Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een gravamen tegen de Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een gravamen tegen de Dordtse Leerregels

9 minuten leestijd

We zijn de vorige keer begonnen met een bespreking van de vijf teksten, die de vaderen in verband met het besluit Gods aanhalen. Volgens collega Duetz halen de vaderen geen enkel woord uit de Schrift aan, waaruit blijkt dat Gods eeuwig besluit de wegen der mensen uiteen doet gaan in gelovigen en ongelovigen. Ik hoop nu reeds duidelijk gemaakt te hebben, dat in ieder geval duidelijk in de Schrift geleerd wordt, dat het geloof een gave Gods is en dat Hij dit geloof geeft aan degenen, die daartoe te voren verordineerd zijn. Daaruit volgt, zonder redenering, dat zij die niet verordineerd zijn tot het eeuwige leven, het geloof niet ontvangen en daardoor in hun ongeloof blijven. Nu wordt er wie eens gezegd, dat dit toch altijd een conclusie is. doch dat nergens in de Schrift uitgesproken wordt, dat het niet verordineerd of niet uitverkoren zijn iemands leven bepaalt. Ik spreek dit tegen. Het nietuitverkoren zijn betekent dat de mens blijft wat hij door de val in Adam geworden is en wat hij graag wil wezen. Ieder mens, collega Duetz en ik inbegrepen, is van God afgevallen en de duivel toegevallen en deze duivel willen wij dienen. Dat kan op godsdienstige en op ongodsdienstige wijze. Dat kan in de vorm van ongerechtigheid of eigengerechtigheid, maar de vorm doet er niet toe. En nu moet er een groot wonder aan ieder mens gebeuren wil hij anders willen. Zelf kan hij zich niet tot God bekeren en wil zich niet tot God bekeren. God doet dat wonder aan Zijn uitverkorenen. Deze maakt Hij levend, begiftigt hen met het geloof en brengt hen in de eeuwige zaligheid. Die God niet levend maakt en niet met het geloof begiftigt, blijven die ze zijn, nl. aanbidders van wat niet God is. Dit laatste kan men duidelijk uitgesproken vinden in Openb. 13:8. Wie zullen het beest aanbidden? Zij, met wie iets niet gebeurd is. Hun namen zijn niet geschreven in het boek des levens des Lams. Wanneer zijn hun namen daar niet in geschreven? Zij stonden er niet in geschreven bij de grondlegging der wereld.

Het is nu wel voldoende duidelijk mag ik hopen dat Gods eeuwig besluit de we-gen der mensen uiteen doet gaan in gelovigen en ongelovigen. Trouwens Rom. 9 : 22 spreekt ook van een bestemd zijn tot het verderf. Die geordineerd zijn tot het eeuwige leven worden met het geloof begiftigd en die niet geschreven staan in het boek des levens blijven in hun ongeloof en aanbidden het beest.

Wordt hiermee de verantwoordelijkheid van de mens niet opgeheven? In genen dele volgens de Schrift. Daar is geen toeval. Zelf de donkerste schaduw in het leven is geen vrucht van schepselmatige willekeur, maar heeft haar laatste grond in Gods eeuwige Raad. Doch die eeuwige Raad heeft de verantwoordelijkheid des mensen ten volle in zich opgenomen. Al Gods besluiten dienaangaande en Gods Raad hebben de menselijke verantwoordelijkheid ten volle geëerbiedigd. Kunnen wij dat begrijpen? De wedergeboren mens buigt zich niet voor een God, omdat hij Hem begrijpt, maar buigt zich voor de God der Schriften, omdat Hij God is en niemand meer. Hij tracht niet te knutselen aan de Heilige Schrift om de mens ook nog een beetje op de troon te zetten, maar weet dat God alles regeert en doet naar de Raad van Zijn wil en erkent zich toch ten volle verantwoordelijk. Die verantwoordelijkheid voelt hij, zij drukt hem neer, zij doortrekt zijn gehele wezen en tegelijk is hem de belijdenis van de almachtige souvereiniteit Gods een levensbehoefte.

We komen tot een andere tekst, die in de Verwerping der dwalingen wordt genoemd, nl. Romeinen 8 : 30. Daar lezen wij: En die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd

heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt."

Het gaat er voor de vaderen om een tekst aan te geven, die uitspreekt, dat het komen tot het geloof iets te maken heeft met Gods eeuwige Raad. Collega Duetz ontkent dit. De vadereri stelden dit. Helaas heeft onze collega de teksten, die de vaderen hebben aangevoerd, niet besproken in zijn gravamen. Daarom staat hij ook zo zwak. Hij redeneert zelf maar. doch laat de Schrift niet aan het woord. Hij zegt wel, dat hij Rom. 8 : 30 besproken heeft, maar die enkele woorden, die hij daaraan besteedt.kan men met de beste wil ter wereld geen bespreking noemen. Immers alleen deze woorden wijdt hij er aan bij artikel 7: Is het hier ook weer toevallig, dat het citeren van Rom. 8 : 30 weer op dusdanige wijze geschiedt, dat bij het laatste wordt weggelaten de christologische aanhef in vers 29: Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de eerstgeborene zij onder vele broederen. Het geheel gaat hier om het feit, dat Christus de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen, dat Christus een gemeente zou hebben, die Zijn beeld gelijkvormig zou zijn." Meer niet.

Heel dit machtige gedeelte uit Romeinen 8 is hiermee volgens collega Duetz besproken. Hij is er klaar mee. Het heeft hem voor het stuk der uitverkiezing niets te zeggen. Een oppervlakkiger behandeling kan toch de H. Schrift moeilijk ten deel vallen. Hij prijst zichzelf nog al eens, dat hij zo'n eerbied heeft voor de Schrift en daarom de Leerregels moet verwerpen. Daar blijkt echter uit zijn „bespreking" niets van. We zouden dat constateren bij de enkele woorden die hij aan Hand. 13:48 wijdde en hier springt het nog meer in het oog. Want wat zegt hier de Heilige Schrift?

In het voorafgaande heeft de apostel betoogd, dat de volle verlossing en verheerlijking der gelovigen zeker is. Die zekerheid wordt in Rom. 8 : 28—30 herleid tot haar diepste grond, nl. de verkiezende liefde Gods. Die God liefhebben werken alle dingen mede ten goede. Dus al zijn de gelovigen in lijden en in druk, dat zal hen niet schaden. Zij worden zeker zalig. Waar rust die zekerheid op? Hierop, dat zij naar Gods voornemen geroepen zijn.

Daar staat dus dat zij door de genadewerking Gods tot het geloof gebracht zijn. Deze roeping tot de zaligheid, die in Christus is, geschiedde naar een voornemen. Van dat voornemen is ook sprake in Rom. 9:11: Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods dat naar de verkiezing is, vast bleve".

Houdt dus dit goed vast en dan krijgt men een ander verband dan waar collega Duetz van spreekt. Het gaat over de zekerheid der zaligheid. Die zekerheid ligt vast in het voornemen Gods, dat verkiezend werkzaam was. In Efeze 3:11 wordt gesproken van een eeuwig voornemen.

Greydanus zegt dus niet zonder grond: Zij zijn geroepen naar Gods eeuwig voornemen.

Hoe vast dit voornemen Gods is zet de Apostel uiteen in vers 29 en 30. Wij stellen nog eens vast. dat het voornemen Gods bepaalt wie er geloven zal. Dit voornemen sluit een reeks van heilsweldaden in. Al die heilsdaden zitten in Gods raadsbesluit vastgesmeed voor eeuwig. En waarop rust de vastheid? Ten eerste zijn deze geroepenen tevoren gekend. Dit tevoren kennen is meer dan een blote voorwetenschap. God kent alle mensen van eeuwigheid. Maar hier spreekt Gods Woord van een kennen der geroepenen naar Gods voornemen. Het grote Woordenboek schrijft van Gods tevoren kennen: „Dit is een uitverkiezen of vooruit bepalen".

Greydanus schrijft: De aoristus (een bepaalde werkwoordsvorm, waarin het Griekse woord staat) duidt aan, dat dit te voren kennen reeds in het verleden geschiedde, en hier uiteraard, dat het tot in de eeuwigheid teruggaat, gelijk het voornemen. waarvan in vers 28 gesproken wordt. En dat is het geval ook met de aoristi, die in deze twee verzen nog volgen, en die allen wijzen op hetgeen God heeft vastgesteld in Zijn eeuwig raadsbesluit, maar niet op de uitvoering daarvan in de werkelijkheid. Het gaat hier ook slechts om de vastheid der heilsverschijning door de gelovigen. En deze rust geheel in Gods raadsbesluit".

Uit dit tevoren uitverkiezend kennen en kennend uitverkiezen volgt nu een tevoren bepalen. Een bepaalde groep personen (sommigen) heeft God tevoren gekend. Ook heeft Hij deze tevoren verordineerd. ergens toe bestemd. Deze gekenden zijn bestemd om „den beelde des Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij zou zijn de Eerstgeborene onder vele broeders." Dus de gelovigen zullen als kinderen Gods openbaar worden. Zij zijn ook kinderen des Heeren gelijk Christus en God werkt in alles ten goede voor hen. Het gaat er echter in deze verzen niet om, dat Christus een gemeente zou hebben. Dit is niet het onderwerp. Het onderwerp is dat degenen, die naar Gods voornemen geroepen zijn, zo'n vaste grond der zaligheid hebben. Die vaste grond-is de eeuwige verkiezing Gods. Het is dat zij tevoren gekend zijn en tevoren bestemd zijn om Gods kinderen te zijn. Daarom zullen zij het ook worden. Want hoe gaat dat verder, hoe wordt dat eeuwig voornemen Gods verwerkelijkt? Deze voorbestemden worden ook geroepen. Let wel, zij worden door God geroepen. Bedoeld is de krachtdadige roeping. Het Woordenboek zegt: Als God of ook Christus een mens roept is dat roepen een krachtdadige zaak. Bedoeld is dus niet het nodigen dat de dominé doet, doch een effectief roepen, dat zich doet horen en gehoorzamen, en zijn inhoud verwerkelijkt. Dit roepen gaat uit tot hen, die in het eeuwig voornemen Gods zijn bestemd om Gods kinderen te zijn. Doet Gods eeuwig besluit de wegen der mensen niet uiteengaan? Gaan de krachtdadig geroepenen niet een andere kant op dan de niet-geroepenen? Deze geroepenen heeft God ook gerechtvaardigd. Zo zal het er eenmaal uitzien aan het einde der tijden. Deze zaken staan onwrikbaar vast. De vaste grond van al deze weldaden ligt in de eeuwigheid. De ene weldaad voert naar de andere. En alles staat hecht en onomstootbaar vast naar Gods vrijmachtige verkiezing.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 februari 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

Een gravamen tegen de Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 februari 1956

Gereformeerd Weekblad | 8 Pagina's

PDF Bekijken