op Israël tijdens de regering van de goddeloze Achab en Izebel. De honger was sterk in Samaria. Zelfs voor de paarden en de muilezelen van de koning was er bijna geen gras te vinden. Om zijn beesten in het leven te houden trok de koning er zelf op uit met zijn hofmeester Obadja, om bij de wanterfonteinen en de rivieren nog wat gras te vinden. Zij deelden het land ender zich. Achab ging bijzonder op een weg, en Obadja ging bijzonder op een weg.

Als nu Obadja aan het zoeken was naar voedsel, kwam Elia, de profeet des Heeren, hem tegemoet. Obadja was ten zeerste verwonderd Elia daar te zien. Hij kende de profeet wel, want Obadja was de Heere zeer vrezende. De hooggeplaatste Obadja valt op zijn aangezicht, en zegt, omdat hij het haast niet geloven kan: „Zijt gij mijn heer Elia? " *— Het korte antwoord van de boetgezant is: „Ik ben het, ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia hier." Dat was een moeilijke opdracht. Obadja heeft dan ook grote bezwaren. Hij vreest, dat dit hem zijn leven zal kosten. En daarom vraagt hij: „Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij doode? De koning heeft u overal gezocht. En nu zegt gij: „Ga heen, zeg uw heer; zie, Elia is hier. En het mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des Heeren u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden." Wat heb ik toch gezondigd, dat gij dit van mij vraagt? — Ik, uw knecht, nu vrees de Heere van mijn jonkheid af. En als om dit uit de werken te tonen gaat Obadja voort met Elia te vragen: „Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb? als Izebel de profeten des Heeren doodde? dat ik van de profeten des Heeren honderd man heb verborgen, elke vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb? " — Dat was ook waarlijk geen geringe zaak in zulk een tijd 100 mensen onderhouden, en dat met gevaar voor eigen leven! „En", zo gaat Obadja voort, nu zegt gij: „Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier; en hij zou mij doodslaan, als u weg was." - — Elia antwoordde: „Zo waarachtig als de Heere der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!" Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zeide het hem aan; en Achab ging Elia tegemoet. Welk een ontmoeting van die twee, Elia en Achab. Lees het aangrijpende vervolg zelf maar na. En lees dan ook van die andere ontmoeting op de berg Karmel: Elia alleen, maar! alleen met de Heere, en tegenover hem 450 profeten van Baal en de 400 profeten van het bos. Uw kinderen kunnen u vertellen, \ , 'c.t' daar heeft plaats gegrepen. Vraag ze er maar eens naar. Wij bepalen ons nu in hoofdzaak tot de geloofsbelijdenis van Obadja, dc hofmeester van Achab: „Ik, uw knecht, nu vrees de Heere van mijn jonkheid aan."

Dit woord geeft ons drie rustpunten voor onze meditatie, de drie volgende punten:

1. Wat het betekent de Heere te vrezen.

2. Wat het betekent de Heere van jongsaf te vrezen.

3. Wat het betekent belijdenis te doen van de vreze des Heeren.

Obadja, de hofmeester van Achab, mocht in oprechtheid tot Elia zeggen: „ik, uw knecht, nu vreze de Heere vaa mijn jonkheid af." Dat is geen hoogmoedig „ik", zoals dat zo veelvuldig gehoord wordt op aarde. Ik, altijd maar ik. I!c heb dit gezegd. Ik heb dat gedaan. En dat is niet alleen zo in de zaken van ons gewone, natuurlijk leven. Dat is maar al te veel ook zo in onze gesprekken over de geestelijke, de eeuwige dingen. Dan is er wel allermeest reden om te spreken met de ootmoedu .eid bekleed te mogen worden. Het is i.nmers alles gegeven n^> d.

Het is van a tot z de vrucht van Gods vrijmachtig welbehagen. Het is alles genade. Het is. zoals wij zo gaarne zingen — och, dat wij het maar veel zingen mogen met ons ganse hart:

Gij toch. Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht; Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen.

Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven.

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

Bij Obadja was het in de ontmoeting met Elia geen hoogmoedig ik, zoals bij Petrus, toen hij zei: al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden." Neen, hier was het de ootmoedige erkenning van Gods genade, waardoor hij mocht zeggen: Ik, uw knecht, nu vreze de Heere." Gij hoort zijn kleinheid, zijn ootmoed, doorklinken. Let daartoe op de woorden: ik, uw knècht". Hij, de invloedrijke, hooggeplaatste man aan 's konings hof, hij buigt diep voor de gezant van Jehova. Hij viel immers voor hem op zijn aangezicht. En hij noemt zich „uw knecht". Vanuit zijn kleinheid en onwaardigheid zag hij hoog op tot de profeet des Heeren; hij gevoelde een sterke band aan hem. Inplaats van hoogmoed, was hier veel meer vreesachtigheid. Obadja kende Achab en Izebel goed in hun bittere vijandschap tegen allen, die de Heere vreesden, en vooral tegen Zijn dienstknechten, de profeten, en de zonen der profeten, dat zijn de leerlingen van de profetenscholen. En nu vreesde hij, dat de Geest des Heeren Elia van zulk een gevaarlijke plaats zou wegnemen, om hem uit Achabs hand te houden. Maar dan zou de volle toorn van Achab en Izebel op hem neerdalen. Het zou hem z'n leven kosten, omdat hij Elia niet gevangen genomen had en op vrije voeten had gelaten. In die vrees vraagt Obadja Elia: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode? " Vergeet het toch niet: Ik, uw knecht, nu vreze de Heere van mijn jonkheid af." Dat is u toch wel aangezegd, en daarin is het toch wel gebleken, dat ik, als Izebel de profeten des Heeren doodde, er honderd in twee spelonken heb verborgen en die Jhet brood en water onderhouden heb. Er was dus vrees voor Achab en Izebel bij Obadja, en geen hoogmoed, toen hij tot Elia zeide: Ik, uw knecht, nu vreze de Heere van mijn jonkheid af." Wie onzer zal dit Obadja kwalijk nemen? Zouden wij het er beter afbrengen? Ik vrees van veel en veel slechter. Denk maar aan zijn de Heere zeer vrezen op zulk een plaats, niet in een afgelegen dorp of gehucht, waar 't gemakkelijk is vroom te zijn onder de vromen, maar aan het goddeloze hof van Achab en Izebel, en dus midden in de wereld. Denk maar aan de tijd, waarin hij leefde, een tijd van afval, Baalsdienst en bittere vervolging. Denk maar aan de plaats, waarop hij gesteld was, een hoge plaats, bekleed met een hoog ambt, en hoge bomen vangen veel wind. En dan toch nog de Heere niet te verloochenen, toch Zijn dienstknechten te beschermen en te verzorgen, dan toch nog de Heere zeer te vrezen, zie, dat is genade, rijk en vrij. O, dat ook wij, ziende op de toenemende vijandschap en vervolging, op onze eigen zwakheid en ontrouw, maar gedurig vragen, of de Heere ons ook die genade bewijzen wil, ons leren wil Hem te vrezen en Hem trouwelijk te dienen, of Hij Zijn kracht wil volbrengen in onze zwakheid. Zo alleen zal er iets zijn, van wat Paulus mocht hebben, toen hij midden in een vijandige wereld vol met Grieken, die het Evangelie des kruises als een dwaasheid bespotten, vol met Joden, wie het Evangelie des kruises een ergernis was, toen hij in zulk een wereld mocht tonen: Ik schaam mij des Evangelies van Christus niet, want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eert de Jood, en ook de Griek" (Rom. 1 : 16).

Wat betekent het de Heere te vrezen? Velen weten niet, wat wij hebben te verstaan onder de vreze des Heeren. Op mijn spreekuur kwam eens een vrouw om een kind aan te geven voor de H. Doop. Zij vertelde mij, dat zij bij een vorige aangifte iets vreselijks had beleefd. Mijn voorganger had er haar toen met nadruk op gewezen, dat zij nu geroepen was haar kind op te voeden in de vreze Gods. En haar leermeester op de catechisatie had haar altijd weer voorgehouden: „God is liefde." Daar was zij het mee eens. Niet van een God, waarvoor men de kinderen bang maakt, maar van een God, Die liefde is, wilde zij haar kinderen spreken. Ik heb getracht haar duidelijk te maken, wat wij naar Gods Woord hebben te verstaan onder een opvoeden in de vreze des Heeren. Zij luisterde en zweeg, maar ik weet niet, of zij het verstaan had, ik vrees van niet. Zo is het met velen.

Neen, de vreze des Heeren is niet de vrees van de slaaf voor de zweep van z'n meester, is niet de angst voor de hel. Met zulk een angstige vrees kan men verloren gaan, en gaat gij verloren, als het niet verder komt. Maar nooit gaat verloren degene, in wiens hart de kinderlijke vreze des Heeren door genade gevonden mag worden. Die vreze is eerbied en ontzag voor de hoge en heilige God, maar, gepaard met wederliefde door Gods liefde in Christus gewekt, en met kinderlijk vertrouwen. „Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de Heere over degenen, die Hem vrezen" (Psalm 103:13).

Degenen, die de Heere in beginsel vrezen, worden dan ook met Christus Jezus in geloofscontact gebracht. Maleachi 4 : 2 zegt het ons zo duidelijk en vertroostend: Ulieden daarentegen, die Mijn naam vreest, zal de Zonne der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen." Ja, wij lezen dan ook in Spr. 14:26 en 27: In de vreze des Heeren is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een toevlucht wezen. De vreze des Heeren is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods." Wat wordt er van de vreze des Heeren al niet gezegd! Zij is het beginsel der wijsheid. Zij is ten leven. Zij is af te wijken van het kwade. De vreze des Heeren zal zijn schat zijn (Jes. 33:6). Zij is rein (Ps. 19). Wij zullen het hierbij laten. In de H. Schrift is er nog veel meer van te vinden. Zoek het zelf maar op, en leer uw kinderen u daarbij te helpen.

Hoe krijg ik daaraan deel? , vraagt gij misschien, mijn lezer. Alleen door en in Christus. Van Hem werd al geprofeteerd door Jesaja: En op Hem zal de Geest des Heeren rusten *— de Geest der kennis en der vreze des Heeren" (11 : 2). En dus hebt gij ook nodig de Geest des geloofs, waardoor gij Christus deelachtig wordt, en al Zijn schatten en gaven. De vreze des Heeren is als de schat in de akker. De Spreukendichter zegt er van: Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten; dan zult gij de vreze des Heeren verstaan, en zult de kennis van God vinden" (2:4 v.), Zij het uw vurige bede: Verenig mijn hart tot de vreze van Uw Naam" (Ps. 86 : 11).

Z.

S. V. D.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 mei 1954

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

De vreze des Heeren

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 8 mei 1954

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken